End Of The Road 2019 :: Geen Brexit wegens Porsche Majeure

Zondag 1 september

Hé! Zon! Toch maar eens de Full English geskipt, deze ochtend, en voor wat croissants gegaan en een pain au raisin. Altijd lachen om dat eens op zijn Engels uit te spreken. En kijk, er is ook muziek, zo blijkt.

Pom Poko? Ongetwijfeld Noors voor “bizarre shit”. Terwijl de uitbundig lachende verschijning Ragnhild Fangel Jamtveit vooraan aerobics combineert met een heliumstemmetje, lijken de bandleden rond haar elk partijen uit een ander nummer te spelen, die enkel door een soort middelpuntzoekende kracht aan elkaar blijven hangen. Het wérkt dus, maar nipt, en net dat maakt Pom Poko zo’n fascinerende bedoening. Alsof dat niets is, wisselt gitarist Martin Miguel Tonne tussen jazz, mathrock, metal, en vijftien andere genres, drummer Ola Djupvik mept alsof hij de enige is die het zootje ongeregeld in het gareel kan houden — wat waarschijnlijk ook zo is. Eerlijk? We weten na drie kwartier nog niet wat we precies hebben gezien, maar we zijn wel blijven kijken.

Sons Of Raphael heeft verdomd goed haar en humor. Ooit lieten ze tijdens een interview een kwaaie deurwaarder aanbellen. Attitude hebben ze ook. Terwijl de ene Raphaelbroer met zijn krullenbol Jimi Hendrix achterna gaat, prijkt de ander met het soort lokken dat Brett Anderson altijd wat jaloers op Bernard Butler maakte, ze gaan lekker rug-aan-rug staan in een soleermomentje, maar echt overtuigen doet het niet. Missen we songs? Goh ja, béétje misschien. Dit is pose, geen kunst.

Van Israel Nash, die met zijn mooie warme countryvibe maar een heel klein beetje veel Neil Young is aan The Garden Stage, gaat het naar het Zuid-Afrikaanse BCUC, dat ons nogal veel belooft. “We bring you the soul! We bring you the funk!”, klinkt het, en ja, daar lijkt het ook wel op. Aan het publiek te zien was het ook dringend nodig, en wij vragen ons plots af: wat zouden die muzikanten in godsnaam vinden van al die witte mensen die amechte pseudo-Afrikaans proberen te dansen? Onze gok: goed gelachen nadien in de backstage. Toffe set, jongens.

“Hello, End Of The Road. Blij dat jullie komen zien hoe wij ons verbranden.” Zeggen dat Becky Jacobs last had van de zon die ongenadig het podium van The Garden Stage inscheen, zou een understatement zijn. Van zodra ze niet aan de microfoon moet zijn, duikt ze diep weg, richting toetsen-en-knoppenman Phil Winter. En toch was het weer mooi om Tunng nog eens bezig te zien.

Niet dat de groep voor de gemakkelijke weg kiest. Publieksfavorieten als “Jenny Again” of “Tale From Black” worden geschuwd, liever legt de band de nadruk op nieuw album Songs You Make At Night. Dat past ook beter op dit grote podium, een geluid dat niet per sé meer folk wil zijn, maar ook krachtig durft zijn, zoals in het huppelende “ABOP”. Jammer genoeg verliezen de geluidsmannen ongeveer dan hun gehoor, want vanaf “Hustle” loopt vanalles mis, en blaast de PA aan zo’n hoog volume dat handen naar de oren gaan. Ook “By Dusk We Were In The City” wordt zo de vernieling in geknald. Het is pas met “Dark Heart” en het afsluitende “Bullets” dat we opnieuw zonder oorsuizingen kunnen luisteren. Jammer, want als één band End Of The Road op zijn voorhoofd had geschreven, dan wel Tunng. Volgend jaar herkansing; dat moét!

Zullen we anders ook afspreken dat we ons nu wel goed genoeg hebben gedragen? De volgende twee uur moet even niets meer en mag alles, al is én Fontaines DC, én The Murder Capital, én Shame meepikken ongeveer de kwadratuur van de cirkel, want dan moeten we in minder dan geen minuut van de ene tent naar de andere sprinten. We proberen.

De populairste op dit immer hypegevoelige festival is Fontaines D.C., waarvoor de Big Top probleemloos vol loopt. Begrijpelijk, want van alle postpunkbands van het moment, is dit muzikaal de meest belovende. Raast Grian Chatten in opener “Chequeless Reckless” nog aan een onnavolgbaar woordendebiet, dan is de dreiging in “Television Screens” vooral dat hij ooit een echte zanger wordt. Mooie gitaar ook, daar. In “The Lotts” komt een baslijn kijken die we nog kennen van bij Joy Division; dat is niet erg, gewoon een ziekte van dit moment die ooit wel weer over gaat. Maar nu we er over nadenken: zijn Joy Divisionbaslijnen niet gewoon de beste baslijnen?

In “Too Real” is het een sissende hi-hat die de vlam in de pan doet slaan, Chatten ijsbeert rond en rond. Als een leeuw in een kooi? Wij zijn niet de expert ter zaken — dat is Willy — maar: ja. En plots verandert dit optreden van gezicht. De ingehouden spanning explodeert, en met jakkerende gitaren belanden we bij “Liberty Belle”. Toch maar vertrekken om die stadsgenoten te halen? Jawel.

En maar goed ook, want The Murder Capital maakt zijn naam waar, en komt met een mission to kill. Dat is toch wat de boevenkopjes uit Dublin uitstralen. Zoals gewoonlijk is het bassist Gabriel Paschal Blake die bij opkomst dreigend de massa in tuurt, je heel even op het verkeerde been zettend dat hij de frontman is. Dat duurt maar zo lang tot de groep verrassend het trage “Slow Dance I” inzet — een baslijn die van De Brassers had kunnen zijn, meer doem dan Ian Curtis aankon — en James McGovern wuft met de tamboerijn begint te wuiven.

Dat soort theatraliteit is een integraal deel van deze groep, die het soort wij-tegen-de-wereld uitstraalt dat we niet meer zagen sinds de jonge Manic Street Preachers. Misschien kon dat ook niet anders voor een groep die werd gevormd na de zelfmoord van een gemeenschappelijke vriend. En toch kiest The Murder Capital hier niet voor het gebruikelijke shock-and-awe. Op de Britse eilanden kent men het ontstaansverhaal van de groep, en wanneer de band ingetogen verder gaat met “On Twisted Ground” — meteen ook opgedragen aan de overledene — hoor je in het publiek het “sst sst”.

“Love, Love, Love” is de logische overgang. Het tegenritme doet het nummer in alle bochten wringen, staat het ondanks alle woeste pogingen niet toe om al te exploderen. Dat is voorbehouden voor de eindspurt waarin “For Everyone” het bier het luchtruim doet kiezen, “Don’t Cling To Life” het agressieve razen tegen de wereld is. “Let’s dance and cry, so we remember why we die”, zingt McGovern monotoon als White Lies’ Harry McVeigh op valium (zit die daar niet altijd op?), en je bedenkt: deze tijd had zijn eigen Joy Division nodig, inclusief die baslijnen. We gaan er niet vrolijker op worden, maar het troost misschien wel. Belangrijke band, dit.

Gek, geen afgeladen Big Top voor Shame. Is het omdat de groep hier als onaangekondigde verrassingsact staat? Is de band al oud nieuws voor de hipsters hier? Kan ook: uiteindelijk zijn Charlie Steen en de zijnen al aan hun tweede plaat toe, en het is dat materiaal dat ze hier even komen proefrijden. Dat gaat meteen stevig, met een “Another” en “Alphabet” die doen vermoeden dat er nog even geen gas zal worden teruggenomen. Steen raast als nooit te voren, brult “rhaaa” in de microfoon, een woeste moshpit brult terug.

“Concrete” is de eerste bekende vlam in de pan, na “The Lick” en een versie van “One Rizla” die vlammenwerpers doet verbleken, volgt weer nieuws. “Cowboy” wordt aangekondigd als een popsong, neemt mannelijkheid op de hak. “Lately I’ve been trying to find myself as a man”, spuwt Steen, en je weet dat hij daar niet zichzelf speelt. “Human For A Minute” is even nieuw, en ook weer niet: kennen we al van End Of The Road vorig jaar; het lijkt nog meer liedje dan ooit. “Exhaler”, dat op Best Kept Secret al eens werd getestreden, heeft ondertussen tanden gekregen. En zo lijkt het alsof Shame langzamerhand wel klaar is voor die tweede plaat. Laat maar komen.

“Must I Evolve?” gaat de eerste single van JARV IS…, en dat is voor Jarvis Cocker een existentiële vraag. Al te veel oudere muziekfans zouden hem immers graag pas op de plaats zien maken; “doe nog maar eens iets van Pulp!”. Daar heeft de benige zanger geen zin in, en na het doodgeboren Relaxed Muscle, een solocarrière die niet verder dan twee platen raakte, is er nu JARV IS: een project dat met nadruk een groep lijkt, al is dat niet helemaal duidelijk.

Wat ook niet helemaal helder wordt: wat wil Cocker hiermee? Is “Must I Evolve?” nog krautrock die aan de Neue Deutsche Welle doet denken — inclusief Doraus & Die Marinas-achtig “yesyesyes”-koortje –, dan volgt daarna “You’re In My Eyes” uit een van die soloplaten; een warme discoballad waarvoor een spiegelbol mag oplichten. “That was disco, let’s move to house”, grinnikt de zanger, en hij nodigt een gast op het podium uit. “Hugh Laurie!” roept een grapjas, het is een zwarte soulzangeres die “House Music All Night Long” nauwelijks kracht bijzet. En dan mag dus één oud Pulpnummer. “Het is een obscuurtje. Worden jullie al bang?”

Natuurlijk is “His N Hers” niet onbekend; “Common People” is het ook weer niet. Wat het wel is: beter, en eigenzinniger dan de nieuwe songs voordien. En dus blijft de vraag: wat is dit? Cocker is nog altijd een briljant performer, die een show kan dragen puur met zijn theatrale act, maar muzikaal steeds minder te vertellen heeft; als een lollige nonkel met wiens eeuwig dezelfde mop je blijft glimlachen, maar als hij hem niet brengt, zul je het ook niet missen.

Is het gek dat hij, de man die ooit zijn broek afstak uit protest tegen de verheerlijking van Michael Jackson, net degene is die het meest uitgesproken statement tegen de Brexit brengt? Neen. Het is zondagavond half elf, de realiteit van elke dag ligt geen half etmaal verder, dit is het einde van de bubbel; we kunnen maar beter wennen aan de hopeloosheid die opnieuw wenkt.

Wat het ook is, is The End Of The Road. Er zijn nog wat onaangekondigde secret shows in de Tipi Tent, maar noch Squid noch Viagra Boys zijn wat een mens op zondagnacht nodig heeft. Wij zijn klaar voor dit jaar, laden de valies vol herinneringen en een stapeltje boeken uit het boekenstalletje — morgen een lange rit te gaan. Tot volgende keer, End Of The Road, maak iets moois van die vijftiende verjaardag dan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in