Jeroen Linssen :: Hebzucht

Greed, for lack of a better word, is good (beter gekend als Greed is good) verkondigde fictieve speculant Gordon Gekko ooit in Wall Street. Deze film vertegenwoordigde als geen ander de jaren tachtig en haar kapitalisme. Het blijft een uitstekend drama, maar het waren niet de yuppies die hebzucht als eerste omarmden, laat staan erkenden als deel van de menselijke aard. Hebzucht kent een lange geschiedenis waarbij het als een onlosmakelijk deel van de menselijke natuur en maatschappij erkend werd en misschien niet zozeer als good maar evenmin als een (noodzakelijk) kwaad beschouwd werd.

In Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid wenst de Nederlandse Jeroen Linssen te achterhalen hoe de visie op hebzucht doorheen de voorbije tien eeuwen evolueerde en hoe of waarom het beeld van hebzucht veranderde. Linssens, die als hoofddocent sociale en politieke filosofie verbonden is aan de Radbout Universiteit Nijmegen, gaat daarbij als een ware academicus te werk. Hij respecteert niet alleen de chronologie, maar onderbouwt verder ook zijn visie en these aan de hand van bepaalde denkers. Jammer genoeg neemt de academicus hierbij vaak ook de pen over en dreigt de wetenschappelijke onderbouwing en structuur een vlot verhaal te overschaduwen, met inleidende beschouwingen en afsluitende conclusies die vooral in papers thuishoren.

Inhoudelijk is Hebzucht nochtans interessant genoeg. Zo weet Linssen helder te duiden hoe men in de middeleeuwen worstelde met het principe van rente en winst daar hebzucht niet alleen duidelijk veroordeeld werd in de Bijbel maar ook door de Griekse filosofen die het middeleeuwse denken sterk beïnvloedden. In de twaalfde en dertiende eeuw begon de heersende visie op hebzucht voor het eerst in lange tijd echter te keren (de Romeinen bijvoorbeeld hadden geen probleem met het opleggen van torenhoge rentes, jammer dat Linssen hier niet op ingaat). Het idee dat rente zonder meer zondig was, bleef behouden maar tezelfdertijd zag men ook in dat het verbod niet zomaar gehandhaafd kon worden binnen een veranderende maatschappij (die nood had aan leningen en kredietverschaffing). De introductie van het vagevuur in deze periode zorgde dan ook voor een zekere en gewenste uitweg: woekeraars zouden niet eeuwig branden in de hel, maar na boetedoening vooralsnog in de hemel toegelaten worden.

Die omslag in het denken, zou in de daaropvolgende eeuwen langzaam maar zeker de weg plaveien voor het kapitalistisch denken, al waren er nog tal van hindernissen te overwinnen. De renaissance en reformatie kenden enkele voorzichtige stappen, al bleven humanistische denkers en kerkelijke hervormers sterk vasthouden aan het verleden in een poging hebzucht binnen de maatschappij een plaats te geven. Zo durfde de Italiaanse schrijver Poggio Bracciolini in de dialoog De avaritia een van zijn personages hebzucht te laten verdedigen met steekhoudende argumenten, maar bleef de eindconclusie veroordelend. Johannes Calvijn wordt dan weer ietwat overdreven omschreven als de wegbereider van het kapitalisme, terwijl hij – hoewel gematigd positief – nog steeds grotendeels op dezelfde (afkeurende) lijn van tijdgenoten als Maarten Luther en Thomas More zat.

De keuze voor een aantal relevante of belangrijke stemmen en denkers helpt Linssen om mee het heersende denken aanschouwelijk te maken en de voorzichtige omslag die doorheen de eeuwen langzaam maar zeker optrad. Zat de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino al op de wip, dan volgden andere denkers hem de volgende eeuwen schoorvoetend. De grote breuk kwam er pas in de zeventiende en achttiende eeuw, waarbij het calvinisme zeker een rol speelde samen met de veranderende visie op de mens en deugd. Tot slot ontstond er een nieuwe kijk op de maatschappij: hoe zal het mee de samenleving beïnvloeden? Voor die laatste these steunt Linssen sterk op Michel Foucaults werk rond biopolitiek, wiens opvattingen ook in het hoofdstuk over neoliberalisme opduiken.

Naarmate Linssen dichter bij de huidige maatschappij komt, sluipt er ook meer vaart in zijn boek en wordt duidelijk dat hij zich hier op vertrouwd terrein begeeft. Vormen de middeleeuwen en renaissance nog een terra incognita waarbij Linssen zich (te) sterk beroept op zijn bronnen, durft hij gaandeweg vlotter te schrijven en minder beschrijvend, maar meer verhalend te worden. Is het nog wat zoeken bij onder meer Bernard Mandeville en Adam Smith, dan lijkt hij zich echt in zijn element te voelen wanneer hij na Immanuel Kant en Jeremy Bentham zijn aandacht richt op denkers als Alexis De Tocqueville, Karl Marx en Slavoj Zizek. Hoewel de academicus prominent aanwezig blijft in de manier waarop analyses van bepaalde filosofen (naast Foucault ook Hans Achterhuis) aan bod komen, is er hier ook een andere auteur aan het werk.

Het is helaas een die het grootste deel van het boek verborgen bleef. Dat is dan ook de belangrijkste kritiek die hier op gegeven kan worden. Linssen weet zijn verhaal te weinig boeiend te brengen om de lezer mee te slepen. Hij kiest zijn bronnen zorgvuldig uit en verantwoordt ze, maar tezelfdertijd verbergt hij zichzelf er ook in belangrijke mate achter. Door te hard in te zetten op een academische onderbouwing en verantwoording haalt hij meer dan eens de vaart uit zijn verhaal en dreigt het eerder een geschiedenisles te worden die bezieling mist. Dat Linssen iets te vertellen heeft, is van bij de start al duidelijk en dat maakt het des te jammerlijk dat hij pas in het laatste hoofdstuk echt zijn vertelstem vindt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in