Kathryn Tempest :: Brutus

Wie zich onverwachts verraden voelt door een goede vriend, familie of vertrouwenspersoon durft wel eens semi-schertsend “et tu, Brute” (ook jij, Brutus) te citeren, al dan niet in de overtuiging dat dit ook effectief Caesars laatste woorden zouden geweest zijn. Helaas duikt de zinsnede enkel op in Shakespeares befaamde toneelstuk Julius Caesar en zou Caesar volgens sommige overleveringen “tu quoque, fili me” (ook gij, mijn zoon) of correcter “Και συ, τεκνον” (ook gij, kind) gezegd hebben, aangezien de Romeinse aristoctratie Grieks sprak. Suetonius is een belangrijke bron hiervoor, al meent hij zelf dat Caesar niets zei toen hij neergestoken werd.

Wat en of Caesar effectief een laatste woord of daad pleegde vooraleer hij stierf, is echter minder belangrijk dan het feit dat van de veertigtal samenzweerders slechts één naam continu opduikt: die van Marcus Junius Brutus, een intimus van Caesar en belangrijkste symbool voor het verraad dat gepleegd werd. Dat Brutus en in mindere mate Gaius Cassius Longinus als twee spilfiguren gezien worden, heeft dan ook in de eerste plaats te maken met de naweeën van de moord op Caesar, en meerbepaald de daaropvolgende burgeroorlog. Die zou leiden tot de overwinning van Octavianus/Augustus en de stichting van het Romeinese keizerrijk dat de eeuwen van de senatoriële republiek zou overschaduwen. Dat de aanslag op Caesar net gepleegd werd om de republiek te redden, onderstreept het tragische van de hele gebeurtenis nog meer.

Over de dood van Caesar en het ontstaan van het Romeinse keizerrijk onder Augustus zijn intussen boekenkasten vol geschreven. Veel minder aandacht lijkt er te zijn voor de periode voor de samenzweerders hoopten met hun tirannenmoord de Romeinse republiek in haar glorie te herstellen. Van de veertigtal senatoren die de moord beraamden, zijn slechts een twintigtal namen overgeleverd. Naast Brutus en Cassius werd ook de orator Marcus Tullius Cicero geregeld vernoemd, terwijl die laatste part noch deel had aan de samenzwering en moord. In zijn Philippicae Orationes sprak hij zich wel uit ten voordele van de republiek en Octavianus. Marcus Antonius tot vijand maken zou hij later met zijn leven bekopen. Toen Antonius en Octavianus een verbond sloten met Marcus Aemelius Lepidus en zo het tweede triumviraat opstartten, kreeg elk van hen toestemming om een aantal tegenstanders te doden.

Het tweede triumviraat bond de strijd aan met de gevluchte Brutus en Cassius en wist hen te verslaan tijdens de slag van Phillipi. Na zware verliezen aan beide kanten pleegden zowel Cassius als Brutus zelfmoord en begon de legendevorming pas echt. Opvallend genoeg werd Brutus na zijn dood niet louter als een verrader afgeschilderd, maar bleef hij een toonbeeld van standvastigheid. Niet alleen Brutus’ tijdgenoten maar ook latere Romeinse keizers als Marcus Aurelius respecteerden hem, zonder de aanslag zelf goed te keuren. Brutus stamde, net als de meeste andere senatoren, dan ook een uit een oud en roemrijk geslacht, een gegeven dat in het Romeinse rijk een grote waarde met zich meedroeg.

Langs vaderzijde stamde Brutus immers af van Lucius Junius Brutus, die de gehate koning Lucius Tarquinus Superbus afzette en zo de republiek inluidde. Aan moederskant was hij een nakomeling van de tirannenmoordernaar Gaius Servillius Ahala. Zelfs binnen het latere keizerrijk galmden deze namen nog na en was tirannenmoord een nobel streven. Het was die erfenis waar onder meer andere senatoren zich op beriepen toen ze Brutus aanstuurden om deel te nemen aan de aanslag. Brutus zelf mocht dan wel veel aan Caesar verschuldigd zijn, het feit bleef dat Caesar zich steeds meer als een rex (koning) gedroeg en de fundamenten van de Romeinse republiek, die Brutus voorouders mee opbouwden, dreigde af te breken.

Terecht merkt Kathryn Tempest in Brutus. De nobele samenzweerder op dat die enkele verklaring de complexe persoonlijheid van Brutus geen eer aandoet. Wie zijn daden en motieven echt wil begrijpen moet dieper graven en op zoek gaan naar hoe Brutus zichzelf binnen de republiek wist te profileren en als jonge aristocraat zijn naam wist te vestigen. Doorheen haar werk probeert ze dan ook te achterhalen hoe Brutus op wist te klimmen binnen de senatoriële rangen en in welke mate zijn allianties en verhoudingen met Cicero en later ook Caesar zijn leven zouden bepalen. Hoewel Cicero en Brutus een aantal aanvaringen kenden, zou hun relatie grotendeels een van respect en vertrouwen blijven waarbij ze geregeld op de andere een beroep deden. In niet onbelangrijke mate is de historische Brutus dan ook overgeleverd via de geschriften en brieven van Cicero.

Van een heel andere orde was Brutus’ relatie met Caesar. Toen Pompeius, die verantwoordelijk was voor de dood van Brutus’ vader, tegenover Caesar kwam te staan, koos Brutus opvallend genoeg om aan Pompeius’ zijde te strijden, omdat hij in Brutus’ ogen de republiek beschermde. Wanneer na Pompeius’ dood Caesar de macht verkregen had en zijn befaamde vergevingspolitiek voert, zit Brutus nog meer tussen twee vuren. Enerzijds heeft Caesar hem niet alleen vergeven maar ook een mooie politieke carriere voorgespiegeld, anderzijds is er zijn verwantschap met Marcus Porcius Cato Uticensis minor (Cato, de jongere) die liever dan zich aan Caesar over te geven zelfmoord pleegde.

Hoewel de dood van Caesar tot het einde van de republiek leidde, is pas naderhand te verklaren hoe de dominostenen vielen ten voordele van de latere Augustus. Na de dood van Caesar leek de republiek immers gered en meenden Brutus en de anderen op enige roem te rekenen. Pas wanneer Octavianus Caesars nalatenschap wenst te verzilveren, treedt een nieuwe stroomversnelling op met wisselende allianties en een laatste burgeroorlog die het doek over het rijk laat vallen. Brutus verwijten dat hij in de cruciale momenten na de moord op Caesar zijn troeven verspeeld heeft, is volgens Tempest te gemakkelijk. Het Rome ten tijde van Brutus werd gedomineerd door politieke intriges, persoonlijke ambities en steeds wisselende coalities en verstandhoudingen waarbij een foute keuze verstrekkende gevolgend kon hebben.

Het is dan ook niet eenvoudig een helder beeld van de hoofdrolspelers en hun motieven binnen deze tragedie te krijgen. De overgeleverde bronnen zijn sowieso schaars en vaak twijfelachtig van aard: de auteurs ervan hadden hun eigen motieven of schreven ze zo lang na de feiten dat ze evenzeer gekleurd werden door overlevering als door feiten. Binnen die optiek is het een klein huzarenstuk om bij de persoon Brutus feit van fictie te scheiden om tot een realistische biografie te komen. Wat dat betreft doet Tempest een gedegen poging om zowel de persoon als de omstandigheden en tijdsgeest te vatten, opdat een moderne lezer een beter beeld van Brutus en zijn motieven zou krijgen. Daar slaagt ze echter niet altijd even goed in, en ze mist als gedegen historica de vertel- en schrijfkracht van bekendere collega’s als Mary Beard en Anthony Everitt.

Of het aan het onderwerp en de beperkte bronnen ligt, dan wel aan Tempest zelf, blijft het een feit dat ondanks al haar pogingen om Brutus tot leven te wekken hij nooit het beeld van een louter door idealen gedreven moordenaar van zich af kan schudden. Tempest tracht hem weliswaar menselijker te maken, maar finaal lijkt haar onderwerp ook aan haar te ontsnappen waardoor haar biografie weliswaar een sluier oplicht maar nergens Brutus echt in het spotlicht plaatst.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in