End Of The Road 2019 :: Geen Brexit wegens Porsche Majeure

Vrijdag 30 augustus

Koude nacht gehad, maar hé: we staan er nog, dus laat ons even Elton John citeren: “yeah yeah yeah!” Op de agenda vandaag: vrouwen, héél veel vrouwen. En een tafel, maar dat is voor straks.

Vandaag, zo is beslist, wonen we hoofdzakelijk aan de idyllische Garden Stage waar een line-up van het meest frisse oestrogeen van deze tijden te horen is. Beginnen doen we echter met de baarden van Ohtis, een gezelschap rond de sympathieke Amerikaan Sam Swinson dat ons eerst in slaap dreigt te soezen. Mooie americana, hoor, maar ook iets te gemoedelijk wiegend om ons op dit uur wakker te maken. Tot er met een intro vol vogelgefluit — aan de Garden Stage! Hebt u hem! Hahaha! — en “Black Blood” dan toch een injectie pit komt. Net wat te laat, maar goed genoeg om te noteren dat Ohtis nog wel eens een kans krijgt bij ons.

Wie altijd welkom is, is Stella Donnelly, die met haar blijdschap dat ze hier na de triomf vorig jaar opnieuw mag staan, op een steenworp — enfin, een paar honderd kilometer — van haar moederlijke Welshe roots geen blijf weet. Ze waarschuwt het zonnende publiek dat ze wel eens een “fuck” durft laten vallen in haar nummers. “Nuja, niet dat er ooit al een kind is komen klagen over mijn taal.” En ze gooit er als opener een blokje solowerk tegenaan waarin vooral “Beware Of The Dogs” opvalt. “All those pious fucks”, spuwt ze over de Australische politiek, en ze onderlijnt dat laatste woord gretig, voegt er nog snel “Boris Johnson” aan toe. Dan toch een beetje politiek.

In “Mosquito” — een liefdesliedje, maar dan wel één waarin haar vibrator ter sprake komt — mag gitarist George Foster al even achter de toetsen komen opwarmen; even later duikt haar hele band op: het teken dat het allemaal wat losser mag. Vanaf dan zakt de set helaas in, om op zijn slechtst gezellig te gaan cocktailkabbelen. Waar is de spitante Donnelly? Niet in “Boys Will Be Boys”, dat vandaag niet wordt gespeeld, hoogstens in haar altijd grappige bindteksten. Een nummer met een drummachine leidt haar tot de conclusie dat ze nu ook “producer” is. Voor “Die” — “een opbeurend nummer” — heeft ze met toetseniste Jenny Aslett een simplistische choreografie bedacht, maar de song zelf is helaas nog knulliger: een “Electronic Renaissance” voor beginners. Je zou het charmant kunnen vinden, maar dat eerste kwartier liet horen hoe sterk Donnelly kan zijn als ze zich niet door zo’n ongein laat afleiden. We zouden bijna smeken dat ze die band thuislaat.

Jade Bird is iets anders. De jonge Britse schuift aan in een lange lijn van sterke gitaarvrouwen, zoals er in de jaren negentig wel meer waren. Ja, u mag aan Anouk denken. Aan Melissa Etheridge. Maar dat is simplistisch. Nauwelijks éénentwintig jaar oud is Bird iemand met een stevige eigen identiteit, en vooral een singer-songwriter die met vertrouwen op het podium staat. “Uh-Uh” is het soort opener dat gaat voor de verovering, het smekende “Good At It” laat onmiddellijk daarna een andere kant horen, al blijft ze spelen op volume. Maar hé, “we gaan niet de hele middag weg schreeuwen”, merkt ze na vier nummers goedlachs op. Een meer ingetogen “Ruins” volgt, al kan ze zich toch niet bedwingen om in het refrein toch even uit te barsten: de aard van het beestje.

En dat is het probleem met Bird. Ze heeft een indrukwekkende stem, ze kan een verdomd goeie song schrijven, zo eentje die meestal ergens halverwege goeie grunge en Dolly Parton in landt, maar het lijkt na een tijdje wel steevast dezelfde song. Zelfs als ze de gitaar laat voor “My Motto” klinkt het als “I Get No Joy” of “Love Has All Been Done Before”; allemaal goeie nummers, maar zo na elkaar gaan ze wegen. We zijn bijna blij om in “If I Die” plots een Vanessa Carltonpiano te krijgen, of even later het net iets uitgekledere “Cathedral”. En dan is het alweer van “Going Gone”, en weg is ze. We kunnen honderd redenen bedenken waarom Jade Bird nog niet is doorgebroken, maar als het morgen alsnog gebeurt, zullen we ook niet verbaasd opkijken. Als ze nog een beetje werkt aan de variatie in haar songs, zullen we het haar zelfs nog gunnen ook.

Nog een vrouw, maar dan weggestopt in de immer vochtige, naar gras ruikende en donkere Big Top: Georgia. Eén vrouw, één drum, één dansvloer; het zou zomaar stomme eurodance kunnen zijn, als het DIY-effect niet zo charmeerde. Georgia Barnes staat vol overtuiging achter haar elektronische drumkit, klaar om iedereen die “poppetje” durft te roepen een mep te verkopen. Het is niet nodig, haar songs overtuigen zo ook wel, want deze voormalige drumster van Kate Tempest kan een fameus refrein schrijven, zoals dat van “About Work The Dancefloor”, dat vaagweg iets van Robyns adem langs zich heen voelt glijden.

En zo vloeit de dag vlot van de ene naar de andere act, want ook Let’s Eat Grandma laat zich eerst van zijn meest poppy kant zien. Eerst de zware bassen van “Hot Pink”, vervolgens de Chvrches-synths van “It’s Not Just Me” en dan pas — als we al lang weer mee zijn — de lichte trip van “Falling Into Me”. Waarna we het konijnenhol induiken, en alles pas echt raar wordt. Dan is er “Deep Six Textbook”, waarin de synth rustig alleen mag doorgaan. “Fake!” wil je roepen, tot er eentje haar sax uit de coulissen haalt en rustig een lijntje toetert.

Misschien is het net daarom dat wat Rosa Walton en Jenny Hollingworth doen zo fris voelt: omdat het de grens tussen echt en nep met een brede grijns beslijkt. Een “Macarena”-dansje hoort er gewoon bij, en als een spelletje handjeklap in de intro van “Donnie Darko” mislukt, dan wordt het gewoon een giechelende slapfight. In de wereld van Let’s Eat Grandma kan zoiets, omdat zij dat beslist hebben. En wij, wij aanvaarden dat, want dat is ook echt wel een geweldig nummer zoals het op elf minuten alle hoeken van de muziek verkent. In een wereld waarin zoveel muziek geformatteerd is, voelt Let’s Eat Grandma nog altijd als een verademing.

Cass McCombs staat er zo maar wat verloren na. Erg goeie zanger, deze Californieër, maar er staat geen maat op. Na acht minuten is opener “Rounder” nog niet gedaan, terwijl alles al lang gezegd is. In “Bum Bum Bum” gaat het beter, komt zijn prachtige diepe strot tot zijn recht. Steve Gunn komt even van de Woods Stage gewandeld om hier een nummertje mee te spelen. McCombs geeft hem onceremonieel weinig aandacht, maar dat geeft niet. Wel vervelend: die eeuwige dwarsfluit die plots wordt bovengehaald en niet meer wil weggaan. Pas met het onverslijtbare “County Line” vindt de songsmid opnieuw zijn sterkte, slotnummer “Sleeping Volcanoes” is de bevestiging dat dit beter had gekund.

“Did you expect this”? Nou, niet echt. Dat Mitski tegenwoordig op een rare trip zit, hadden we een jaar geleden al door, toen ze in Trix stond, vandaag drijft de Amerikaanse haar conceptuele show nog een stapje verder. Een uur lang laat ze de muziek aan haar vierkoppige band op de achtergrond, voert zij een choreografie — of is het yoga? — uit met, op en naast een tafel. Een fucking IKEA-tafel. Neen, wij snappen het ook niet, maar die “pretentieus”-kreten uit het publiek storen ook. Alsof iets anders proberen dan de traditionele rockshow per definitie verkeerd is.

Natuurlijk stoot het af, vervreemdt het. Dat is de bedoeling. Het staat ver van de ziedende rockshow die we haar drie jaar terug op Best Kept Secret zagen brengen, maar ook vandaag komt “Your Best American Girl” aan als een hengst voor je kop, het recentere “Geiser” is het moment waarin ze het gevecht aangaat met de tafel. In “Happy” danst ze er rond; eindelijk ontlading. Maar het echte ererondje kan niet meer, daarvoor is ze net iets te dicht bij haar eindtijd. Geen “Slow Dancers” dus, en dat is jammer, maar het geeft ons vooral de tijd om nog iets langer na te denken: wáár ging dit in godsnaam om? Uw antwoord is altijd welkom op info@enola.be.

Het laatste woord — ja, we wonen nog altijd aan die Garden Stage of geef ons eens één reden om naar headliner Michael Kiwanuka te gaan? — is aan Parquet Courts, een programmatorische zet die op deze plek en na al die folk en aanverwanten als huisvredebreuk aanvoelt. Dit is een band wiens output immers een behoorlijke dosis energieleverende drugs doet vermoeden. Veertig minuten lang scheurt de groep door het hevigste uit zijn oeuvre, het funkste uit zijn punk. “Total Football” klinkt zelfs ziedend, maar dan zakt het alweer in. Voor “Death Will Bring Change” haalt het kwartet er het Londense kindertrio Honey-Hahs bij, vanaf dan gaat het bergaf tot “Wide Awake” ons weer — euh — wekt. “Berlin Got Blurry” redt de meubelen, en dan is het tijd voor een lapje “End Of The Road” van Boys II Men; het grapje dat op dit festival nooit écht oud kan worden.

En wij? Wij bereiken zo langzamerhand ook the end of the road. Het is tijd voor ons bed. We rollen een extra dekentje uit tegen een temperatuur die ze hier eufemistisch “nippy” noemen, en hopen op het beste.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in