Pukkelpop 2019 :: Subtiel als een colonne bulldozers

Zaterdag 17 augustus :: Ochtendgymnastiek van de vettige soort

Dag Twee begint met een kater en het langzaam doorsijpelende besef dat de randfenomenen helaas wel de overhand hebben genomen. Laffe excuses van de organisatie voor een terechte ingreep zijn een minstens even donkere wolk als de ondingen die er een natte dag van beloven te maken.  Iemand anders een vlag – euh, handdoek – op overschot?

Door absoluut hondenweer naar Hasselt rijden voor de jonge honden van PUP: er zit al meteen een rode draad in. We arriveren net als het eerste nummer begint, maar hadden gerust een kwartiertje later mogen komen. Zo lang duurde het namelijk voor de geluidsman wakker was. Ach, hoe belangrijk kan het zijn dat je de zang kunt horen, als alle vier de bandleden een micro voor hun neus hebben? Het gevolg is een vrij uniforme lawaaimuur, en je moet de nummers al goed kennen om ze van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig wordt het beter, zeker wanneer de ramnummers plaatsmaken voor songs met wat meer balans tussen luid en stil, zoals de absolute bom “Reservoir” en het sarcastische “If This Tour Doesn’t Kill You, I Will”. Ondanks het vroege uur staat al een behoorlijk groepje jonge fans elk woord mee te zingen. Punk is niet dood. Maar dat wist u na gisteren al wel.

Compact Disk Dummies @ Pukkelpop 2019 (Sanne Gommers)

Ook niet dood, ondanks de wel heel lange stilte: Compact Disk Dummies, dat in de Dance Hall nog eens komt warmdraaien vooraleer een nieuwe plaat wordt aangekondigd. Aangevuld met een drummer blijken Lennert en Janus Coorevits nog niets van hun pit te hebben verloren, en met een paar jaar meer op de teller heeft die eerste zich tot showkikker eerste klas ontpopt. Het resultaat is ochtendgymnastiek van de vettige soort, met een robotdansje tijdens een daverend “Mess With Us”, gecrowdsurf tijdens “Holy Love”, derwisjendans tijdens al de rest. En die rest mag er zijn: een eindeloos uitgesponnen “Girls Keep Drinking” krijgt kletterende percussie mee. “Pukkelpop, op de knieën!”, beveelt de gekrullebolde. Een goed gevulde Dance Hall gehoorzaamt. Mooie zet, nu kunnen we niet anders schrijven dan “Compact Disk Dummies kreeg Pukkelpop op de knieën”. Het is graag gedaan.

Mini Mansions. “Pop”, zegt het programmaboekje. “Vrijblijvend en onschadelijk”, zeggen onze notities. Sympathiek maar richtingloos doet het viertal nu eens aan Mika, dan weer aan Flaming Lips denken. Een beetje disco, een beetje psychedelisch, een beetje negeerbaar. Hele goeie achtergrondmuziek voor een zomers middagdutje. Ook “pop”: Penelope Isles. Denk Grandaddy zonder de weerborstels. Denk licht psychedelisch maar veel te braaf. En denk misschien – de tent heet tenslotte “Lift” – liftmuziek voor elektrisch rockorkest.

Hoog tijd voor wat ambiance dus, én voor de eerste volkstoeloop van de dag: De Jeugd Van Tegenwoordig, op de main stage. Hallo zeggen doen de heren met “Hollereer”, “Hengel At A Bitch” en “Gekke Boys”, allemaal in één trek aan elkaar gemixt. Ook “Watskeburt” en “Let’s Get Spanish” komen al in de eerste twintig minuten. Het publiek lust er wel pap van. Bij de pompende gabberbeats van “Buma In Me Zak” wordt heftig gehakt, gejumpt of hoe de snotneuzen van vandaag dat tijdloze gestuiter ook mogen noemen. En stonden de vaderlandsche chiromeisjes vroeger op de eerste rij bij Krezip, Anouk en andere onschadelijke Hollanders, vandaag zingen ze bij “Applaus” allemaal gezellig mee van “links rechts links rechts schudden met die kut”. The times, meneer, they are a-changing. Het roept gemengde gevoelens op: de Jeugd is al lang zo jeugdig niet meer, en sommige van hun teksten klinken gewoon potsierlijk uit de mond van mannen van bijna veertig. Soit, “Sterrenstof” blijft een poëtisch meesterwerkje, en het synthesizerriffje van “De Formule” blijft onweerstaanbaar vettig. En dan is er een soort outromuziekje en is de groep, bijna ongemerkt, van het podium verdwenen. Nou.

Geldtekort kan het niet zijn, dus het moet ergens te maken hebben met de lokroep van het podium: ondanks het verscheiden van Adam Yauch, en dus ook de Beastie Boys, duikt Mike D deze zomer toch op de festivalpodia op voor wat aangekondigd wordt als een DJ-set.  Dat klopt, maar niet helemaal. Het is om te beginnen niet D zelf die de decks bemant – daarvoor heeft hij een maat in dienst – en het duurt ook geen drie flarden van een Beastie Boysnummer, voor de benige vijftiger met de microfoon naar voor komt om met die zo bekende nasale stem een stukje mee te rappen. En zo worden klassiekers van het New Yorkse trio in en rond andermans werk gedraaid, wordt “Sabotage” “I Wanna Be Sedated” van The Ramones en weer terug, en eindigt alles met “Intergalactic”. Leuk? Leuk. Maar ook een beetje ráár.

De trompetters van Meute zijn, alles welbeschouwd, een gimmickbandje. Ze spelen danceklassiekers met blazers, en wanneer je de originele nummers kent, dan is dat verdomd aanstekelijk. Wanneer je ze niet kent, tja, dan blijft er vooral héél repetitieve orkestmuziek over, zo zonder de subtiele variatie en evolutie die danceproducers in hun sound steken. Misschien zijn het eigen nummers, misschien zijn het modernere dansvloeranthems, feit blijft: je kunt maar een minuut of twee na elkaar dezelfde vier maten blazen op een tuba voor het strontvervelend wordt.

Het kán nochtans wel hoor, zo’n blaasorkest op een festival: waar Meute braaf de noten van de nummers speelt, speelt Brass Against de attitude. Het New Yorkse balorkest opent met “Wake Up” van Rage Against The Machine. Ze volgen op met “Figure It Out” van Royal Blood. Ze gooien er “The Pot” van Tool tegenaan. Drie nummers ver, en ze hebben het dak al van de tent, euh, geblazen. Mensen laten dansen op Tool: faut le faire. En dan moet het sterkste nog komen. Vanuit een stukje Spaanse gitaar komt geleidelijk aan de intro van Tool’s “Lateralus” naar boven, en net wanneer dat nummer normaal openbarst, verandert het in “Killing In The Name”. Je zou het de zangeres op het zicht niet meteen nageven, maar ze hoeft vocaal niet voor Zack De La Rocha onder te doen. De noisepassage van het origineel maakt plaats voor een kwade, begeesterende speech over white supremacists, wapengeweld en mensenrechten, die naadloos overgaat in de “fuck you I won’t do what you tell me”-passage. De hele tent roept mee. Een kippenvelmomentje, en een welkom politiek statement op een dag waar Pukkelpop zijn excuses aanbiedt aan fascistische vlaggenzwaaiers. Misschien volgend jaar ook wat nationaal-socialistische black metal bands boeken, Chokri, voor de onpartijdigheid. Na zo’n hoogtepunt is een dal onvermijdelijk, en bij Led Zeppelin’s “Kashmir” is de vaart er inderdaad wat uit. Beter dan “Killing In The Name” wordt het niet meer, maar er volgen nog meerdere nummers van Rage Against The Machine en eentje van Beastie Boys, kwaad en intens tot de allerlaatste noot. Holy fuck, wat een feestje.

Zeggen dat we Gossip afgelopen jaren hebben gemist, zou de waarheid geweld aandoen. Toch voelde het goed om de blootvoetse Beth Ditto nog eens volle groepsomgeving te zien. Ze stond er met alle sass van vanouds, de band werkte zich het zweet uit de naad. En zo was “Move In The Right Direction” een prettige brok discorock, werd “Standing In The Way Of Control” opgedragen aan alle “freaks and fat girls” en klonk “Heavy Cross”, half door een fan gezongen, als een strak orgelpunt, tot je je afvroeg waarom het ook weer was dat deze groep er in 2016 even mee ophield.

Tussendoor excuseerde Ditto, verder verdomd goed bij stem, zich herhaaldelijk voor haar slechte Vlaams. Ach, toch een “choede achvond” terug, Beth. Enkel die slechte versie van “Careless Whispers” – “you might know this song if your old” – was niet echt nodig; te hard ver-Gossipt, tot ook dat als de zoveelste discostamper klonk. Een beetje jammer dat. Covers moet je enkel brengen als je ze beter kunt maken.

“Er zijn drie soorten punk”, wees AB-programmator Kurt Overbergh ter aankondiging, maar het was al duidelijk welke zijn voorkeur wegdraagt. Die van Cocaïne Piss, natuurlijk: nog steeds meer natuurfenomeen dan band, eentje waarvoor altijd Code Rood geldt. Geen nieuws dus, en dat is goed nieuws want het was niet kapot. Aurélie Poppins krijst nog altijd als een krolse muis, de band raast de songs af met de subtiliteit van een kolonne bulldozers. En zo mag het voor altijd blijven. Natuurlijk eindigt de zangeres opnieuw in het publiek, waar ze nog lang na de laatste noot knuffels blijft uitdelen.

Brutus @ Pukkelpop 2019 (Sanne Gommers)

Spanje, Frankrijk, Groot-Brittannië, Kiewit. Neen, Brutus, is niet veel thuis geweest deze zomer. Het is dan ook een goed gerodeerde band die in de Club aan de aftrap verschijnt, en met een schijnbeweging richting doel afstormt. Want dat rustige begin, dat is natuurlijk niet representatief.  Het duurt geen halve minuut, of Stefanie Mannaerts roffelt haar drums, Stijn Vanhoegaerden laat één van die gierende riffs los, en bassist Peter Mulders snokt zijn snaren tot ze net niet springen. Wat volgt is een stampede waar geen counter tegen opgewassen is, of het moet de uitschuiver net buiten het strafschopgebied zijn in “Drive”; ziedend gestart, moet Mannaerts het nummer al snel stilleggen, waarna de band eventjes moet zoeken hoe en waar er opnieuw gestart wordt.  “Merci voor het geduld”, zegt Mannaerts wanneer de band dan toch netjes samen aan de finish komt, en ze knalt rustig verder. Hoogtepunt? “All Along”, één en al ziedende furie, razen met bloeddoorlopen ogen en beukende vuisten. Dit najaar speelt Brutus in de Verenigde Staten. Val niet achterover als de Yankees hen niet meer laten gaan.

Eels @ Pukkelpop 2019 (Sanne Gommers)

Eels is Eels is Eels. Met de jaren is E zich zichtbaar comfortabeler beginnen voelen in zijn rol als entertainer, en als je dan ook nog eens zo’n gigantische catalogus aan klassiekers hebt om een setlist uit samen te stellen, tja, wat kan er dan nog fout gaan? Geen nieuws is goed nieuws, zegt men, en goed nieuws is dan ook geen nieuws, maar goed nieuws is er te over. “The Look You Give That Guy”, bijvoorbeeld: de hele Marquee zingt het refrein mee, en de helft ook de strofen. Of “My Beloved Monster”, in z’n zomerse groovy versie met castagnettenintro. Of de zinderende cover van “Raspberry Beret”. “I love the soft rock. But I also love the rock. And there’s only one way to pop my pukkel, and that is to rock”, zegt E, voor hij “Prize Fighter” op gang trapt. Nee, gewoon heel veel goed nieuws, en dus eigenlijk geen nieuws.

Royal blood @ Pukkelpop 2019 (Sanne Gommers)

Ook Royal Blood is zijn oerdegelijke zelf: live nog steeds even straks als op plaat, met dezelfde loodzware maar loepzuivere sound, dezelfde beestige riffs en dezelfde topsongs. “Where Are You Now”, bijvoorbeeld, als binnenkomertje. Of “Hook Line & Sinker”, vandaag met een extra bassolo’tje cadeau. Of “Ten Ton Skeleton”, een dikke 7 op de schaal van Richter. Of “Little Monster”, met een drumsolo die eindigt, out of nowhere, met een sample uit Home Alone: “Keep the change, you filthy animal.” The change, dat zal dan de nieuwe song “Boilermaker” wel zijn, een veelbelovend voorsmaakje van de nieuwe plaat die eraan zit te komen. Het is niet iedereen gegeven een wei vol regenjassen en plastic poncho’s aan het dansen en zingen te krijgen, maar Royal Blood, die kunnen dat.

Wat is het? Zaterdagavond. Wat doet een mens op zaterdagavond? Een Brit als Mike Skinner – nochtans al even in Dad-Country – zegt: uitgaan op knallende feestmuziek. Kwam dat dus even goed uit dat The Streets terug is. Nog beter: de dronken, afwezige Skinner van die vorige keer Pukkelpop, twaalf jaar geleden, is ondertussen een gelouterd man, die zich dan nog wel kan verliezen in ongein rond champagne-flessen, maar ondertussen ook een topentertainer van het soort Robbie Williams is geworden.

The Streets @ Pukkelpop 2019 (Sanne Gommers)

En dus wordt de grote comeback op “Pukkel-pop-pop-póp” (inclusief geweer-handsymbooltje) half concert, half bevlogen misviering. Dat we elkaar in de ogen moesten kijken, de handen van een vreemde vastpakken! En vlug een beetje, want we hebben maar een uur. Zo gaat het van een feestelijk “Let’s Push Things Forward” over een ronduit mooi “It’s Too Late” –met dank de sterke backingstrot van Kevin Mark Trail –,naar een meegezongen “Dry Your Eyes”. Alles uitermate straf gebracht door een strak spelende band, die fluks van ingetogen naar uitbundig kon gaan. Want hé, het blijft nog altijd zaterdagnacht, en dus eindigt het ook als een beukend clubfeestje, met de synths van “Weak Become Heroes” en het stampende “Fit But You Know It”. Waarna Skinner besluit om met een fles champagne naar zijn jarige geluidsman en terug te crowdsurfen. Duurt eindeloos, waardoor het optreden een beetje absurd en zinloos eindigt. Het is wat het is: kwart voor één ’s nachts, we zijn doodmoe, en toch gaan we – moéten we – nog een uur door.

En dat is maar goed ook. Want het duurt geen vier nummers of we noteren stomweg ‘Oh My God!’ in onze notities. Steek dat op de vermoeidheid, maar ook op hoe overrompelend Hot Chip tegen “Hungry Child” is. Hoe dat meerstemmige ‘Been trying hard to pull you back’ uit de boxen spat, voor de house beat overneemt en we in de beste discotheek ter wereld zitten! Wat snakten we al vier uur naar ons bed, als we dit kunnen hebben?

De groep laat die nieuwe single naadloos overgaan in doorbraaksingle “Boy From School”, in een sterk staaltje vakmanschap. Minder mag je echter niet verwachten van een septet topmuzikanten dat ondertussen al vijftien jaar koppig zijn eigen weg bewandelt: ergens tussen bleekschetenfunk en de zwartste soul in. Want als de wereld een beetje rechtvaardig was, had frontman Alexis Taylor al lang een carrière die groter was dan die van John Legend en Luther Vandross samen. De wereld lacht de mensheid al eeuwen uit, en dus moet de kleine Brit het doen met dit heerlijke gezelschap.

Ook goed.  Het is prachtig om te zien hoe de muzikanten voortdurend van instrumenten wisselen, tussen het imposante decor van hun ‘Starship’ met elkaar staan te ginnegappen. En hé, noch Legend noch Vandross zouden het ooit in hun hoofd halen om Beastie Boys’ “Sabotage” te coveren, én er nog mee weg te raken. Taylor slaagt er op één of andere manier in met twee microfoons in de hand, om die ijzige kreten en de snedige raps te brengen alsof hij ze zelf bedacht. Het is een lefstuk, en Hot Chip doet het met de vingers in de neus. Wat kan daar nog boven? Goeie vraag, maar het antwoord spreekt voor zich: “I Feel Better”, altijd al de beste song van het gezelschap, zo eentje waarin de wisselzang tussen Joe Goddard – die andere frontman – en Taylor perfect werkt, en poprefreinen en popsensibiliteit elkaar versterken. En dan is het alweer gedaan – hoezo Hot Chip speelt niet tot twee uur? De band verdwijnt van het podium en wij blijven een beetje verdwaasd achter. Uitgedanst, dan toch.

Allemaal mooi, maar wie op dat moment niet in de Club staat, die heeft ongelijk, want daar leidt de eerwaarde Frank Turner de middernachtmis. Zijn recentste plaat heet “Be More Kind”, en het vergt enig koppig geloof in de mensheid om dat in deze cynische tijden serieus te nemen. Is het een beetje emo? Misschien. Is het sentimenteel? Soms. Is het keer op keer raak, de nagel op de kop, de vinger op de wonde? Absoluut. De voormalige loeiboei van hardcoreband Milliondead schrijft songs met de rauwe eerlijkheid van punk en de zalvende zachtheid van pop, over geluk en verdriet, hoop en wanhoop, kleine mensen en grote ideeën. In “Polaroid Picture”, bijvoorbeeld, zingt hij met weemoed over vervreemde jeugdvrienden en hoe alleen foto’s hetzelfde blijven. De fans kennen en voelen elk woord van elk nummer, en Turner eist dat iedereen meezingt. Het heeft iets van groepstherapie, je even samen schaamteloos overgeven aan emoties die doorgaans ontweken worden. Verdriet om dat lief dat ooit je redding leek, bijvoorbeeld, in “The Way I Tend To Be”, of de wankele hoop dat het ooit echt betert, in “Recovery”.

Niet dat het allemaal traag en triest is. “So that was a song about peace, followed by a song about love. Now let’s cut the hippie crap en play some punk rock”, zegt de zanger, en in “Try This At Home” start hij op z’n dooie gemak een circle pit met z’n akoestische gitaar. “Because there’s no such thing as rock stars / there’s just people who play music / and some of us are just like us / and some of them are dicks”. Het is een intentieverklaring: de man trad gratis op in een jeugdhuis nadat de storm een rampzalig einde maakte aan Pukkelpop 2011, en maakte achteraf ruim de tijd om met aangeslagen fans te praten. Ook nu vraagt hij uitgebreid applaus voor elke technicus, barman, schoonmaker en worstenbakker op het festival, en maakt hij er een punt van om iedereen met een positieve eindnoot de nacht in te sturen. Dat doet hij met de loeiharde kleppers “I Still Believe”, over de reddende kracht van rock ‘n’ roll, en “Four Simple Words”, over punkrockshows, dansen, hoop en liefde.

Als de zaallichten aan gaan speelt “We’ll Meet Again” op de speakers – “don’t know where, don’t know when”. Laat ons hopen dat het niet al te lang duurt, maar tot het zo ver is: gaat nu allen heen in vrede, richting uw tent, kruipt uit uw kletsnatte kleren en slaapt wel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + achttien =