Een spin als spirit animal :: Het beste van de festivalzomer 2019

De “terug naar school”-reclames verraadden het al wat, die baas die lastig mailde waar je bleef ook. Het is voorbij, die mooie, lange en hete festivalzomer. Terwijl we ons terug in het gareel voegen, blijven de herinneringen aan wat geweest is als een halve glimlach om de lippen in het achterhoofd. Want dit nemen ze ons nooit meer af.

 Best Kept Secret: Whispering Sons :: “Waste”

Klets na klets had Whispering Sons ons gegeven, die hete zondagmiddag. En dan mocht op het laatste het gas toch even terug. Afsluiter ‘Waste’ zou een nog grotere uppercut worden, maar dat wisten we op dat moment nog niet. Neen. Fenne Kuppens ijsbeerde als gewoonlijk weer ongedurig rond, liet de woorden ternauwernood aan haar lippen ontsnappen; meer flarden dan zinnen. “deep blue desert / desperate idea / the pleasure of her touch tortures me”. Waarna de drums de afdaling in de hel begonnen. “it’s a perversity that’s slowly spiralling down in me / it’s a perversity” kreunde de frontvrouw, en de eindeloos herhaalde vaststelling “I don’t know if I care”. Sander Pelsmaekers beukt ondertussen nog wat harder. Tuur Vandenborne zoekt hoe hij nog lager kan met die bas, en daarboven laten Kobe Lijnen en Sander Hermans gitaar en toetsen ontsporen. Het kan niet anders of het moet wel als een nieuwe uppercut eindigen. “I don’t now if I care?” Plots weet Kuppens het wel. “I don’t!”. En dat is dat. Een tent ging tegen de vlakte. Gewonnen met KO. Whispering Sons zou zich die overwinning die zomer niet meer uit handen laten glippen.

 

Rock Werchter: Tool :: “Aenima”

Dé comeback van het jaar tekende meteen ook voor hét concert van deze Werchter: Tool klom niet op het podium, Tool daalde néér over de weide. En de schare volgelingen (weliswaar een pak minder talrijk dan bij het voorafgegane The Cure) verwelkomde hen als een eerste motregen na dertien jaar droogte. Zodra Maynard James Keenan hijgend “Aenima” inzet, zijn band en weide dan ook vertrokken voor een anderhalf uur durende duistere trip die zonder omwegen gewoon het beste is wat metal, en eigenlijk muziek tout court, vandaag te bieden heeft. Elk seconde wordt de nagel perfect in het midden tussen ratio en emo geklopt, vertaald in de wendbare stem van Keenan, het in elkaar vervlochten snarenwerk van gitarist Adam Jones en een zich duchtig uitlevende Justin Chancellor. En dat alles onder strikte controle van drummer Dany Carey, de beste metronoom die in een band rondloopt. De perfect ingestudeerde set wordt griezelig accuraat maar daarom niet minder bezield gespeeld. De twee nieuwe nummers, “Invincible” en vooral “Descending” gaven toen al een ijzersterke indruk, wat het twee maanden later verschenen Fear Inoculum bevestigde. Maar het hoogtepunt dus? Laten we toch maar het openingsnummer “Aenima” nemen. Het is geleden van pre-internet porno dat gehijg zo’n extase wist op te wekken. En dan die openingsriff. Het deed wat met de dertigers en veertigers die Werchter na al die jaren weer effe in de GPS hadden moeten ingeven.

Gent Jazz: Peter Evans :: het hele kwartier

Het was niet de eerste keer dat John Zorn een volledige dag naar zijn hand mocht zetten op Gent Jazz, maar met veertien artiesten op iets meer dan vier uur zorgde hij deze keer wel voor een heel erg gul menu. Deze fine fleur van de New Yorkse scene brachten hun eigen interpretatie van Zorns bagatellen, variërend van ingetogen kamermuziek, hermetische elektronisch gepingel tot oorverdovende punkuitbarstingen. Maar het hoogtepunt van de avond kwam van trompettist Peter Evans. Helemaal alleen stond hij daar, met zijn trompet op dat veel te grote podium. Een kwartier, langer duurde zijn optreden niet maar met de meesterlijke combinatie van virtuositeit en gevoel die hij daar op zijn eentje tentoonspreidde toonde hij waarom hij met voorsprong de boeiendste trompetspeler van deze eeuw is.

 

Cactus Festival: Joe Jackson :: “Real Men”

Worden we dat “ohoh”-koortje van “Real Men” ooit beu? Na het kippenvelmoment op zaterdag 6 juli nooit vanzeleven nie meer! Waren we al fan van de fijne Engelse bard die Joe Jackson nog steeds is, na dat uurtje Cactusfestival heeft hij zich definitief in ons hart genesteld. Bij de eerste tonen van het refrein (“And so it goes, go round again, But now and then we wonder who the real men are”) scheurt gitarist Teddy Kumpel zijn snaren bijna aan flarden, en mept drummer Doug Yowell zo hard op zijn trommels dat we even vrezen dat hij door het podium gaat zakken met zijn hele hebben en houden. En het publiek? Dat zingt uit volle borst van “ohoh”, de een al wat toonvaster dan de ander. Die “Real Men”? Onze kop eraf als ze niet Jackson, Maby, Kumpel en Yowell heten.

 

Absolutely Free Festival: The Bony King Of Nowhere :: “Every Road”/”Like Lovers Do”

Het is ondertussen anderhalf jaar geleden dat Bram Vanparys zijn gebroken ziel blootlegde op het hartverscheurende Silent Days. De sereniteit op AFF verried dat die pijn ondertussen is gesleten. “Afstandelijk” noemende we dat anderhalve maand geleden. Dat was het ook, maar zo klonken de nummers van die eerste echte Belgische Blood On The Tracks misschien nog het meest zoals het hoort: monumentaal. Natuurlijk greep “Whenever We Meet Again” opnieuw naar de keel, maar uiteindelijk was het vooral dat afsluitende – en voortaan onafscheidelijke — duo “Every Road”/”Like Lovers Do” dat het meesterschap van Vanparys en zijn band bevestigde. “This silence in here is breaking us apart” klonk het als slot. Sorry jongens, dat was gewoon omdat we even naar adem moesten happen.

 

Jazz Middelheim: Charles Lloyd & Kindred Spirits :: “Dream Weaver”

De manier waarop Charles Lloyd zijn set opende tijdens de voorbije editie van Jazz Middelheim was niet zozeer verrassend als verbluffend in zijn uitvoering. Lloyd was de laatste jaren al regelmatig van de partij in Gent en Park Den Brandt, en zelden minder dan indrukwekkend, maar deze keer werd in een mum van tijd de hele tent deelgenoot van een spiritueel getinte, warmbloedig meanderende hoogmis, met Lloyd als priester van dienst. Intussen is hij al de tachtig gepasseerd, maar hij speelt die lange, explorerende lijnen nog altijd met een zachtaardige intensiteit waar de tijd geen vat op heeft. Het hielp natuurlijk wél dat hij op schok was met een band vol persoonlijkheden die stuk voor stuk hun stempel drukten op het concert, maar op hun beurt de meester ook inspireerden. Het hele concert was een kleine triomftocht, maar het was opener “Dream Weaver” die je in een vingerknip in vervoering bracht met die mix van gospel, Americana en Coltrane.

Summer Bummer Festival: Signe Emmeluth’s Amoeba :: de eerste 20 minuten

Normaal plakken we er ook een song op, maar binnen het geharrewar van de vrije jazz en improvisatie is dat nogal moeilijk. De eerste twintig minuten (of zoiets) trapte de band rond de jonge Deense altsaxofoniste Signe Emmeluth af met een verschroeiende passie die ter plekke vorm kreeg. Terwijl drummer Ole Mofjell een onophoudelijke donderstorm neerlegde, demonstreerde de andere leden van deze jonge band hun meesterschap. Het spelplezier, de plagerige energie, de instrumentbeheersing en de inventiviteit van het moment vonden een evenwicht dat garant stond voor een muilpeer van heb ik je daar. In de tweede helft van het concert schakelde de band over op gecomponeerd materiaal, maar ook dat werd ondanks de hechte wendingen behandeld met zo’n gretige, turbulente vrijheid, dat de temperatuur nooit uit het rood geraakte. Deze Summer Bummer kende Thurston Moore als grote naam en had met de hereniging van Fred Van Hove en Peter Brötzmann minstens één historisch moment in de aanbieding, maar de prijs voor de overtuigendste overdondering, die ging ongetwijfeld naar dit Deens-Noorse kwartet.

 

Pukkelpop : Billie Eilish :: “Bad Guy”

Aanvankelijk zou Billie Eilish het donzig doen donderen in de Dance Hall. Daar werd protest tegen aangetekend: de populairste tiener sinds Britney Spears parkeer je nu eenmaal niet in de foyer van een festival dat, wel ja, Pukkel-pop heet. Er werd geluisterd, en Eilish mocht naar het hoofdpodium – afspraak om 15u. “Bad Guy” zat helemaal vooraan in de set en het was een alea iacta met een zes aan elke zijde. Er was een bas die je hersenschors ontwortelde. Er was een rubberen synth, die als een lintworm in je hoofd ging teren. Er was dat heerlijke refrein, waarin Billies stem begon te kraken alsof ze ineens een radioactieve zone was binnengegaan. En er was Billie zelf – een groenharige teenager met een spin als spirit animal. Billie Eilish veroverde Pukkelpop en had iets van: “Duh”.

End Of The Road : Kate Tempest ::  “All Humans Too Late”

Het was allemaal niet gepland. Was het niet van Beiruts gecancelde tour, had Kate Tempest niet op het podium middenin de Engelse countryside staan dichten. Ook op Boris Johnsons grapje met de Queen de dag voordien was niet gerekend. Toch hóórde het simpelweg zo dat Tempest  precies die avond de vervreemding, de crisis en de chaos onder scherpe woorden bracht. Eerst met muziek, dan plots zonder. In “All Humans Too Late” vulde enkel haar stem de bereidwillig murw geslagen weide: ““We should be down on our knees in the dirt / Dizzy in rocks, on coastlines, shivering”. Terwijl een koele bries over de hoofden waaide riep ze de noodtoestand uit. Met een leeg parlement, leek dat geen moment te vroeg.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in