Los Lobos

4 augustus 2019 OLT Rivierenhof, Deurne

Bleven we een beetje op onze honger zitten toen we Los Lobos in 2010 aan het werk zagen zonder Cesar Rosas, dan kon dit concert gelden als een late revanche. Zelfs met intussen meer dan 45 jaar ervaring op de telle,r speelden deze zwaargewichten van de rootsmuziek een concert dat bruiste van meesterschap.

Het was bijna aandoenlijk om ze daar aan het begin van het concert te zien staan. Rosas, Conrad Lozano, Louie Pérez en David Hidalgo. De eerste met zonnebril en bakken cool, de tweede met een ondeugende grijns alsof iemand hem anderhalf uur lang hilarische fart jokes influisterde, de derde een beetje stoïcijns, zoals gewoonlijk eigenlijk, en de vierde met een wat chagrijnige kop (ook zoals gewoonlijk), alsof hij inderhaast weggeroepen was van een BBQ-stel waarop hij net hamburgers stond te bakken voor z’n kleinkinderen. Maar samen zijn ze wel in staat tot zinderende snarenmagie op zowat alles dat snaren heeft, als een meerstemmig balorkest met deugdelijke rock-’n-roll-opvoeding en onvermoeibare polsen en vingers. De band startte in z’n vroege kernbezetting, helemaal akoestisch, een beetje zoals te horen viel op Acoustic en Vivo, een album dat je soms zo op het eerste deel van dit concert kon leggen. Cumbia’s en andere trouwfeestmuziek uit Noord-Mexico, maar gebracht zoals enkel zij dat kunnen.

“Canto A Veracruz” zette de toon voor een ketting van gelijkaardige songs waarvoor het kwartet al snel hulp kreeg van saxofonist/toetsenist Steve Berlin en drummer Enrique Gonzalez. “Let’s party”: het was een simpele, maar efficiënte instructie van Rosas. Wat anders? Het was verdomd moeilijk om onbewogen te blijven bij die feestelijke en muzikale weelde, met Hidalgo als stervocalist (serieus, wat een strot!) én -gitarist die regelmatig ook nog eens een accordeon omgordde. Of Lozano, die driftig plukkend aan de kloeke guitarron de kapotgespeelde klassieker “Guantanamera” opnieuw leven mocht inblazen nadat de band vlak ervoor publiekslieveling “Saint Behind The Glass” (steevast Pérez’ moment om te schitteren) uit het magisch-realistische Kiko — nog altijd hét meesterwerk van 1992, indrukwekkender dan 50 grunge-albums bij elkaar — had gespeeld. Die toetseninkleuring van Berlin had wat ons betreft niet echt gehoeven, maar het is een song die in alle omstandigheden overeind blijft. Breng niemand op ideeën.

Het tweede deel van het concert was elektrisch en werd een lang knetterfestijn van ronkende gitaren, nu en dan onderbroken voor een moment van relatieve rust. Of een dansje. Rosas slingerde de snedige riff van “The Neighborhood” met een gemene doeltreffendheid uit de pols, en de band daverde als een achttienwieler door het park. Snel werd duidelijk dat het zou blijven bij een road trip langs vooral hits en favorieten, want recentste albums Gates Of Gold (2015) en Tin Can Trust (2010) werden compleet genegeerd. Maar wat zou je klagen met het 80’s-kransje “Don’t Worry Baby” (drie gitaren aan de kook gebracht!), “Will The Wolf Survive” en “Shakin’ Shakin’ Shakes”, spierballenvertoon dat geen ergernis, maar onversneden adrenaline opwekte.

“The Valley” en “Chuco’s Cumbia”, beiden uit The Town And The City en met dertien jaar dus de jongste songs op de setlist, vormden de aanloop naar een zo goed als perfecte finale. “Kiko And The Lavender Moon” was het gracieuze antwoord op het kleurenwerk van Diego Rivera, “Georgia Slop” groeide door die moddervette riffs en meepompende baritonsax uit tot niet minder dan een bulldozer (het inspireerde The Seatsniffers ooit ongetwijfeld tot “Since My Baby Left Me”), en door meteen “Mas y Mas” eraan vast te haken, werd de intensiteit bewaard tot de laatste noot. Het voelde aan als een half concert, blijkbaar ook voor de band, maar regels zijn regels. Het publiek werd nog “La Bamba” gegund, maar dan zat het er definitief op. Een klein beetje kniezen omdat tweeënhalf uur ook mooi geweest zou zijn, maar vooral ook door de opluchting. Om de vaststelling dat de knakkers nog geen greintje van hun charme verloren hebben, en dat we daar getuige van mochten zijn. Fantastico!

Wie op tijd was, die kreeg bovendien ook een uitstekende opwarmer gepresenteerd. Een zevenkoppig Eriksson Delcroix liet horen dat de leiders van de band veel meer in hun mars hebben dan country & bluegrass (niet dat dat niet volstaat), want bovenop een classic als “Sand Mountain” lieten ze vooral horen dat ze opgeschoven zijn richting Louisiana, met een paar broeierige lappen cajun en nachtblues. Nog een wasbord erbij en de geest van Clifton Chenier zou opgedoken zijn. Delcroix kirde en bedwelmde erop los, danste als zwarte weduwe een paar frivole dansjes terwijl haar kompanen de ene vintage gitaar voor de andere inruilden (heel even stonden ze er met vier te raggen), een rondje door het publiek maakten of gewoon… indruk stonden te maken. Een sleutelrol was weggelegd voor vader Karl Eriksson, ijzersterk op gitaar, banjo én accordeon, en samen met Roland onze voodooman die het dichtst bij Dr. John in de buurt komt. Het was, kortom, zoals Jim White al eens beweerde: “The South isn’t a place, it’s a state of mind.” En dit was swamp music op niveau. Petje af.


Ten slotte enkel nog de dj (of mixtape) van dienst bedanken. Sir Douglas Quintet, Texas Tornados, Richard Thompson, Townes Van Zandt en veel meer moois als pauzemuziek. We vergaten bijna — bijna — dat we in Antwerpen stonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in