Patrick Brennan / Abdul Moimême :: Terraphonia

“I can’t understand why people are frightened of new ideas. I’m frightened of the old ones.” Gevleugelde woorden van John Cage die centraal op de website van experimenteel gitarist Abdul Moimême prijken. Het gebruikt ervan suggereert meteen dat je van deze artiest geen doorsnee muziek moet verwachten, en dat klopt. Zijn samenwerking met saxofonist Patrick Brennan is al even ongewoon als zijn bedwelmende soloplaat Exosphere die twee jaar geleden uitkwam.

Voor dat album trok Moimême naar het imposante Nationaal Pantheon in Lissabon. Met twee zelfgebouwde gitaren en een hele hoop extra materiaal ging hij op zoek naar de essentie: wat kan je doen met geluid en welke rol kan een specifieke locatie (met een unieke akoestiek) spelen in de totstandkoming, maar net zo goed in de ontbinding van dat geluid? Het album was een hoorspel dat ver weg van de conventies bleef. Het nam zelfs binnen die specialisatie van solowerk een bijzondere plaats in en was een indrukwekkende oefening in het kneden van klank. Dat is een ambitie die hier terugkeert, maar dan wel binnen de context van een duo-interactie. Moimême volgde ooit nog les (tenorsax) bij zijn Amerikaanse collega, met wie hij intussen al twintig jaar bevriend is, en duidelijk die onderzoekende spirit deelt.

Brennans discografie is redelijk beperkt, maar hij ontpopt zich hier wel tot een veelzijdige revelatie, met een brede waaier aan stijlen en een gedisciplineerde benadering van klank, ruimte en stilte. Er zijn een paar passages waarin hij het energiepeil en de densiteit van de muziek sterk omhoog jaagt. Veel vaker blijft alles echter onder controle, reist hij van mijlpaal naar mijlpaal via korte omwegen, met abstracte flarden die afgewisseld worden door ritmische frasen en soms percussieve klanken die al dan niet aanvulling zijn op de ongehoorde klanken van zijn collega. Die bespeelt twee gitaren die op tafels liggen, en dat doet hij gehandschoend met metalen platen, strijkstokken en allerhande objecten. Heeft dat het ene moment iets van een intimistisch gefrunnik, dan klinkt het iets later als bruusk geharrewar in een staalfabriek.

De akoestiek van het Pantheon werd ingeruild voor die van de bekende Namouche studio, maar door een inventief gebruik van micro’s en een grote variatie aan benaderingen bestrijkt Moimême toch een immens terrein. De gitaren zijn op geen enkel moment in deze 64 minuten als dusdanig herkenbaar. Ze kregen een nieuwe bestemming, werden klankgeneratoren vol schurende, schuivende, roterende en wrijvende texturen, die in de galmbak van “Terrafonia” beantwoord worden door Brennan met veelal korte erupties, wringende en ontglippende kreetjes en open ruimtes. Geluid wordt opnieuw iets om naar de hand te zetten, en het heeft hier (en in het verwante “Mycellerate”) ook een zekere rust, een ritualistische openheid.

Elders krijg je combinaties van aanzwellende klanken en staccato-prikken van altsax, terwijl in “Nilch’i . Telespire . Nilch’i” het simultaan bespelen van twee gitaren maximaal wordt ingezet door de twee gitaren ook in beide uiteinden van het stereospectrum te steken. Het resultaat is een soort van auditieve driehoeksverhouding met Brennan verkennend tussen twee dialogerende partners. Als sommige stukken meer nabijheid en intimiteit hebben, met een microfoon die in de beker van de sax lijkt te verdwijnen, dan zoekt het kortere, vuriger “Gotabrilhar” even aansluiting bij een iets meer jazzgerichte sound, al voorkomen de donkere texturen van Moimême dat je ontsnapt aan dit klankenspel. En dat is het ook, want ondanks de air van ernst die doorgaans over dit soort releases hangt, blijft het gevoel van openheid en ontdekking tastbaar. De luisteraar wordt  daadwerkelijk deelgenoot van die fascinatie voor het onbekende, of nog niet verkende, waar Cage al naar verwees.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in