Joey Baron & Robyn Schulkowsky

26 september 2019 Sint-Baafsabdij (De Bijloke)

Helemaal in de kop van zijn nieuwe seizoen legde muziekcentrum De Bijloke de link tussen jazz en nieuwe muziek. Met een genereus, vierdelig programma werden de luisteraars ondergedompeld in de mogelijkheden van ritme en ruimte, en dat is nogal wat. Ondanks de gietende regen, waardoor het volledige programma noodgedwongen binnen plaatsvond (de eerste helft zou normaal in buitenlucht vertoond worden), werd het een even diverse als geslaagde avond.

Dat De Bijloke voor een groot deel van zijn concerten onderkomen zoekt op diverse locaties in Gent (terwijl de eigen concertzaal tot het voorjaar van 2020 gesloten blijft voor verbouwingen) zou wel eens een geschenk van formaat kunnen zijn. Helemaal volgens de hedendaagse mode van het organiseren en beleven van concerten op minder evidente locaties (kerken, lege hallen, kelders, …), werd voor dit uitverkochte programma uitgeweken naar de Sint-Baafsabdij, die al opgericht werd in de 7de eeuw en tot op vandaag een bijzondere plek blijft. De helft van het programma zou normaal plaatsvinden in de charmante binnentuin, maar bezoekers moesten uiteindelijk binnen beschutting zoeken, in een grote, sobere constructie waar de geur van steen en hout alleen al voldoende reden was om van de partij te willen zijn. De specifieke akoestiek van de ruimte was vermoedelijk niet voor alle delen van de avond ideaal, maar maakte natuurlijk deel uit van die totaalbeleving.

Joey Baron is natuurlijk het meest bekend als jazzdrummer, en stond de voorbije decennia aan de zijde van o.m. Fred Hersch, Toots Thielemans, Bill Frisell, Joe Lovano, John Zorn, Jakob Bro (een paar dagen geleden nog in Oostende) en onze eigen Bram de Looze (MiXMONK). Zijn partner Robyn Schulkowsky komt dan weer uit de wereld van de nieuwe muziek, waar ze o.m. werk uitvoerde van 20ste-eeuwse grootheden als Stockhausen, Xenakis, Cage en Feldman, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Hun samenwerking gaat ook al even terug, met uiteenlopende projecten, residenties en twee albums, waarvan het tweede – Now You Hear Me – vorig jaar verscheen bij het Zwitserse Intakt-label. De muziek die het duo zou brengen zou in die lijn liggen.

Maar het werd een viergangenmenu, met helemaal vooraan een stuk (“Mispickel 6.1”) dat speciaal voor deze avond gebracht werd met een goed dozijn studenten van het Gentse conservatorium. Die stonden opgesteld in de lange zijgangen van de Abdij, terwijl het publiek aan beide kanten van  het centraal opgestelde podium zat. Wat aanvankelijk leek op omgevingsgeluid bleek de start van de performance te zijn. Keien werden ritmisch tegen elkaar getikt, soms schijnbaar willekeurig, dan weer in korte patronen. Zodra het een gedruppel van klanken werd, gingen de deelnemers rondwandelen door de ruimte, waardoor je als luisteraar voortdurend omcirkeld werd door bewegend geluid. Voor de tweede helft van hun compacte performance gingen de studenten met een trommel in een cirkel staan, om van daar samen te werken aan een ingenieus georkestreerde stapeling van spaarzame patronen.

Patronen werden nog bepalender voor het eerste deel van Steve Reich’s Drumming. In dit werk, dat uitgevoerd werd door het GAME percussiekwartet, staat de phase shifting centraal. Vier muzikanten bespelen een rij van acht bongos. De eerste twee starten, zoeken een parallel spoor op door een patroon steeds complexer te maken en vervolgens een van de twee lichtjes te laten veranderen van tempo. Het resultaat heeft iets van een verwarrende ontregeling die al net zo merkwaardig weer simultaan wordt, terwijl het spel van de andere twee daar een soort commentaar op leek. Dat voelde vrijer aan, maar bleef ook dan gestuurd met ijzeren discipline. Het kwartet keerde na de pauze ook terug voor iets heel anders: Qilyuan van John Luther Adams, een stuk voor vier gigantische basdrums die in de hoeken van de ruimte opgesteld werden. Dit stuk had een meer ritualistische inslag, bewoog van onderaards gestommel naar golven van geluid die in hun pieken een immens, door de abdij donderend onweer veroorzaakten. Voor al die lage tonen was de akoestiek misschien niet ideaal, maar de fysieke impact was er niet minder om.

Afsluiten gebeurde door het duo Baron en Schulkowksy, dat een uitgebreide staalkaart van hun gezamenlijke kunnen demonstreerde. Snel werd duidelijk dat Baron niet de enige lachvogel in huis is, want het koppel stond zich overduidelijk te amuseren; zij opwippend en dansend achter haar trommels, cimbalen, pauk en objecten, hij achter zijn met talloze objecten aangevulde drumkit. Drie kwartier lang speelden ze relatief korte stukken, die allemaal een andere insteek of focus leken te hebben. De ene keer lag de nadruk op het resoneren van de cimbalen of het manipuleren van de vellen (Baron drukte zijn snare-vel à la Bennink aan met de hiel, Schulkowsky benutte de mogelijkheden van het paukpedaal), en dan weer het werken met maatsoorten, diverse stokken/brushes of objecten, van potjes en klankschalen tot doeken. 

Het opvallende was dat het live een stuk minder droog was dan het album. Had het daar soms iets meer formeels, ascetisch of academisch, dan viel nu vooral de spontaniteit en speelsheid op. Misschien is dat dan gewoon die meerwaarde van muziek beleven in het moment? Of de invloed van de jazz? Stem en tegenstem vulden elkaar aan, creëerden geinige contrasten, abrupte energiestoten en merkwaardige klankeffecten. Puls was soms belangrijker dan tastbaar ritme, maar je kreeg net zo goed te horen, even toch, dat Baron kan swingen en grooven als een beest. Het was spontaan meesterschap, zonder ook maar een keer zwaar op de hand te worden of uit te pakken met protserige virtuositeit. Nee, dit zat vol flow en spel, en herinnerde je eraan dat ritme en percussie zoveel meer kan zijn dan een standaard 4/4 maat (wat in de juiste context natuurlijk ook voldoende kan zijn).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in