Titus Andronicus :: An Obelisk

Of hij nu zit te klooien met rafelige indierock, een uit z’n voegen barstende rockopera of een schijf vol kleurrijk lallende pubrock, Patrick Stickles van Titus Andronicus klinkt altijd alsof hij z’n laatste plaat staat te maken, met z’n rug tegen de muur, waardoor hij altijd kan rekenen op underdog-sympathie. Dat is niet anders op An Obelisk, ‘s mans meest directe en luidst rockende plaat tot nog toe.

Sinds zijn begindagen klinkt Stickles’ band als een zootje dat voortdurend twijfelt over z’n belangrijkste loyaliteit: die aan oer-traditionele Heartland-rock of recht-voor-de-raapse werkmanspunk (dat anarchielogo staat op die website met een reden). Allemaal ideaal voor verhalen over doorsnee kerels met gefnuikte ambities, herkenbare frustraties en te veel emotie waar ze geen blijf mee weten, maar terwijl hij de ene keer doet denken aan het kwade broertje van The Hold Steady, zit het wat later een pak dichter tegen semi-chaotische, net-niet-uit-elkaar vallende herrie van de vroege Replacements. Bij eerste beluistering weinig verheffend, maar wel doordrongen van old school ambacht en integriteit. 

Na een over-ambitieuze, maar bij vlagen briljante dubbelaar (The Most Lamentable Tragedy, 2015) en een rootsy zijstap (A Productive Cough, 2018) waarop de band klonk als een Joe Strummer-project, gaan Stickles & co. nu resoluut voor recht-voor-de-raapse punk-’n-roll, waarvoor ze een beroep doen op veteraan Bob Mould als producer. Dat is een even vanzelfsprekende, als verstandige keuze. Zo’n vijfendertig jaar geleden wist Mould bij Hüsker Dü ook een machtige combinatie te vinden van hysterische hardcore energie en een zak vol fantastische melodieën, en hij is op papier misschien wel de ideale man om Stickles’ adrenaline te kanaliseren.

Dat gebeurt hier met een krachtige golf van potige gitaren die tien songs en een kleine veertig minuten lang razen met een even simpele als efficiënte stuwing. Door de strakke flow en de rondvliegende schuimvlokken voelt dit heel erg aan als een live in de studio-affaire, met songs die haast naadloos in elkaar overgaan, zonder in te boeten aan furie. Het tempo gaat wat op en af, de brallerige onstuimigheid herinnert meer dan eens aan die van nieuwlichters als Shame en Idles. Gaat Stickles een nieuw publiek aangeboren? Misschien toch niet echt. An Obelisk mankeert nog die single, dat universele strijdlied, die hem heavy rotatie op radio en/of tv kan bezorgen.

Nochtans staan de meeste songs er als een huis. In de kop is “Just Like Ringing A Bell” meteen een linkse directe, waarop Stickles, gitarist/oudgediende Liam Betson, bassist R.J. Gordon en drummer Chris Wilson huishouden met een ontketende energie die doorgaans opgeëist wordt door tieners met een teveel aan levenslust en opgekropte woede. Opnieuw klinkt Stickles als een idealist aan het einde van z’n Latijn, wat leidt tot wijdbeense stadionrock in “Troubleman Unlimited” en de beschuldigende kopstoot “(I Blame) Society”, niet zo ver verwijderd van de jonge, bezeten Mould. Het traag beukende “My Body And Me” is dan weer met oo-hoos opgesmukte bluesrock om de kopjes te doen schudden.

Veel energie en goede intenties dus, al kan je er ook niet omheen dat sommige songs met hun duur van 4-5 minuten net te zwaar op de maag gaan liggen. Zo’n “Hey Ma” haalt dan wel uit met een aanstekelijke garagerockriff, maar banjert te lang en te doelloos heen en weer. En dan nog die doedelzaksolo. De laatste band die daarmee weggeraakte, was AC/DC. In 1975. Dan liever het strijdbare een-tweetje van “Beneath The Boot” en “On The Street”, binnen en weer buiten voor iemand the pigs kon bellen. Zoals dat hoort. En dat is ook waarom het slottrio weer te veel van het goede is. Elk apart prima onderdelen voor een raggende riff-a-thon (met “Within The Graviton” dat even opzichtig knipoogt naar “Clampdown” van The Clash), maar in de staart van An Obelisk ook iets te drammerig om die duur te rechtvaardigen, waarmee toch weer blijkt dat zelfs een Stickles die naar de essentie gaat moeite heeft om zichzelf in te tomen.

Een uitgepuurde triomf werd An Obelisk dus niet. Het album bevat iets te weinig hoogtepunten en te veel minuten om van voor tot achter te overtuigen, al wordt dat grotendeels gecompenseerd door de voelbare begeestering waarmee Stickles staat te spelen. Een echt slechte plaat zal de man vermoedelijk nooit maken, maar hij kan wel beter dan dit.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in