Ruud Koopmans :: Het vervallen huis van de islam

De aan de Duitse Humboldt-universiteit verbonden Nederlandse professor sociologie en migratie Ruud Koopmans was tot vorig jaar grotendeels alleen bekend in wetenschappelijke kringen. Daarin baarde zijn onderzoeksresultaten en opinies mogelijk enig opzien zonder verder veel impact te hebben op het maatschappelijk debat. Toen Koopmans` onderzoek naar fundamentalisme onder Europese moslims, gepubliceerd in Journal of Ethnic and Migration Studies, bekend raakte, kwam de onderzoeker zelf onder vuur te liggen.

De reden hiervoor lag uiteraard voor de hand: uit Koopmans onderzoek zou immers de helft van de bevraagde moslims als fundamentalistisch beschouwd moeten worden, wat voor velen meteen een reden was om de boodschapper zelf aan te vallen. En ook al is het zo dat de vraagstelling al meteen richting een bepaald antwoord gaat, blijft het cijfer nog opvallend hoog. Koopmans zelf was evenwel een van de eerste om op te merken dat de andere helft van de ondervraagden het er niet mee eens is en zich net van dat fundamentalisme afzet. Voor hem alvast voldoende reden om te besluiten dat het probleem niet er eentje is van het Westen tegen de Islam als meer een strijd van verschillende visies binnen de wereldreligie zelf. Het is een nuance die wel eens verloren dreigt te gaan, al mag ook niet ontkend worden dat de socioloog hoogst islamkritisch is en daarbij wel eens een te grove borstel hanteert.

Islamkritisch is ook Het vervallen huis van de islam. Over de crisis van de Islamitische wereld waarin Koopmans kijkt naar de bredere islamitische wereld en hoe zij daarbij met verschillende maatschappelijke problemen en uitdagingen omgaat. Volgens Koopmans, die enerzijds zelf opgroeide binnen de charismatische Pinkstergemeenschap (een fundamentalistische Christelijke stroming) en anderzijds geregeld door moslimlanden reisde en wiens Turkse partner tot een moslimminderheid behoort, blijft onder meer het Westen blind voor een aantal tendensen binnen de moslimlanden. Hierin overheerst een strikte en fundamentalistische visie op de islam steeds meer ten koste van allerlei groepen (vrouwen, homoseksuelen, atheïsten en religieuze minderheden al dan niet islamitisch) en is dat stilzwijgen even tekenend als nefast, in het bijzonder voor die landen in kwestie.

Met de keuze voor de titel verraadt Koopmans al een zekere kennis van de religie want het Arabische Dar al-Islam laat zich verhalen als het `huis van de islam` waarmee die landen bedoeld worden waar de islam heerst (al is onder moslims zelf veel discussie over welke landen er onder vallen). In het kader van het boek interpreteert Koopmans het duidelijk als die landen met een islamitische meerderheid die ook in meer of mindere mate de regering vormen. Daar kunnen zowel landen onder vallen waar de islam geen staatsgodsdienst is (Turkije) als landen waar dit wel het geval is (Saoedi-Arabië). De enige voorwaarde is dat er een (grote/absolute) islamitische meerderheid is. Om te kijken in welke mate de religie een rol speelt en niet andere factoren zoals gemiddelde opleidingsniveau, toegang tot grondstoffen, armoede etc., vergelijkt hij de `islamlanden` op verschillende vlakken met landen die verder vergelijkbaar zijn en bijvoorbeeld eenzelfde percentage armen hebben.

Het getuigt alvast van een correcte aanpak want eenieder zal erkennen dat het, bijvoorbeeld, wetenschappelijk niet correct is om pakweg het drugbeleid in België te vergelijken met de Fillipijnen en daaruit te besluiten dat de staatsvorm alles bepalend is voor het verschil tussen beide landen. Wanneer in de mate van het mogelijke echter alle andere factoren gelijkgesteld worden, dan kan de ene verschillende factor en de rol die deze speelt in onder meer de maatschappij meer uitgekristalliseerd worden. Dat daarbij altijd enige fouten in de data en interpretatie sluipen, is onvermijdelijk, maar Koopmans speelt wel open kaart. Meer zelfs, doorheen het boek vermeldt hij steevast de door hem geraadpleegde bronnen en studies, alsook hoe hij tot bepaalde vergelijkingen komt. Hij pleit er zelf voor dat wie het met hem oneens is, dit ook te kennen mag geven op voorwaarde dat deze ook gebruik maakt van (erkende) data, dan wel aantoont waar Koopmans gegevens niet zouden kloppen.

 

In die optiek is het dan ook opvallend hoe vaak de islam als staatsgodsdienst niet alleen een belangrijke rol speelt maar ook de vergelijking negatief laat uitvallen voor het `islamland`. Of het nu om geletterdheid gaat, democratisering, de plaats van minderheden (religieus, seksuele voorkeur en gender,…) of de economische bloei, bijna altijd komt een islamitisch land er bekaaid van af. Uiteraard is niet elk moslimland automatisch de slechtste van de klas zoals eenieder die wel eens naar of door islamitische landen gereisd heeft, zal beamen. Noch kan pakweg Pakistan zonder meer vergeleken worden met Indonesië waardoor spreken over `moslimlanden` ook al een te grote veralgemening is. Maar volgens Koopmans is het oprukken van fundamentalistische tendensen wel een steeds meer voorkomend en verontrustend fenomeen. Wat onder fundamentalisme verstaan dient te worden, vormt de kern van het eerste hoofdstuk waarin Koopmans ook zijn aanpak verder duidt. Hij maakt nogmaals duidelijk dat hij niet zozeer de islam viseert als wel de manier waarop een bepaalde stroming steeds dominanter wordt in de verschillende landen.

Dat Koopmans met kennis van zaken spreekt en zich breed geïnformeerd heeft, komt in zowat elk hoofdstuk naar voren. Zo geeft hij bij de bespreking van fundamentalisme al meteen te kennen dat de tegenwoordig vaak gebruikte termen wahabisme en salafisme niet zonder meer synoniemen zijn, noch staat fundamentalisme (dat binnen elke godsdienst bestaat) gelijk aan orthodoxie. Een degelijke historische kennis (onder meer over het kolonialisme en de opkomst van industrieën) gekoppeld aan de bekende argumenten die de oorzaken buiten de (interpretatie van de) religie leggen en een kritische reflectie, maken het moeilijk om echte denkfouten in het boek van Koopmans te vinden. De vaak negatieve conclusies ontkennen of Koopmans er op aanvallen, heeft dan ook weinig zin. Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Koopmans zelf mag dan wel weinig op hebben met de moslimstaten, over moslims zelf is hij veel gematigder.

Het kernprobleem ligt volgens Koopmans dan ook bij het feit dat religie en staat niet of nauwelijks van elkaar gescheiden zijn, waarbij bovendien weinig begrip of respect is voor andersdenkenden en minderheden.Tezelfdertijd erkent hij dat islamofobie en islamkritiek te vaak nog met elkaar verward worden waarbij zowel voor- en tegenstanders maar al te graag de ene term gebruiken wanneer er sprake is van de andere (islamofobe uitspraken verhullen zich geregeld als kritiek terwijl fobie geschreeuwd wordt waar sprake is van doordachte kritiek). Het vervallen huis van de islam is islamkritisch en daarbij soms wat (te) scherp, maar het biedt wel veel stof tot nadenken en discussie en nodigt uit tot een eerlijk en intellectueel debat waarbij niet zozeer het Westen, als wel de Islamitische landen zelf uitgenodigd worden om over hun toekomst na te denken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in