Jaimie Branch :: Fly Or Die II: Bird Dogs Of Paradise

De Fly Or Die-concerten die we eind 2018 meemaakten (uitstekend in Berlijn, verbluffend in Brugge) lieten een band horen die virtuoos en gedreven jongleerde met bekend en nieuw materiaal. Het had er alles van dat album #2 minstens even indrukwekkend zou worden als zijn voorganger. Een knetterende en openhartige trailer bevestigde dat nog eens, en nu het album er is wordt alle geduld beloond met een tweede explosie van kleur en karakter. Anno 2019 laten weinig artiesten vrijheid en uitbundigheid zo genereus en onweerstaanbaar samenvloeien als Jaimie Branch & co.

Als er iets is dat meteen opvalt, zowel voor de hoes als voor de muziek, dan is dat het intense kleurenpalet. Bird Dogs Of Paradise is een plaat die zoveel te vertellen heeft, zoveel hart heeft, dat het net zo goed kon leiden tot een overdaad, maar dat gebeurt hier niet. Deze worp klokt tien minuten later af dan zijn voorganger, maar alles zit hier in evenwicht. Dit is een album zonder inzinkingen die nu eens beheerst en dan weer sensueel en warmbloedig slalomt tussen momenten van vrije introspectie en broeierige uitbundigheid. Een suite die licht en donker in balans houdt met de vanzelfsprekendheid die voorbehouden is aan artiesten die zowel verheffende extase als verlammende donkerte van binnenuit kennen.

Birds Dogs Of Paradise werd opgenomen in de staart van een Europese tournee, tijdens een residentie in Cafe OTO. Twee stukken werden daar opgenomen, de rest in de studio, en achteraf voegde Branch nog wat toe, zoals de pulserende synths van “Twenty-Three N Me Jupiter Redux”. Het resultaat is een levende, lillende plaat die contemplatie en groove samenbrengt en vooral uitpakt met bakken soul. Branch is geen onbekende in het vrije, meer cerebrale werk (zoals dit concert met Ig Henneman en Anne LaBerge, dat werd uitgebracht bij Relative Pitch Records), maar met Fly Or Die mikt ze vooral op een gevoel, een vibe. “Fuck your technique, sound first”, zegt ze in bovenstaand filmpje. En dat typeert haar. Eerst de boodschap, het verhaal en het gevoel. Al de rest volgt vanzelf als je je omringt met de juiste mensen.

Dat levert hier opnieuw een markant heen-en-weer-kaatsen op, met “Birds Of Paradise” als dromerig startschot van geplukte snaren (cellist Lester St. Louis en bassist Jason Ajemian), die snel gezelschap krijgen van drummer Chad Taylor (op mbira) en Branch (zachtjes golvende trompet). Trance-beweging, wentelende kindermobiel en naderende meeuwenvlucht in één. Maar dan wordt plaatsgemaakt voor “Prayer For Amerikkka Pt. 1 & 2”, een traag sudderende blues die zich ontvouwt tot het zwaartepunt van het album. Cello, bas en drums leggen een gortdroge, snikhete groove neer, de trompet spuwt vuur. En net als tijdens de concerten slaat Branch hier aan het zingen. Het is uit haar comfortzone, het is naakt en onbeschermd, maar ze levert een knoert van een protestsong af – met breed uitgesmeerde trompetvegen, een woelige call & response met backing vocalisten Ben LaMar Gay en Marvin Tate, en een rollende versnelling met gitaar en Latin-tint. Een intens-geëngageerde aanklacht, uitgeschreeuwd vanuit een luid bonkend hart.

En vervolgens wordt duidelijk hoe alles organisch aan elkaar gebreid werd, met een korte solo voor St. Louis (“Lesterlude”), iets verderop het rond snaren en bellend samengestelde “Whales” en de titeltrack, vol ruw gestreken snaren en aangehouden trompetklanken tegen een achtergrond van dramatisch opduikende drums. Maar zelfs binnen de abstractere momenten doordrongen van diezelfde vibe. Die is natuurlijk lijfelijker aanwezig in de groovende stukken. Net zoals de voorganger een paar hypercatchy “Themes” in de aanbieding had, zo heeft deze plaat een handvol composities die relatief eenvoudig in elkaar zitten, maar de temperatuur de hoogte in jagen met volupteuze trompetlagen (“Twenty-Three N Me Jupiter Redux”), speels-zomerse riedels die de speelsheid zelfs aandikken met xylofoon (“Simple Silver Surfer”) en een soepele dansbaarheid met opnieuw een Latin-toets (“Nuevo Roquero Estéro”).

Als afsluiter een stuk dat zeker vertrouwd klinkt voor wie de band al zag: ballade “Love Song”, opgedragen aan de “assholes & clowns out there”. Een trippelend stuk waarin Branch een eindje wegcroont (op een manier die bovendien wat herinnert aan Joe Jacksons “Slow Song”) en de trompet lekker laat schetteren en zeuren. Het is meteen ook een gepast einde voor een album dat geïnspireerd verder bouwt op de revelatie die de voorganger was. Bird Dogs Of Paradise is een origineel, persoonlijk statement dat kan fungeren als opgestoken middenvinger én onvervalste party-plaat. Nu u nog.

Zoals elke artiest die de moeite is, doet Branch er live nog een schep bovenop. Dat kan je binnenkort meemaken in Kc NONA (23/10, Mechelen) en KAAP (24/10, Oostende), en volgend jaar nog eens in Flagey (17/1, tijdens Brussels Jazz Festival). En voor wie nog wil: op 6/11 speelt Branch bij het James Brandon Lewis Quintet (Handelsbeurs), terwijl ze op 7/12 met Anteloper in Brussel speelt (tijdens het 4th Stream festival van Bozar). Kom achteraf niet klagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in