Joker

Bij het positioneren van Joker in de markt, haastte de producerende studio ‘Warner Bros.’ zich om te benadrukken dat de film moest benaderd worden als een op zichzelf staand werkstuk en dus geen deel uitmaakte van het ‘integrated universe’ van superhelden waarmee zowel Warner als Disney een moordende wurggreep behouden op de jaarlijkse filmkalender. Die aanpak bleek heel goed te hebben gewerkt toen de film op het festival van Venetië niet alleen uitgroeide tot een prominent gespreksonderwerp, maar aan het eind van de week ook – ietwat verrassend – de Gouden Leeuw mocht ontvangen uit handen van jury-voorzitster Lucrecia Martel. Meteen dook echter ook een controverse op rond het brutaal-realistische geweld dat de film tekent, in zoverre dat de politie van enkele Amerikaanse grootsteden besliste om tijde s het openingsweekend extra manschappen te voorzien aan de plaatselijke multiplexen. Die reactie bleek schromelijk overdreven en ging bovendien volledig voorbij aan het feit dat dit een prent is die veel meer schatplichtig is aan de grimmige thrillers uit de jaren negentienzeventig waarin ideologie, locatie en katharsis een prominente rol toebedeeld kregen, eerder dan dat Joker aanleunt bij welke eerdere incarnatie dan ook van de ‘Batman’ comic.

De grootste verrassing die de film te bieden heeft is dat uitgerekend regisseur Todd Phillips de man is die achter de camera staat. Phillips bouwde een hele carrière uit met het regisseren van verwaarloosbare onzin als Due Date en niet minder dan drie The Hangover films, wat hem vooral positioneerde als een zoveelste huurling die misschien kon worden ingelijfd om de onpersoonlijke en geüniformiseerde stijl van een of andere superheldenfranchise verder te zetten. De mirakels zijn de filmwereld echter nog niet uit, al is deze Joker zeker een illustratie van de stelling dat voor een geslaagde film een groot aantal factoren moet juist zitten. In zijn boek The Dynamic Frame, beschreef filmhistoricus Patrick Keating het draaien van een studioprent als een choreografie waarin alle elementen perfect moeten samenwerken om tot een superieur resultaat te komen. Het is ontegensprekelijk zo dat Todd Phillips zichzelf heruitgevonden heeft (het contemplatieve moment na de eerste moord zit dermate juist dat je je gaat afvragen of het hier wel om dezelfde cineast gaat) maar zijn filmische dans wordt boven zichzelf uitgetild dankzij het acteerwerk van Joaquin Phoenix, de schitterende productie-design van Mark Friedberg , de knappe cinematografie van Lawrence Sher en het sterke script.

Dat script situeert het verhaal uiteraard in Gotham City, al is het overduidelijk dat dit eigenlijk het New York van de jaren zeventig is. Het New York van de Amerikaanse films van Chantal Akerman, maar ook het New York waar The Warriors, Taxi Driver en vooral Scorseses King of Comedy zich afspelen. Vooral die laatste film is duidelijk een bron van inspiratie: de eenzame clown Arthur Fleck (Phoenix) is net als het personage dat Robert De Niro speelde in de film uit 1983 een ‘would-be stand-up comedian’ die opkijkt naar een beroemd voorbeeld en zich wentelt in levendige fantasieën waarin de verbeelde relatie met zijn idool wordt beleefd. De confrontatie tussen De Niro die nu aan de andere kant van de vergelijking staat en de jongere versie van een rol die hij zelf ooit speelde, is absoluut boeiend en verleent aan de film een bespiegelende kwaliteit die probeert om de rauwe energie van de oudere voorbeelden te combineren met de obsessies van het superheldentijdperk. De frustraties die uiteindelijk leiden tot de criminalisering van Fleck zijn dezelfde als die van vier decennia eerder, al worden ze hier nog meer ingebed in een maatschappelijke context (in die zin is het interessant dat de miljonair Thomas Wayne wiens dood de latere ‘Batman’ in het leven zal roepen, hier niet langer een filantroop is maar een ijskoude zakenman).

Anders dan de verdienstelijke Batman trilogie van Christopher Nolan, die wel voortdurend onwennig heen en weer schoof tussen actiespektakel en donkerder onderliggend materiaal, trekt Joker dan ook resoluut de kaart van de thematische uitdieping, zij het dan duidelijk geïnspireerd door illustere voorbeelden: naast de films van Scorsese zijn er immers ook duidelijke hommages aan A Clockwork Orange en nog een handvol andere titels uit hetzelfde tijdperk. Dat eerbetoon gaat soms heel ver , zoals het imiteren van de manier waarop Scorsese muziek gebruikt en zeker wanneer het er op aankomt om de man die zal uitgroeien tot de flamboyante misdadiger, te spiegelen aan Travis Bickle uit Taxi Driver – in zoverre dat de film letterlijke beelden en ‘shots’ overneemt. Phoenix van zijn kant geeft een ijzersterke vertolking ten beste, al is zijn expressieve lichaamstaal (die ook al zijn vertolking in The Master zo groots maakte) hier zowel een zegen als een vloek, aangezien regisseur Todd Phillips er bij momenten maar niet genoeg van krijgt om zijn acteur op fetisjistische wijze te observeren in alle mogelijke gekwelde poses. Wat er evenwel vooral voor zorgt dat Joker uiteindelijk geen absolute triomf wordt, is het feit dat uiteindelijk alles dan toch nog dient te worden ingepast in de mythologie van de Batman franchise, waardoor de meer diepgaande thema’s finaal dan toch al te veel gereduceerd worden tot opsmuk.

Joker had nog een pak sterker geweest mocht de studio woord hebben gehouden en de film inderdaad volledig had losgekoppeld van eerder materiaal. Dat neemt niet weg dat dit – vooral tijdens het eerste uur – een sterke brok cinema is, waarin Phillips uitpakt met een aantal grootse momenten en er in slaagt om de taal van films die door verschillende decennia van elkaar in de tijd gescheiden zijn, op boeiende wijze tot een symbiose te brengen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in