Kaja Draksler Octet

28 september 2019 De Bijloke, Gent

Na 13 jaar Nederland wisselde Kaja Draksler Amsterdam in voor Kopenhagen. Een beslissing die ongetwijfeld een impact heeft op haar projecten, al blijft het Octet voorlopig haar vlaggenschip. Na een reeks opgemerkte festivalconcerten streek de band neer in het Kraakhuis van De Bijloke voor een zaalconcert én de opname van zijn tweede album.

Dubbelalbum Gledalec (2017) liet al een eclectisch geluid horen op de wip tussen kamermuziek, improvisatie en hedendaagse muziek, terwijl er gewerkt werd rond het oeuvre van enkele dichters. Daar zat een iconisch figuur als Pablo Neruda bij, maar ook de jonge Griekse Andriana Minou. Voor dit nieuwe album schreef Draksler een repertoire bij elkaar op gedichten van  de Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963). Dat zou niet alleen de eenheid van het verzamelde materiaal bewaren, maar werd ook ingegeven door een extra affiniteit met Frosts voorliefde voor de natuur en het dagelijkse leven, iets dat Draksler, die opgegroeide op het Sloveense platteland, extra aansprak.

Die liefde voor de natuur werd ook al tastbaar gemaakt in opener “Never Again Would Birds’ Song Be The Same”, dat Draksler zelf op gang tokkelde op kalimba, vergezeld door de stemmen van Laura Polence (alt) en Björk Nielsdottir (sopraan), klassiek geschoolde stemmen die zich comfortabel voelen binnen kamermuziek, folk en improvisatie. George Dumitriu (viool en altviool) voegde zich bij hen met lange drone-golven, terwijl rietblazers Ab Baars en Ada Rave zachtjes bijkleurden op klarinet. Lennart Heyndels (bas) en Onno Govaerts (drums) voegden kleuren en kleine geluidjes toe aan een gedetailleerd hoorspel dat steeds meer klonk als een ontwakende natuur, compleet met ruisende struiken, fluitende vogels en ritselende bladeren.

Het zou niet de eerste keer zijn dat Draksler & co. buiten de lijnen van de kamermuziek gingen kleuren, want er doken etherische harmonica’s op in het trage, lichtjes onheilspellende “The Freedom Of The Moon”; in “The Silken Tent” zouden Heyndels en Baars poëzie voordragen; en Govaert maakte gebruik van een kloeke basdrum (nog achtergebleven naar de avond met Baron & Schulkowsky?) om de statigheid van “Acquainted With The Night” nog eens aan te dikken. Dat was ook een van de vele momenten waarop Draksler haar sobere composities een bijzondere dynamiek gaf door het contrasteren van de elegantie van stemmen (nu eens ingetogen prevelend en dan weer in volle extase), en rieten, met de wispelturigheid van een vrij improviserende ritmesectie.

De band combineerde momenten van eigenzinnigheid moeiteloos met een soms pakkende emotionaliteit, zoals in “Away!” (gebaseerd op Frosts laatste gedicht), waarin de debuterende saxen iets binnen smokkelden dat nog het best omschreven kan worden als een vreugdevolle melancholie. En net toen je je begon af te vragen of Baars, nog altijd een van de meest idiosyncratische rietblazers van zijn tijd, zijn unieke geluid zou mogen etaleren, ontketende hij een intens emotionele solo met een jammerend vibrato dat de gaafheid van de song haast onderuit haalde. Het was een van de opvallende uitroeptekens in dit concert.

Het lijzige “The Silken Tent” maakte in de kop van de tweede set een bruggetje terug naar “The Freedom Of The Moon” in de staart van de eerste, maar het sleutelmoment kwam toen Dumitriu de band in de richting van Händel stuurde. Ook deze tweede set had een immens bereik, met de rollend-struikelende grove van “The Last Mowing”, dat jubelende passages bevatte die ei zo na uit elkaar barstten, met stemmen die door elkaar liepen, naar de afsluiter, die doordrongen was van een elegante weemoedigheid. Die kreeg via de beheerste saxsolo van Rave steeds meer weerhaakjes, om tenslotte uit te doven met een collectieve ingetogenheid.

Tussendoor waren er ook nog vier duetten, doorgaans vrije improvisaties. Heyndels en Dumitriu wisselden ingetogen gestreken passages af met vingervlug gepluk en Rave beantwoordde het schrille gekir en gefluister van Nielsdottir met tongue slapping, sputterende accenten en even een haast identiek vibrato. Draksler omkaderde de krachtige anderstalige stemgymnastiek van Polence met dartele contrasten, terwijl Baars zijn beheersing over het hoge register uitgebreid demonstreerde met een losjes, maar krachtig stuwende en accentuerende Govaert. Het benadrukte enkel nog eens de reikwijdte van deze bezetting én de generositeit van de leider. Die trok nergens het laken naar zich toe, maar leidde via gelijkwaardigheid, zat soms intens en in gedachten verzonken te luisteren, en zorgde ervoor dat de band een concert speelde vol kleur dat sereniteit en wrijving voortdurend in evenwicht hield. Het wordt een album om naar uit te kijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in