Jazz Middelheim 2019 :: 15-18 augustus, Park Den Brandt

Zondag 18 augustus

Het moet een kort nachtje geweest zijn voor Lander Gyselinck: de hele zaterdag cureren, twee sets spelen waarvan eentje tot laat ’s nachts (vertel ons nu niet dat daar achteraf geen feestje van kwam) en de volgende dag om twee uur ’s middags alweer aan de bak. Dit keer met het Ragini Trio dat hij samen met saxofonist Nathan Daems en bassist Marco Badoscia bestiert. Ragini Trio spant al van bij het begin de brug tussen jazz en Indische ragamuziek, maar wist dankzij een inspanning van W.E.R.F. records en Vrijstaat O een samenwerking aan te gaan met de Servische pianst Bojan Z. en de Indiase zangeres Sawani Mudgal. De samenwerking resulteerde in de geweldige plaat “Peace The New Jazz” die dit jaar verscheen. Het vijftal speelde na de release slechts een handvol concerten samen, maar werd voor de gelegenheid van het festival nog eenmaal herenigd.

Ragini Trio ft Bojan Z & Sawani Mudgal 11

Het spreekt voor zich dat het materiaal vandaag quasi helemaal uit die laatste plaat bestaat. Hoewel het even geleden is dat het vijftal nog eens samen speelde, klinken de uitvoeringen van meesterlijke composities als “Bhairavi”, “The Nine Commandments” of de driedelige suite “Bhahavi Shankare Vande” alsof de band al jaren samen op zwier is. Opvallend is wel dat bandleider Daems geen hoofdrol opeist, maar eerder de ruimte laat aan Bojan en Sawani om op de voorgrond te treden; de eerste met bij momenten weergaloos toetsenspel, de tweede met feilloze stemklanken die als een tweede windinstrument zich in de muziek verweven. Raga heeft de eigenschap om mystiek en bezwerend te klinken, en ook hier deinen de hypnotische golven door de tent en nemen ze het toch al talrijk aanwezige publiek mee in een kosmische roes, om daarna te ontaarden in opzwepende tempo’s en knallende jazzuitbarstingen. Pittig beleg zo voor op uw gezapige zondagse pistolets. Nog van dat graag.

De artist in residence krijgt eigenlijk steevast carte blanche wat eigen projecten betreft, maar er staat wel tegenover dat deze ook een coachingsproject op zich neemt met studenten van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. In het geval van Ambrose Akinmusire was dit een samenwerking met Evergreen 5, met pianist Jarno Verheyen, gitarist Roeland Celis, bassist Soet Kempeneer, drummer Klaas De Somer en tenorsaxofonist Lennert Baerts, die hier en daar een woordje uitleg voorzag terwijl z’n Amerikaanse mentor er wat stuurs (of enigmatisch) bij stond. Snel werd alleszins duidelijk dat hier een vrij traditionele aanpak gehanteerd zou worden, met transparante structuren, een dobberende of stuwende ritmesectie, piano die nergens in de weg loopt, duidelijke thema’s, heen-en-weer-geketste ideeën tussen trompet en sax, met een samenspel dat qua klankkleuren soms een update leek van een paar oudere Wayne Shorter-albums.

Evergreen 5 04

Geen vuurwerk, of toch niet in de kop van het concert, maar muziek die in Kempeneers “Healing Patience” doordrongen was van een lichte weemoed, en in Celis’ knoestiger, ritmischer complexe “Evergreen Anthem” dan toch het vuur oppookte. Celis kon er volop gaan voor de fusion dude-modus, met shredding tussen Steves Howe en Vai. En alsof Akinmusire ook even op z’n strepen stond, scheurde die het boeltje aan flarden in het compacte “Far But Few Between”. Technisch meesterschap, maar misschien ook teveel een soloshow. Het kwam allemaal samen in Baerts’ suite “Melancholia”, waar de band een sterke collectieve flair ontwikkelde. Het zou eigenlijk ideaal geweest zijn om er daar een punt achter te zetten, want met het resterende materiaal viel eigenlijk op dat 75 minuten vullen wat veel van het goede was om de spanningsboog intact te houden.

Van de vier festivaldagen was de derde ongetwijfeld de veelbesproken dag. Een beetje in de kijker gezet als de ‘relevante’ dag, waarop bewezen werd dat het genre ‘eindelijk klaar’ is voor de 21ste eeuw en media die eigenlijk niets hebben met de eerste honderd jaar jazzgeschiedenis komen beweren dat het boeltje eindelijk weer ‘hip’ is (well, hello). Kan allemaal wel zijn, maar geen concert van deze editie was zo eigenzinnig en verrassend als dat van Joe Lovano Trio Tapestry. De kloeke saxofonist was in de loop der jaren al vaker te gast, met een orkest, in de context van flukse post-bop of met een Coltrane-hommage, maar we zagen ‘m nooit zo gretig kiezen voor uitgesproken persoonlijke muziek. Die werd geplukt uit het onlangs verschenen ECM-album, maar nu werd pas duidelijk hoe soepel het alle conventies omzeilde.

Dat het geen doorsnee concert zou worden, werd trouwens al duidelijk vanaf opener “Tarrassa”, waarin de ons totaal onbekende drummer Carmen Castaldi vooral in de weer was met ruisende cimbalen en toms op fluistervolume, pianogrootheid Marilyn Crispell schijnbaar genoegen nam met een rol als aanbrenger van schaduwen, en Lovano uitgebreid soleerde met een ongrijpbare ketting van noten en motieven waarin het zoeken was naar aanknopingspunten. Geen herkenbare thema’s, bluesy uitspattingen of muziek van de vingerknip, maar aanleunen bij kamermuziek-achtige subtiliteit (vooral in “Rare Beauty”) en vooral met veel, heel veel, introspectie. Toen Lovano vanaf de suite die startte met “One Time In” ook nog eens gebruik ging maken van een rijtje gongs, was het al helemaal duidelijk dat je hier in iets ritueel-getint beland was, een lesje in rond-de-pot-draaien voor gevorderden, en dat met een beheersing die even indrukwekkend als droog en cerebraal was. 

Joe Lovano Tapestry Trio 04

Verderop won het samenspel aan kracht, maar voelde het aan alsof Crispell en Lovano elk op een eigen denkspoor zaten, maar die sporen toch op elkaar gelegd werden. Het swingde voor geen meter, maar dat was ook niet de bedoeling. Voor wie wachtte op vuurwerk kwam de verlossing even dankzij “A Smiling Dog”. Dit botste meer, volgde grillige contouren, met Crispell die uitpakte met bonte expressiviteit via driest gehamer en grote intervalsprongen, die na al het voorgaande haast patserig gingen klinken. En al die tijd zat Castaldi erbij te ritselen en tikken, met hier en daar een slag die wat harder resoneerde. Dit was een trio dat resoluut z’n eigen ding deed, en vooral inspiratie putte uit Lovano’s samenwerking met meesters van de nuance als Paul Motian en Gunther Schuller. Niet het beste dat we al van de man zagen, maar nooit minder dan intrigerend in al z’n vreemdheid.

Helaas moesten we verstek geven voor Tribute To Toots Thielemans by Gregoire Maret, Kenny Werner & Guests, maar wat we meepikten op de radio had er wel alles van dat deze kerels de peetvader van het festival door en door kenden. Niet enkel door het evenwichtige, empathische samenspel van een kernband (met Maret die de geest van Thielemans akelig juist tot leven wist te wekken) en gast Philip Catherine, maar natuurlijk ook de door de uitgekiende setlist vol stokpaardjes van de ket, met Mancini’s “Days Of Wine And Roses”, het onverwoestbare “Autumn Leaves”, een paar walsjes, een stukje Jobim en in de laatste rechte lijn het trio waarmee Thielemans ettelijke edities afrondde: “Ne Me Quitte Pas”, “What A Wonderful World” en “Bluesette”. Voor verrassingen moest je hier niet zijn, maar daar zat natuurlijk ook niemand op te wachten.

*

Eerder die dag pikten we ook nog twee concerten mee van Manuel Hermia op de Club Stage, en die hadden gerust ook op het hoofdpodium mogen staan. Wie trouwens dacht dat met de namiddagperformance van Gyselinck alles gezegd was qua drummen, kreeg trouwens meteen lik op stuk, want in het eerste concert kreeg Hermia gezelschap van drumbeest Sylvain Darrifourcq, met wie hij normaal ook in God At The Casino zit, maar cellist Valentin Ceccaldi uit die band werd vervangen door bassist Joachim Florent. Darrifourcq is alleszins een van de meest in het oog springende percussionisten van zijn generatie; een meester van textuurgebruik en speelse invalshoeken, maar vooral ook van ritmische complexiteit. Zijn roffels zijn als machinegeweersalvo’s: waanzinnig strak en explosief.

Hermia - Darrifourq - Florent 02

Ze vonden ook hun plaats in een reeks composities die stuk voor stuk uit God At The Casino geplukt werden, met die combinatie van vrijheid en strakheid in “On a Brulé La Tarte”, de wringende spanning van haast mechanische wentelingen en etherische lijnen in “Du Poil De La Bête”, en natuurlijk het bekende timmeratelier van “Les Flics De La Police”, dat van start gaat met Darrifourcqs chaotische geharrewar (paniekerige gezichten alom in het publiek) en vervolgens omslaat in de manische herhalingen van een echte nekbreker. Afsluiter “Ho Chi Minh” gold als oorlogsmetafoor en imponeerde met die thrashy drum-intro en samenspel vol kwieke versnellingen, struikelritmes en staccatogekte. Terwijl Vlaanderen steeds meer bereid is om in de pas te lopen, willen wij enkel marcheren met kierewiete metronoom Darrifourcq. 

Wat later meteen een compleet ander geluid bij Orchestra Nazionale della Luna, waarin Hermia zich omringde met Kari Ikonen (piano, Moog), Sébastien Boisseau (bas) en drummer Eric Thielemans (om Teun Verbruggen te vervangen) om samen een onvoorspelbare droommachine te vormen, waarbij de synth van Ikonen minstens zo bepalend voor het geluid is als de saxen en fluit van Hermia. Het start traag en wat knorrig, met Thielemans die zachtjes de brushes hanteert en rond de beat speelt, Ikonen die een Oosters instrument (oud?) nabootst met de piano en Hermia die uitdrukkelijk naar Arabische schalen lonkt. “Karibou”, waarvoor Hermia overschakelt op bansuri fluit is een originele combinatie van exotische getinte jazz, met verrassende loops en stotterende ontsporingen. In een derde stuk neemt een dobberend donker motief nog meer vrijheid in een sandwich, met Ikonen en Thielemans die effe lekker van leer kunnen trekken, terwijl de korte, maar sterke performance iets later afgerond wordt met pianodromerijen. Het bewijst andermaal dat de Club Stage een meerwaarde was voor het festival, al moet je er het irritante heen-en-weer-geloop van sommigen weer bij nemen.

*

Samengevat: goede editie? Eigenlijk wel ja. Jazz Middelheim 2019 had geen grote internationale publiekstrekker, maar bewees dat dat ook niet nodig is. De artist in residence wist mainstream en experiment naadloos te verenigen, enkele oudjes zorgden voor memorabele concerten, de nieuwe golf kreeg een dag om z’n ding te doen (en deed dat met verve), de geest van de festivalpeter waarde nog eens rond en voor wie er nooit genoeg live muziek is, vormde de Club Stage alweer een fijne plek om ontdekkingen te doen. Deze editie leek misschien wat minder druk dan de vorige jaren (daar kan het bekvechten tussen zon en regen voor iets tussen gezeten hebben), maar dat was dan weer goed nieuws voor wie dringend naar het toilet moest of de innerlijke mens wilde versterken. Kortom: wij content. Tot volgend jaar.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in