The Lion King (2019)

Sinds een aantal jaar, hebben de Disney studio’s een nieuwe lucratieve bron van inkomsten aangeboord. Om de aanwezigheid in het internationale filmlandschap te maximaliseren, werd de hele catalogus aan animatietitels opengesteld voor live-action remakes. De snel aangroeiende reeks films die dat tot nog toe opleverde, bevatte een paar geslaagde pogingen – “Jungle Book”, “Dumbo” – maar bestond grotendeels uit zielloze kopieën. Met de nieuwe versie van de jaren negentig – favoriet “The Lion King”, lijkt een nieuwe fase te zijn aangebroken: dit is immers geen live-action film, maar opnieuw een pure animatieprent, met dat verschil dat de techniek nu niet langer gebaseerd is op tekeningen maar op fotorealistische met de computer gegenereerde beelden.

Dat de nieuwe “Lion King” in de zalen komt nauwelijks enkele weken na de nieuwe versie van “Alladin” bewijst ook hoe groot de wurggreep wel is die ‘Disney’ heeft op de huidige jaarlijkse filmkalender: niet alleen zijn er de animatiefilms en de herwerkte versies ervan, er zijn ook het ‘Marvel Integrated Universe’ en de “Star Wars” franchise, die ervoor zorgen dat het eigenlijk nagenoeg onmogelijk geworden is om een moment in het filmjaar te vinden waarop de box-office lijsten niet worden aangevoerd door een Disney productie. Die dominante aanwezigheid heeft helaas ook een verregaande uniformisering met zich meegebracht: de meeste films binnen de verschillende reeksen zien er allemaal ongeveer hetzelfde uit, zonder nog enige echt onderscheidende signatuur te dragen. Het is treffend dat “The Lion King” zelfs geen openingsgeneriek heeft: enkel het ‘Disney’ logo volstaat, regisseur (in casu Jon Favreau, nochtans iemand die voor de ‘The House of the Mouse’ ook onder andere reeds “Iron Man” en “Jungle Book” draaide), cast of andere medewerkers zijn eigenlijk van ondergeschikt belang, het publiek heeft genoeg aan de merknaam om te weten wat er gaat komen.

Dat geldt zeker voor de plotlijn van deze remake, die – op wat cosmetische ingrepen na – identiek is aan die van het origineel en dus het Shakespearaanse drama opnieuw opvoert over de jonge leeuwenwelp Simba, die zich verantwoordelijk voelt voor de dood van zijn vader, wegvlucht en uiteindelijk terugkeert naar de savanne om er zijn lotsbestemming te vervullen, de bedrieglijke oom te verslaan die zijn vader doodde en zijn rechtmatige plaats op de troon in te nemen.

Dat het verhaal werkt is ruimschoots bekend, de grote vraag die zich stelt is dus vooral of de prent ook iets nieuws kan aanvangen met het beproefde materiaal. Zoals gezegd gebeurt dat hier niet door met ‘live action’ te gaan werken – net zoals de wereld van de originele prent geschapen werd aan de hand van tekeningen, wordt ook hier het volledige filmische universum gecreëerd zonder dat er in wezen een camera aan te pas komt. Dat de uit pixels opgetrokken flora en fauna er indrukwekkend uitziet valt absoluut niet te ontkennen en “The Lion King” probeert zijn bestaansreden dan ook duidelijk vooral te rechtvaardigen vanuit die optiek. Toch ligt ook daar de achilleshiel van de film: de oorspronkelijke animatiefilm maakte gebruik van geantropomorfiseerde dieren – leeuwen, hyena’s, apen en zelfs het beroemde wrattenzwijn Pumba – die bij de kijker een grote vorm van empathie wisten los te maken – precies omdat de menselijke trekken voor een emotionele draagkracht zorgden. Hoe schitterend het dierenleven in de nieuwe incarnatie ook gerealiseerd is, het is nagenoeg onmogelijk om hetzelfde te doen met realistisch uitziende beesten die eigenlijk enkel hun stem hebben om emoties te communiceren, aangezien er met mimiek of lichaamshouding niet zo heel veel aan te vangen is.  Deze nieuwe “Lion King” is dan ook op zijn sterkst wanneer er enkel picturale kracht vereist is en het drama tweede viool mag spelen: Simba die met zijn vader naar de nachtelijke hemel tuurt of een angstaanjagend moment op het olifantenkerkhof. Zelfs dan echter kan je niet anders dan vaststellen dat de tegenhangers van die momenten uit 1994 minstens even indrukwekkend waren. Eigenlijk zijn er maar een handvol momenten te vinden die écht deze remake rechtvaardigen en een – vooral visuele – meerwaarde bieden: wanneer de kleine Simba zijn thuis ontvlucht en over de duinenruggen van een zandwoestijn dwaalt, levert het spektakel van zijn pootjes die wolkjes van stof en zand doen opwaaien, een grandioos poëtisch beeld op dat inderdaad onmogelijk te creëren was met de technologie die gebruikt werd voor de voorganger.

Die momenten zijn helaas al te schaars en precies omdat de dramatiek veel minder krachtig is, raakt de hele prent behoorlijk uit evenwicht. Vaak lijkt de film zich door de obligate momenten heen te slepen, dit keer met veel minder overtuiging en de dingen die wél werden toegevoegd verergeren het probleem: de veel te lang aanslepende reis in de wind van een stukje vacht is vooral irriterend inzake goedkope ersatz-poëzie en hetzelfde geldt voor de meer uitgebreide scène waarin het komische duo van dienst de Tokens-hit “The Lion Sleeps Tonight” ten gehore brengt: wat de eerste keer spitsvondig en creatief was, wordt nu opgesmukt en overladen met al te veel ballast, wat meteen de samenvatting van de hele film kan zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in