Iggy Pop :: Free

Je kan veel zeggen van Iggy Pop, maar niet dat hij snel in herhaling valt. Na de gepolijste gitaarrock van het succesvolle Post Pop Depression, drieënhalf jaar geleden, gooit hij het weer over een andere boeg. Op het gevarieerde Free serveert hij behalve typische Iggy-popsongs ook dromerige soundscapes en lappen spoken word, gedrenkt in een jazzy saus.

En dat serveren mag u gerust letterlijk nemen, want Iggy voelt zich niet te beroerd om zijn aandeel in deze plaat te minimaliseren. Aan het fornuis staan immers jazztrompettist Leron Thomas en gitariste Sarah Lipstate (aka Noveller), terwijl hijzelf maar fungeert als een soort doorgeefluik tussen de keuken en het restaurant. Pop vertolkt, zoals een Britse recensent het treffend verwoordde, een gastrol op zijn eigen plaat.

In het geval van Iggy Pop is zo’n samenwerking niet echt opzienbarend. De lijst met muzikanten die sinds solodebuut The Idiot (’77) – méér dan – een steentje bijdroegen aan zijn platen, is schier eindeloos. Voeg daar de vele vocale bijdragen aan toe die hij zelf leverde aan het werk van anderen, en je kan een boekwerkje vullen ter dikte van een bescheiden roman.

Hoewel zijn naam op de hoes prijkt, neigt Free in de praktijk meer naar dat laatste: de plaat werd hem omzeggens in de schoot geworpen, met nummers van de hand van Thomas en Lipstate, die hem gelukkig op het getaande lijf geschreven zijn. Maar goed ook, want voor Pop hoefde het eigenlijk niet echt meer. Als het van hem had afgehangen, was Post Pop Depression zijn laatste plaat geweest. Hij had niks meer te bewijzen, en wilde niet langer naar de pijpen van de bizz dansen.

Maar muziekliefhebber bleef hij wél, en die liefde laat hij intussen al een hele tijd de vrije teugel in Iggy Confidential, een programma op BBC Radio 6. Het is bij het zoeken naar nieuwe, interessante muziek voor zijn radioshow dat hij op het spoor kwam van Leron Thomas en Noveller. Er werd wat over en weer gemaild, en toen een eventuele nieuwe release ter sprake kwam, kregen de twee carte blanche.

Tien nummers telt het amper een dik halfuur durende Free, en slechts zes daarvan kan je echte songs noemen. Die zes volgen netjes op elkaar (ze komen na de zweverige opener “Free”) en zijn onderling zodanig verschillend en stuk voor stuk zó goed dat dit voor hetzelfde geld – en voor dezelfde quotering – een schitterende EP had kunnen zijn. Maar Pop wil dus free zijn en doet er, omdat het kan, aan het eind nog drie lappen poëzie bovenop waar Thomas en Lipstate hun soundscapes rond mogen breien: “We Are The People” van Lou Reed, “Do Not Go Gentle into That Good Night” van Dylan Thomas en een eigen tekst (“The Dawn”).

Maar die gedichten sluiten de plaat af, wie het te doen is om de muziek komt daarvóór ruimschoots aan zijn trekken. Na elk nummer slaat immers de sfeer om, maar zonder dat het stoort of geforceerd overkomt. Zo leunt “Loves Missing” niet alleen sterk aan bij de Iggy Pop/Josh Homme-samenwerking van Post Pop Depression, maar doet het ook een beetje denken aan Instinct, de verguisde plaat die hij in ‘88 maakte met Sex Pistols-gitarist Steve Jones. De opwinding die uitgaat van dat nummer ruimt echter snel baan voor de veel gemoedelijkere, jazzy pop van het mooie “Sonali”.

Hoewel Thomas en Lipstate hun zin mochten doen (“Zo lang het maar goed voelde,” aldus Pop) en ontegensprekelijk hun stempel drukken op de nummers, wordt ook snel duidelijk dat ze hun klassiekers kennen. Denk Thomas’ jazzy trompet- en bugelpartijen en Lipstates gitaarklanktapijten even weg, en je komt hier en daar uit bij dingen die wel wat doen denken aan ouder, maar weliswaar minder bekend werk van Pop.

In de lo-fi James Bond-pastiche “James Bond” (aanstekelijk baslijntje) en “Dirty Sanchez” (vuilbekkerij, de snedige sneer van weleer) doet Pops stem terugdenken aan de late jaren zeventig/vroege jaren tachtig. Een periode waarin hij erg productief was, maar tegelijk ook overladen werd met (niet altijd terechte) slechte kritieken en hij stilaan in de anonimiteit dreigde weg te glijden. Maar blijkbaar leverde Post Pop Depression hem zoveel krediet op bij pers en publiek dat het nu allemaal wél bijna overal wordt gesmaakt.

Ook goed is “Glow In The Dark”, waarin Pops bariton en een dreigende bas eerst aan zet zijn, maar even later overvleugeld worden door blazers en roerige drums. In “Page” croont hij dan weer een eind weg, en steekt hij met zijn diepe, uitgerekte vibrato zowaar La Esterella naar de troon. Ten tijde van “Préliminaires” en “Après” leverde dat nog hoongelach op, maar eigenlijk werkt het wel als je het een paar keer hebt gehoord.

“Dit is Iggy’s Blackstar”, lazen we hier en daar, maar dat is zwaar overdreven. Akkoord, er doen ook jazzmuzikanten mee, en inderdaad, Bowie is een paar keer zeer belangrijk geweest voor de carrière van Iggy Pop, maar deze vergelijking is zinspelen op een persoonlijke en muzikale verwantschap die er de laatste decennia al lang niet meer was. Hij doet eerder het omgekeerde: hij geeft de controle uit handen en laat zelf de songs op zich afkomen.

Aan carrièreplanning heeft Iggy Pop nooit echt gedaan. In het verleden lagen vaak eerder financiële dan artistieke redenen aan de basis van nieuw werk. Dat is nu anders. Voortaan brengt hij nieuw materiaal als hij daar zin in heeft. Of er nog een nieuwe tour of een negentiende album zullen volgen, weten we niet. Maar als hij het ooit weer voelt jeuken, zetten we gráág ramen en deuren open.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in