John Coltrane :: Blue World

Toen in 2005 de intussen legendarische opnames van Coltrane met Monk in Carnegie Hall door Blue Note op de markt gegooid werd, leek iedereen het erover eens dat de archieven intussen uitgekuist waren. Toch was dat niet het einde, want snel daarna volgden Live At The Half Note en een paar jaar geleden ook nog Offering: Live At Temple University. In 2018 gebeurde dan het ondenkbare: Both Directions At Once: The Lost Album bevatte zowaar studio-opnames van het grote Coltrane Quartet uit 1963. Eerder een samenraapsel dan een echt album, maar het liet de band in een sleutelfase horen. Met Blue World wordt de liefhebber zo mogelijk nog sterker geprikkeld, want deze opnames in mono dateren uit 1964, het jaar dat het kwartet twee van zijn legendarische wapenfeiten opnam: Crescent en A Love Supreme.

Ook dit is geen verloren gewaande klassieker – laat staan de Heilige Graal – maar het is een intrigerend document, en dat om meerdere redenen. De eerste is dat het eigenlijk gaat om een soundtrack voor de film Le chat dans le sac (1964) van de Canadese regisseur Gilles Groulx. Hij draaide in Montréal een film die duidelijk gebaseerd was op de principes van de Nouvelle Vague cinema. Op zich niet zo opmerkelijk, want Miles en Monk hadden het ook al gedaan voor Ascenseur pour l’échafaud en Les Liaisons Dangereuses. Zonder dat Impulse! op de hoogte was, was de regisseur afgezakt naar de studio van Rudy Van Gelder op 24 juni 1964. Na een sessie van een paar uur, trok Groulx naar huis met de opnames, die uiteindelijk in het Canadese filmarchief belandden om vergeten te worden.

Een tweede opmerkelijk feit is dat de band het filmmateriaal niet gezien had en Groulx een voorkeurslijstje meegebracht had. Die konden niet allemaal ingelost worden, maar Coltrane stemde wel toe om een aantal eigen composities op te nemen. En daar zit het uitzonderlijke van deze release, want de leider was zo geobsedeerd door zijn persoonlijke en artistieke evolutie, dat een terugblik op eigen werk zelden tot nooit gebeurde. Hij had wel een paar composities, zoals “My Favorite Things” en “Naima”, waarvan er hier ook twee versies zijn, die hij jarenlang live uitvoerde, soms met grondig vertimmerde (lees: uitgerokken) versies, maar nieuwe studio-opnames van oudere stukken? Dat niet. En dat alleen al maakt een unicum van Blue World.

In dat opzicht is deze release een stuk minder genereus dan Both Directions At Once. Die bevatte niet enkel meer materiaal (anderhalf uur), maar ook nog eens een paar onbekende composities die voor fanaten een missing link konden vormen tussen het voorgaande en wat zou volgen. Blue World is een stuk korter (nog geen 37 minuten) en bevat enkel bekend materiaal. Drie uitvoeringen van “Village Blues” (uit Coltrane Jazz), twee van “Naima” (uit Atlantic-debuut Giant Steps) en dan nog eentje van “Like Sonny” (opnieuw Coltrane Jazz), “Traneing In” (uit een album dat Coltrane in 1958 opnam met het Red Garland Trio) en ten slotte “Blue World”, ogenschijnlijk een nieuwe compositie, maar eigenlijk een doorslagje van “Out Of This World” (uit Coltrane, een album van dit kwartet uit 1962).

Blue World bevat geen radicale bewerkingen en scheert nergens langs de hoogtes die het kwartet bereikte met Crescent of A Love Supreme, maar duikt wel volop in de uitzonderlijke synergie van deze band, die zich een weg baant door deze stukken en zelfs met een kortere duur een meer zwevende impact bereikt. Pianist McCoy Tyner steekt in “Naima Take 1” meer franjes dan Wynton Kelly in het origineel, terwijl Jones net opvalt door de beheersing waarmee hij speelt. “Like Sonny” werd net als “Naima” gespeeld door de line-up Coltrane, Wynton Kelly, Paul Chambers, Jimmy Cobb (op dat ogenblik de ritmesectie van Miles Davis), maar krijgt hier misschien de meest afwijkende uitvoering. De duur wordt gehalveerd, de bassolo van het origineel buiten gekieperd en de solo-volgorde omgekeerd: nu hoor je eerst Tyner en vervolgens Coltrane. Opvallend is ook de minder goede, zelfs wat slordige articulatie van de leider wanneer hij het thema introduceert.

“Village Blues” werd oorspronkelijk uitgevoerd met Tyner, bassist Steve Davis en Art Taylor, en is in deze drie versies vooral trager dan het origineel. Maar ook in deze blues wordt de schaar gezet; enkel de leider soleert. Van de drie versies zou de tweede (ook de strakste) in de film belanden. “Traneing In” valt dan weer op door de uitvoerige basintro van Jimmy Garrison (iets waar die in december nog meer tijd voor zou krijgen, tijdens de opnames van A Love Supreme), maar ook door de toon van Coltrane, die op een paar jaar tijd duidelijk verscherpt was. Misschien komt die nog het mooist  tot z’n recht in “Blue World”. Dat heeft niet de zware melancholie die Crescent overmeesterde, noch die verheven intensiteit van A Love Supreme, maar het is vooral hier dat je de uitzonderlijke dynamiek en eenheid van deze bezetting voelt.

Als je alles bij elkaar optelt, dan kan je zowat de conclusie bij Both Directions kopiëren: dit is geen echte revelatie, en met slechts een handvol verschillende stukken misschien wat te mager om een volwaardige release te zijn. Tegelijkertijd laat het een van de grootste ensembles uit de hele jazzgeschiedenis horen op de piek van zijn kunnen. Niet in een tweespalt tussen standards en volle ontwikkeling, zoals de vorige release, maar met een zeldzame stap terug in de tijd. En dat levert zelfs met opgetrokken handrem uitzonderlijke muziek op.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in