Summer Bummer Festival

24 augustus 2019 De Studio, Antwerpen

In de ondergrond staat alles op z’n kop. Terwijl de grote festivals al even klaar zijn met hun eindbalans (en hopelijk besloten hebben dat er vanaf nu een nultolerantie voor die aangebrande kutvlaggen komt), vindt in Antwerpen het tweedaagse Summer Bummer Festival plaats, een weekendje topvertier voor Vlaamse liefhebbers van vrije improvisatie en aanverwante genres. Daarvan pikten we enkel de tweede dag mee, maar die volstond moeiteloos om er een memorabele editie van te maken.

Eerst een paar kanttekeningen: die ‘Vlaams’ kan je best niet te letterlijk nemen, want zowel artiestengroep (met bijna 40% vrouwelijke artiesten, een veelvoud van wat gangbaar is) als publiek waren een opvallend diverse en internationale bende. Dat zegt ongetwijfeld iets over de reputatie die het festival de voorbije jaren heeft opgebouwd en er nu toe leidde dat voor het eerst het bordje ‘UITVERKOCHT’ boven gehaald mocht worden. Een mooie en terechte bekroning van jarenlang zwoegen met een missie, en dat met een hecht team van enthousiaste medewerkers. Dat voel je ook als bezoeker tijdens zo’n tweedaagse.

We hebben die ene dag, met een reeks van acht performances, eerst even laten bezinken. Dat was misschien niet zo’n slecht idee, want zoals Joachim Ceulemans al meegaf in zijn voorwoord bij Fred Van Hove At 80 (een 3cd box + boek met drie concerten uit 2017 die hier voorgesteld werd) met een verwijzing naar filmmaker Andrei Tarkovsky: het heden blijft ons maar ontglippen en krijgt pas vorm zodra onze herinnering er het verleden van maakt. De performance van Fred Van Hove en Peter Brötzmann, twee iconen van de Europese improvisatie die in de tweede helft van de jaren zestig en jaren zeventig verantwoordelijk waren voor enkele van de cruciale documenten van het genre en vervolgens heel eigen richtingen uit gingen, was om meerdere redenen historisch. Een echt duoconcert had, een enkele ad hoc-improvisatie buiten beschouwing gelaten, al decennia niet meer plaatsgevonden.

Natuurlijk speelt ook de zichtbaar tanende gezondheid van Van Hove een rol in de beleving van zo’n concert. Net zoals de laatste jaren van Misha Mengelberg bij het ICP Orchestra soms confronterend waren, omdat je de vlam van de ooit zo spitsvondige rebel zachtjes zag uitdoven, zo wordt de breekbaarheid van alles duidelijk wanneer je ziet dat Van Hove hulp nodig heeft om traag schuifelend tot bij zijn piano te geraken, en onderweg een beetje rondkijkt met een mix van verbazing en ongemak, alsof hij abusievelijk in een huiskamer beland is die de zijne niet is. En dan Brötzmann erbij, met die lange passen en onverstoorbare kop. Gefluisterde woorden van aanmoediging. Geruststelling misschien. Veteranen met een lange, turbulente geschiedenis. Jaren gevuld met extase, ook wat harde woorden, altijd totaal engagement. Vrije muziek, het is iets dat vaak wordt afgeschilderd als een terrein dat het vooral moet hebben van cerebrale interactie, van bewuste moeilijkdoenerij, maar dit was ineens anders. Dit werd persoonlijk. Hier werd je ineens deelgenoot van een menselijk verhaal in al z’n dimensies. Geen bezoeker die het ook maar waagde om een kik te geven in de aanloop naar dat compacte concert.

Je zou de waarheid en de muzikanten oneer aandoen door te beweren dat ze speelden op de piek van hun kunnen. Het was wel frappant dat Van Hove amper een halve seconde nadat hij was gaan zitten het ivoor alweer te lijf ging, alsof die moeizame entree maar om te lachen was. De handen sprongen heen en weer, soms met een verrassende kracht die herinnerde aan hun samenwerkingen in de jaren zeventig, terwijl Brötzmann zich vooral liet gaan met lange uithalen en repetitieve stoten. Dat zorgde voor een stevig contrast, maar misschien ook voor houvast. Van Hove leek voortdurend zijn focus te vernauwen en weer te verbreden, het elastiek tussen hem en zijn kompaan maximaal op de proef stellen. Het wonderlijke impressionisme dat in recente tijden vaak uit zijn vingers vloeide werd nu grillig, rauw, onbesuisd. Toch kon je regelmatig ook een glimp opvangen van die uitzonderlijke connectie, zoals in het stuk dat Van Hove lyrisch aanzette en waarin Brötzmann zijn zilveren klarinet bespeelde. Hier ontstond er een gave zachtaardigheid die alsnog leidde tot een fraaie climax.

En zo werd het een concert dat je voortdurend heen en weer slingerde tussen opwinding, verrassing en weemoed. Zoet door de pure emotie, soms een beetje wrang door de onmacht en het besef dat niets voor altijd is. Het is ook nét die combinatie die ervoor zorgde dat dit een gebeurtenis was die je voor geen geld had willen missen.

Maar zo waren er nog wel een paar, zoals de wervelstorm die Emmeluth’s Amoeba ontketende, bijvoorbeeld. Het kwartet onder leiding van de jonge Deense altsaxofoniste Signe Emmeluth maakte vorig jaar een knap, origineel album (Polyp), maar terwijl het daar ging om een eigenzinnige balans van woelige vrije improvisatie, abstract pingpongen en doorgecomponeerde hedendaagse geluiden, werd de zaal nu meteen onder de voet gelopen door een band die uithaalde met een verzengende kracht en dat meer dan een kwartier aanhield. Drummer Ole Mofjell hamerde en kletterde het boeltje onophoudelijk bij elkaar als in een trance, de rest van de band speelde opvallend attent en dynamisch, met pianist Christian Balvig die, breed grijnzend, regelmatig opwipte van opwinding, en gitarist Karl Bjorå die accentueerde of gewoon opging in de totaalenergie. Al die tijd bleef Emmeluth het onwrikbare middelpunt van de muziek, met een opruiende energie in de met chaos flirtende freejazzpassages, strak en gedisciplineerd in de plots opduikende gecomponeerde stukken, en met een breed gamma aan blaastechnieken. Een band met karakter, kleur, empathie en onverdunde passie die grote indruk maakte. En dat om vijf uur ‘s middags.

Het contrast met het concert dat er op volgde kon amper groter zijn, al is dat deels ook de charme van dit festival, dat je alle stilistische hoeken van de kamer liet zien. Sinds de Belgische gitarist Dirk Serries gaandeweg zijn actieradius verschoof van ambient- en drones-georiënteerde projecten naar vrije muziek, is zijn focus sterk gewijzigd, maar zijn productiviteit intact gebleven. Onvermoeibaar blijft hij albums uitbrengen en zijn cirkel van gelijkgezinden uitbreiden. Uit de internationale Tonus-poule was baritonsaxofoniste Cath Roberts aanwezig, en trombonist Tullis Rennie was de derde schakel. Zo onstuimig als Emmeluth’s Amoeba was, zo introspectief ging het er nu aan toe, met een muzikale driehoeksverhouding (ook visueel mooi uitgebeeld) die niet uitgewerkt werd via een aanhoudende storm, maar een springerig heen-en-weer-verkeer. Roberts pakte uit met kleurrijke effecten en zware stoten, maar zorgde soms ook voor de melodieuze input, aangevuld door Rennie, die gretig gebruikt maakte van dempers en zelfs een vinylplaat om geluiden te manipuleren. Bij Serries was het ongedurigheid op laag volume, wrijvend en tikkend met verfborstel en springveer die betrokken werden bij het stekelige gitaarpointillisme. Na de energie van het voorgaande was dit droger, abstracter en cerebraler, verankerd in de Engelse school van vrije improvisatie, maar op zijn eigen manier al net zo’n inventieve uitdaging.

Aan inventiviteit ook geen gebrek bij Angel Bat Dawid uit Chicago, die sinds de release van haar tape The Oracle bezig is aan een opmars die voorlopig niet te stuiten lijkt. Ze is een door-en-door Amerikaanse artieste, geworteld in blues, funk, soul, gospel en jazz, maar ook niet vies van het vrije werk, waarvoor ze haar volledige fysiek en uitgebreide arsenaal in de strijd gooit. En dat is nogal wat. Op dag 1 deed ze het solo, op dag 2 met twee trio’s. Het eerste daarvan was met twee andere meesters die ooit deel uitmaakten van de Chicago-scene: trombonist Jeb Bishop en drummer Frank Rosaly. Die laatste leek wel de rol van joker gekregen te hebben en zat voortdurend te schilderen op z’n drumstel, in die kenmerkend hoekige stijl, het lichaam voortdurend in interactie met drumkit, soms ook luchtdrummend, maar vooral goed voor een eindeloze stroom van texturen en accenten, terwijl Bishop het voortouw nam, regelmatig terugschakelde en een hechte tandem vormde met Dawid, die expressief hamerde op de piano, de klarinet dramatisch liet huilen (en de piano soms tegelijkertijd aanviel met de elleboog), blueskreten uitstootte en Duvel van het flesje slurpte. Het was een eigenzinnige combinatie van soul en vrijheid, van theatraliteit en experiment, en alleen daarom al helemaal op z’n plaats op dit festival.

Later die avond speelde Dawid trouwens een late night concert dat al net zo uitzonderlijk was. Ze vormde een trio met Signe Emmeluth en baritonsaxofoniste Hanne De Backer (de dag ervoor nog in de weer met Paal Nilssen-Love) dat de rijke roots van  de Amerikaanse nog meer op de voorgrond zette. Het leek hier immers wel alsof je getuige was van een inwijdingsrite met een eeuwenoude voorgeschiedenis, eentje van de soort die pas plaatsvindt als de avond op z’n eind loopt en de laatste restjes emotie uitgewrongen worden. De vrouwen creëerden een hecht vlechtwerk met hun instrumenten, lieten ze gieren, huilen en ronken, stampten het ritme van een tribaal bonkend hart op de vloer en dansten, aangevoerd door orakel Dawid, naar de plaats waar de muziek het overneemt. Een fysieke, koortsige en spiritueel geladen performance.

Geen enkel festival is over de hele lijn even indrukwekkend, maar je krijgt ze zelden zo consistent. Het enige wat moeizame moment zat misschien in het akoestische luik van de soloset van de Australische violist en componist Adam Cadell, die eerder die dag het startschot gaf voor de concerten van dag twee (intussen waren er al workshops en een mooie foto-expo om te gaan bekijken). Zijn tweedelige set kwam zoekend op gang, met omzwervingen langs pastoraal getinte oorden op de wip tussen drone-terrein, minimalisme en breed uitwaaierende folk. De tweede helft, waarvoor de man zich bediende van grove effecten en loops, kreeg meer reliëf en meeslepende power, ook al had je het gevoel dat wat extra tijd goed geweest was voor verdere verdieping van het werken met lagen. Niettemin, de trance was er.

Het concert van Van Hove en Brötzmann was ongetwijfeld het centrale event van deze tweedaagse, iets dat headliner Thurston Moore ongetwijfeld ook zou beamen. Maar het was natuurlijk vanzelfsprekend om hem als laatste te programmeren in een samenwerking met een ritmesectie die een dag eerder nog een potje herrie maakte met Brötzmann: bassist Farida Amadou, intussen een oudgediende van Sound In Motion, en drummer Steve Noble. Dit concert kon zo gelden als een luid, vet uitroepteken achter een bijzondere reeks van concerten en was, net als de slotperformance van The Founder Effect in 2018, goed voor een indrukwekkende sprong qua volume en intensiteit. M.A.N. speelde het direct en zonder al te veel finesse: hier werd uitgehaald met een soms verzengende triokracht. Maar wat wil je ook, met een langarmige motor als Noble achter de vellen, en een ervaren rot als Moore. Die speelde dat herkenbare spel van riffs, dissonantie en herhaling met verve, op zoek naar het niemandsland tussen free, noise, no wave en pure skronk, ergens in de zone tussen DNA, Original Silence en Last Exit, met Amadou die extra fond voorzag, maar soms ook stond mee te raggen alsof ze een tweede gitariste was. Alles in het rood en toch nog het vermogen hebben om hier en daar een stapje verder te gaan. Echt veel kleur en variatie zat er niet in, maar de combinatie van rood en knalrood blijft in de juiste handen wel goed voor een gemene stamp in de kloten. Mission accomplished.

Voor velen zat het er op na die muilpeer, maar de twee late night concerten waren zeker nog de moeite. Dawid liet zich voor de derde keer gelden met een gul ritueel, en afsluiten gebeurde door het trio Yves De Mey, Gino Coomans en Louis Evrard. Was een vorige soloset van De Mey (2017) nog te situeren in de uithoek van de donkere en abstracte elektronica, dan werd dit wat anders, want er werd gewerkt met dwingende pulsen en hij vormde een fijn combo met Evrard, die even sober als efficiënt speelde rond de beats van De Mey. De combinatie van akoestische en elektronische ritmes kreeg een hypnotiserende impact die aanleunde bij kraut, Steve Reid en een iets minder opgefokte Nisennenmondai. Coomans kreeg intussen een wild card om zich helemaal te buiten te gaan aan het toevoegen van riffs, bricolage in de marge en feedback, wat ervoor zorgde dat de set gaandeweg steeds meer kleur en spanning kreeg en afsloot op zijn hoogtepunt. 

Dus ja, ook deze editie van het Summer Bummer Festival was er weer eentje voor avonturiers, al vielen er tussen het experimentele geharrewar van nieuwkomers en bekendere namen ook geluiden te horen die nog maar eens aantoonden dat avant-garde en toegankelijkheid elkaar niet hoeven uitsluiten, met de aanwezigheid van de groothartige Angel Bat Dawid als klinkend bewijs. Maar natuurlijk zal dit wel altijd de editie blijven van grootheden Fred & Peter, meer dan een halve eeuw na hun eerste samenwerkingen nog eens samen schuifelend en tuimelend in de vrije muziek. Onvergetelijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in