Best Kept Secret 2019 :: Band zkt. zanger

Dag Drie

Ah. Nú begrijpen we hoe de programmatie van Best Kept Secret werkt: je boekt de headliners en daarover giet je gewoon bandjes tot het vat op is. En als je podia niet vol raken, dan is het op. Zo ziet de laatste dag van dit festival er toch uit: één podium houdt het al om half zes voor bekeken, andere om acht of tien. En dan: iedereen naar Christine. Het rijmt, het is een slogan, maar voor ons is het: een programma.

Het weer is er naar, de sfeer insgelijks. En dus staan we goed aan de FIVE. Zoekt u een opwindende en opzwepende band voor uw volgende barbecuefeest? Dan moet u zeker eens bij Romperayo informeren. Vanuit het verre Colombia kan het vierkoppige gezelschap niet anders dan zich thuisvoelen in deze global warming. Romperayo heeft zich voorts gespecialiseerd in swingende Zuid-Amerikaanse ritmes waarin de steeldrum nadrukkelijk aanwezig is en het ritme eeuwig heupwiegend. Met deze hitte is zelfs dat soms al een opgave, maar met een drummer als Pedro Ojeca is het van moeten. Voor elk nummer vertelt hij even in welk genre het volgend lied is – een palenquero, een cumbia of een trage cumbia – waarna een “And it goes something like this” volgt. Buiten een occassionele “waah” of “huh” wordt er niet gezongen, al was het goed dat Ojeda ook braafjes de songtitels vermeldde, want zonder hem zouden we dus niet geweten hebben dat ze “Machucha, Millo y Caja”, “El del Mono Rojo” gespeeld hebben, of nog “Que Jue?”. Natuurlijk gaat Romperayo daarmee overtijd. Een balorkest als dit dat onder stoom is gekomen, heeft een lange remweg nodig en dus duurt het ook even voor Belgiës finest helemaal gesoundcheckt zijn en Whispering Sons met vijf minuten vertraging vertrokken raakt.

Whispering Sons @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)

Daarover gesproken: welke mafketel had hier het briljante idee om na dat Zuid-Amerikaanse feestje over te schakelen naar deze doom en gloom? Niet dat het publiek er graten in ziet, want de FIVE puilt uit met dikke vetrollen volk links, rechts en achteraan, en je weet dat de reputatie van dit Limburgs gezelschap hen ook in Nederland is vooraf gesneld. Terecht, want de net als op Pukkelpop in smetteloos wit gestoken Fenne Kuppens heeft opnieuw podiumprésence voor tien.

Kuppens speelt niet de gekwelde zangeres, ze is het gewoon. Ze bokst, ze springt, ze spuwt haar woorden uit. “Got A Light” is een eerste hoogtepunt, waarin het publiek uitgelaten reageert als de frontvrouw dat “How you feeling?” hun richting uitspuwt. Ook “Hollow” en “Alone” laten je verweesd achter, net zoals “No Image” – “I don’t see what they see in myself, I don’t see what they see” klinkt bitter – en wanneer die gierende gitaar van “The Wall” in de rondte begint te cirkelen, bedenk je dat het niet eens zo gek zou zijn als Whispering Sons ooit een Sportpaleis zou vullen. Dit geluid is gemaakt voor groot, groter en grootst. En dan is er “Waste”, als een finale directe linkse. Minutenlang houdt de band alle doorgedraaide intensiteit van vooraf in, terwijl de zangeres haar woorden voor zich uitprevelt en de spanning opbouwt. En dan, in één klap, klets alles over ons heen: een gitaar die woest in zijn eigen staart bijt, die drum die palen naar het andere eind van de wereld heit, een bas die een aanval op je ingewanden pleegt. En boven dat alles: Kuppens met de mantra “I don’t know if I care” die alleen maar kan eindigen met de finale K.O. “I DON’T”. Wij tegen het canvas, zij de zegepalmen. Best Kept Secret gewonnen. Wacht maar, want deze corrupte jury kan altijd weer door iemand anders overtuigd worden.

Stephen Malkmus & The Jicks @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)

Zal dat in de TWO zijn, waar Stephen Malkmus & The Jicks net begonnen is? Blijf vooral bij ons. De dagen van Pavement leken tot de aankondiging van een reünie volgend jaar even voorbij, maar Malkmus bleef altijd een productieve songschrijver die van genietbare rock met catchy refreintjes zijn ding maakte. “Bike Lane”, dat vroeg in de set zit, durft zelfs wat de maatschappijkritische richting uit gaan – “Another beautiful bike lane, the cops, the cops that killed Freddie / Sweet young Freddie Gray / Got behind him with the trenchant / And choked the life right out of him” – gaat door merg en been, en is meteen een eerste hoogtepunt.

Niettemin begint het ene lied op het andere te lijken en dat is op zo’n laatste festivaldag dodelijk. Verveling slaat toe, aandacht verslapt en we worden al niet geholpen door een beleefde Malkmus, die na bijna iedere song een braaf “dankuwel” declameert – dertig jaar internationale carrière leert je wel je talen. En hij grijpt meteen ook nog even terug naar ouder Jicks-werk als “Stick Figures In Love”. Benieuwd of die Pavementterugkeer volgend jaar Hilvarenbeek haalt.

De vibe daarna is die van “fun met vrienden”, maar onderschat Caroline Rose niet. Twee platen lang was ze de triestige countryplant, vandaag haalt ze haar inspiratie liever bij de Stella Donelly’s en Courtney Barnetts van deze wereld. Op derde album Loner vond de Amerikaanse zichzelf opnieuw uit als indierockster en dat ligt duidelijk veel dichter tegen het wezen van de immer in rood uitgedoste juffrouw. “Everybody’s Making Out” zingt ze als opener, en ze draait met guitige blik een vrolijke pirouette. “More Of The Same”, over al maar meer eenvormige hipsterfeestjes, bouwt op naar een heerlijk refrein; het orgeltje eronder barst van de zwierige pret. Zo ziet ook Roses toetseniste er uit, en alsof de frontvrouw dat heeft geroken, spreekt ze haar publiek streng toe. “Music is a serious business. No smiling. No laughing. No dancing.” En wanneer iemand die richtlijnen toejuicht: “NO CHEERING!”

Even later zijn die beperkingen echt, wanneer Rose besluit “Getting To Me” in de demoversie te brengen. “Ik heb nogal de neiging trieste songs te schrijven die de band vervolgens verandert. Nu is het mijn job om jullie ongelukkig te maken.” We begrijpen Rose wel. Ze is al bijna twee jaar onderweg met de songs van Loner en dan – hoe leuk ook – gooi je de boel graag eens om. Toch: geef ons maar het tierelierende orgeltje van “Soul” of de stommelende, schurende surfpunk van “Money”, dat halverwege wordt stilgelegd om de band collectief een blikje bier te zien binnen klokken. “I might throw up right now”, geeft de zangeres toe, en de bassist krijgt een spontane zangstonde voor zijn verjaardag. Meer gekkigheid? “Een bijzonder liedje” volgt, “want jullie zijn de mooiste band – euh, publiek, ik was even aan het projecteren.” En ze blaast haar kazoo aan voor een impromptu en massaal meegebrulde versie van “My Heart Will Go On”.

Yup, het is dat soort show, maar dat mag, want Rose en groep weten ook wanneer het genoeg is geweest. Een vlammende terugkeer naar “Money” brengt ons opnieuw bij de les en we zijn vertrokken voor de laatste rechte lijn. In het punky “Bikini” balt ze al haar frustratie over de platenindustrie – “Why don’t you put on this little bikini, and dance!” – en dan gaat het richting einde met “Talk”, dat (om eerlijk te zijn) een flauw puntje aan dit uitroepteken was. Caroline Rose – vorige week nog een onbekende – heeft zich aan een rotvaart ons hart binnengeknald.

Liz Phair @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)

Heeft Liz Phair Europa een carrière lang genegeerd, of waren wij het die de singer-songwriter/rockster nooit zagen staan? Feit is dat de Amerikaanse in haar thuisland een iconische status als feministische voortrekker heeft, en bij ons een nobele onbekende is gebleven. Zesentwintig jaar na de release van haar doorbraakalbum Exile In Guyville, blijft het echter moeilijk om in deze K’s Choicerock veel opzienbarends te horen. Dit is sub-Melissa Etheridge-geneuzel dat vooral gedateerd aanvoelt, en ook nauwelijks mensen naar het hoofdpodium weet te lokken. Dan maar een flardje Lucky Fonz III meegepikt, die op de FOUR een uurtje ‘Hollandse meesters’ komt draaien. Wat leuk had kunnen zijn – Boudewijn De Groot! Golden Earring! – werd irritante gabber en happy hardcore. Tja, kijk, en dan maar klagen dat Nederland zo’n treurig cultureel imago heeft in het buitenland. Zelf gezocht, jongens.

Is hij nu vals bescheiden, of had hij écht niet gedacht dat er mensen bestaan die tropische temperaturen op een strand trotseren voor hem? Kurt Vile lijkt alleszins verrast als hij het podium opkomt, terwijl het publiek blijft toestromen. Nu is de voormalige War On Drugsgitarist nooit een tafelspringer of een haantje-de-voorste geweest. Niet dat hij niet weet waar hij heen wil als muzikant, want hij levert toch al enkele albums lang constante kwaliteit, maar laat dat nu net zijn waardoor dit concert ietwat rammelt. Vile laat bijna geen enkele foute noot horen, neuzelt zijn teksten zoals op het album, en ramt af en toe een knoert van een gitaarsolo uit zijn gitaar. Er valt werkelijk geen slecht woord over te zeggen, maar een mens wordt er ook niet echt wild van. Strak banjogetokkel in “I’m An Outlaw”, daar niet van.

Kurt Vile & The Violators @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)Na een kwartier is Vile nog altijd niet bekomen van de publieksopkomst. Met een verwonderde “Well, look at that” zet hij “Bassackwards” in, waar hij zichzelf verliest in goed gitaarwerk, maar iemand had hem moeten waarschuwen dat negen minuten toch wel wat veel van het goede is: het nummer sleept zich zowaar naar het einde toe. Neen, dan liever die verschroeiende versie van “Check Baby”, die met een loeiharde en nijdige solo het strand wordt opgegooid. Waarna het concert zich opnieuw verdersleept, en de gezapigheid begint te wegen op de toevallige, nieuwsgierige festivalganger die geen die-hard Kurt Vile fan is. Wie met zo’n portie laidback op een tropische zondagmiddag wil scoren, moet toch van iets betere huize zijn. Daar kan zelfs radiohit “Pretty Pimpin’” niet aan verhelpen.

Dit is een festival, Kate Tempest beseft dat, en dus pakt ze het anders aan dan eerder deze maand in de Botanique. Twintig minuten lang krijgen we alles waar we de dichteres zo voor in de armen sloten. “Europe Is Lost”, trapt ze af, en ze stelt de diagnose van dit oude continent. “The waterlevel’s rising”, alarmeert ze, “Shh, no one likes a party pooping spoil sport.” En ze schampert verder: “England! England! Patriotism! And you wonder why kids want to die for religion?” In “Circles” gaat het debiet omhoog: dit is woordenbravado die zich met de beste rappers kan meten. In “Ketamine For Breakfast” mist ze even een beat. Even vertoont het immer ernstige, vaak grimmige gezicht een glimlachje. En ze herpakt zich.

“Dit was mijn uitgestoken hand naar jullie. Nu wil ik iets anders doen.” Binnen twee weken brengt Tempest immers een nieuwe plaat uit, en dat met Rick Rubin opgenomen The Book Of Traps And Lessons belooft iets helemaal anders. De beats vallen weg, de begeleiding wordt minimaal, en de teksten persoonlijker: “Our leaders are not even pretending not te be demons anymore / So why not go indoors”. Weg met de politiek, hier met het zelf, maar natuurlijk botsen de twee. “The racist is drunk on the train. The racist is drunk on the internet. The racist is drunk at my dinner table.”

Het waren moeilijke jaren voor Tempest, jaren van eenzaamheid, en struikelend de liefde opnieuw ontdekken. “She offered a peace my war didn’t want”, zal ze op dat nieuwe album vertellen. Vandaag staat ze er met de overtuiging van iemand die vrede met zichzelf heeft, en iets ontdekt heeft over het leven. “Life is performance and vanity”, hekelt ze onze sociale media-obsessie, maar het is in het oude gedicht “Hold Your Own”, dat nu pas op plaat zal verschijnen, dat ze zich helemaal tot predikante ontwikkelt. “Know the wolves that hunt you / In time, they will be the dogs that bring your slippers”, houdt ze voor in iets dat lijn per lijn meer op een gebed lijkt, een bezwering. En dan, drie keer met stijgende onderlijning: “Happiness – the brand is not happiness.” Want “je bent slimmer dan de marketeers denken dat jij bent”.

“The lessons will come again if they are not learned today”, gaat “Lessons” een paar nummers verder. En toch eindigt het in het mededogen van de Brexitballad “People’s Faces”. “The whole farce is coming apart”, stelt ze vast, en toch “there’s so much peace found in people’s faces. I love people’s faces.” Het is de knuffel die de laatste weerstand breekt. Rond ons zien we tranen. Wij? Gewoon even een stofje, meneer; u kent ons. Na de gut punch van Julien Baker en de mokerslag van Whispering Sons is het de derde keer dat we dit festival even naar adem moeten happen. We gaan even een half uurtje bekomen ergens, we zijn zo terug.

Ondertussen bij (kvp) en The Raconteurs. Niets gezapigheid meer als bij Kurt Vile, deze band brengt zijn rechttoe-rechtaanrock met een genadeloze “take no prisoners”-benadering, zonder franjes of tierlantijntjes. Het is luid, in your face en passeert aan een duizelingwekkende rotvaart. De verwachtingen zijn natuurlijk niet min, want Jack White komt niet alle dagen op bezoek. Later deze maand komt er ook nog een nieuw album aan, waarvan we tot nu toe alleen “Bored And Dazed” te horen kregen, en ook live is dat een ferme trap in de kloten. Voor velen zijn The Raconteurs “die groep van Jack White”, maar onderschat Brendan Benson niet: zonder hem minder nuance in het Raconteurs-geluid. Zijn stem ligt aangenamer in het gehoor, en zijn songs zijn melodieuzer. Een aangename pauze in het soms wat verzengende, overstuurde geluid dat White zo graag uit zijn gitaar haalt. Al is het dat waar de fans voor gekomen zijn: van zodra hij de overhand neemt, schuurt, snokt en stuitert het alle kanten uit. Al kan White ook subtiel zijn, getuige “Somedays (I don’t feel like trying)”, waarmee hij de tent stil krijgt, en waarin we horen hoe goed hij bij stem is.

Omdat dat nieuwe album dus nog niet officieel ‘uit’ is, horen we voornamelijk ouder werk, zoals “Level” of nog “Old Enough”, dat laatste een zeldzaam country rustpunt in wat voor de rest een rockshow pur sang is. Waar het bij Vile allemaal wat langer blijkt te duren dan in werkelijkheid, gaat het bij The Raconteurs als een rotvaart voorbij; “Now that you’re gone” is nog zo’n voorbeeld van hoe het nummer al over and out is vooraleer je het goed en wel beseft. En in “Together” gooit White er alwaar zo’n signature gierende solo achteraan. De fans smullen, het publiek buiten de tent is enthousiast. En natuurlijk mogen “Many Shades of Black” en “Steady As She Goes” als afsluiters niet ontbreken. The Raconteurs: de schop in de kont die Best Kept Secret vandaag nodig had.

Het programma van de SEVEN is ondertussen verlengd. Met een brass band. We geven het maar even mee, en we bollen uit, want de popmeisjes nemen het vanaf nu over.

Carly Rae Jepsen @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)

Of dat is toch wat de organisatie van Best Kept Secret had gewild. Als was die in de leer geweest bij Pukkelpop, koos ze er voor om het nieuwe geweld door de strot te rammen van een ouder publiek. Te vuur en te zwaar verdedigde het vooraf zijn keuze om popprinses Carly Rae Jepsen naar Hilvarenbeek te halen, het publiek stemt met zijn voeten. Dit mag dan de eerste Nederlandse passage van de Canadese zijn, slechts een kluit gelovigen rept zich naar het hoofdpodium om zich te onderwerpen aan de oh zo vernieuwende eightiespop.

Want neen, het maakt weinig indruk wat in de Verenigde Staten als een zo moedige heruitvinding wordt verkocht. Jepsen brengt flutpop met plastieken synthklanken en doet dat zo fris als je na tien jaar in die business nog kan: met (venus)heuveltjes van Milka op de plastieken overgooier geplakt. En ja, voor “Call Me Maybe”, dat al vrij snel wordt gelost, duikt plots meer uitzinnig volk op, en dat blijft ook een puike pophit, maar zijn er voor zo’n noveltyacts echt geen betere plaatsen denkbaar?

Donkere wolken pakken zich ondertussen samen boven de Beekse Bergen. Als de geruchten die we horen kloppen zou dat wel eens metaforisch kunnen zijn, maar voorlopig is het vooral harde realiteit: het zou wel eens heel erg lelijk kunnen gaan doen. “Oh neen, regen! En ik wou zo graag dansen!”, zucht een meisje binnen hoorbereik. Ze heeft pech. De FIVE puilt niet gewoon uit voor Lizzo, dit is een broek waar vijf knopen in één knal van springen: iets met “het past écht niet, hoe hard je ook probeert”. Want welke hansworst heeft in godsnaam gedacht dat een van de heetste zwarte sterren het best in de minieme FIVE staat? Buiten staan mensen op de tafels om toch maar een glimps van de gloedvolle R&B-Queen te zien, binnen moeten de rijen volk bij afspraak om beurten ademen.

Maar het is de moeite. Lizzo is de vleesgeworden sass en in het drielandenpunt tussen rap, soul en funk houdt ze audiëntie. “Best Kept Secret! It really is!” kraait ze ter introductie. En ook “Flash your tits!” Mompelt (lt) naast ons: “Nou neen, dat ga ik toch niet doen”. Oké dan. Genoeg te zien op het podium om niet te mopperen. Er zijn twerkende danseressen, een DJ die mee movet, en pontificaal daartussen: de zangeres zelf, gehuld in een Nike-hemdkleed en een gigantische witte Bridget Jones-onderbroek.

Vleesgeworden sass? Het zelfvertrouwen in persoon is ze ook. “I am your cult leader tonight”, schreeuwt ze, en zo voelt het ook. Lizzo is een icoon van body positivity dat haar volgelingen aanmaant niet verder te zoeken voor een soulmate dan bij jezelf. “I am my inspiration”, zong ze al. En dat trage nummers voor “Skinny hoes” zijn; dat stukje “No Scrubs”-cover ten spijt, mag het vooruit gaan. Lizzo is geen soulballadeer, maar een feester. “Boys” drijft op een Rapture-gitaartje, “Truth Hurts” heeft een huppelend pianootje dat uit de bruidsmars komt gekropen. En zo is het altijd wel wat: een uur lang houdt Lizzo ons geboeid, doet ze ons shaken. “Overal waar ik kom, belandt dit nummer op één”, kondigt “Juice” aan. “Nederland, laat maar zien wat het wordt!” Het heeft iets van uitbundige, cheezy campingdisco, maar geen hond die daar over valt. U danst zich een delirium.

“I remember this place!” Chris – “We have no time voor the –tine And The Queens anymore!” herinnert zich de vorige passage van Christine And The Queens op dit strand nog goed. Toen regende het, en dansten wij allemaal als “Broken Beyoncés”. Vandaag is Héloise Letissier een ster, met een straffe tweede plaat onder de gordel, en een show die daar bij aansluit. Kosten noch moeite – die opkomstscene! Die geweldige manier om pyrotechnics eens rustiger maar zoveel indrukwekkender te gebruiken! – zijn gespaard om een spektakel te brengen, en dat wordt het dan ook: bij wijlen meer musical dan concert, maar immer fascinerend.

Daar is de figuur van Letissier verantwoordelijk voor. Voor haar geen rol als afstandelijke superster, ze is een benaderbare, spontane babbelaar die in soms iets te lange monologen haar songs en ideeën uiteenzet. En altijd is er een soort guitigheid die getuigt hoe hard ze hier van geniet. Wanneer ze haar optreden tot “free zone waar niemand oordeelt” uitroept zet ze dat kracht bij met een gespeeld streng “I mean it”. Terwijl ze in een klimtuig kruipt om “Saint Claude” van ergens in de nok van het podium te brengen, vertelt ze dat ze moet uitleggen hoe ze tot dat nummer kwam toen ze een man zag worden uitgelachen: “It has a context. It is contextualized.” En dat de hoogte opzoeken haar vorm van moed tonen is. Dit is Christine: nog altijd een mens, met een klein hartje. Dat is ook waar de donkere Mezzaninetriphop van “What’s-Her-Face” over gaat, over een verleden als gepest meisje.

Dat was toen. Vandaag is Héloise Chris. “I’m out!” roept ze uitbundig. Daar ging die laatste plaat dus over: seksuele appetijt die in alle richtingen verkend wordt, goesting die zijn weg zoekt, want dat ook in een vrouw een kleine macho kan schuilen. Dat zie je het beste wanneer haar muziek de meest funky tour opgaat, en zij en haar dansers choreografieën brengen die een constant spel van stoer poseren, aantrekken-en-weer-afstoten opvoeren. “What must a woman do?” vraagt ze almaar geïrriteerder, en ze bedoelt niet “is het nu stofzuigen of koken?” maar wel: “mag ik ook eens, ja?”

En toch schort het net als enkele jaren geleden nog wat aan flow en opbouw vóór Christine And The Queens echt helemaal het popzenith zal bereiken. Daarvoor halen storende tussenstukjes op flarden Luniz of Janet Jackson de vaart uit de show, en is het te jammer dat ze er voor kiest om haar songs in de Engelstalige versies te brengen. Dat ze zich ook mispakt door “Heroes” van Bowie a capella te willen brengen? Een beetje vertillen mag, zolang je er maar van leert. Erger is dat gaandeweg blijkt dat de goeie songs op zijn, en het uiteindelijk het weinig beklijvende “Intranquilité” is dat de show op een sisser doet eindigen. Hoe indrukwekkend bij momenten dus ook, we hebben minstens nog een plaat van het niveau Chris nodig voor dit echt een onweerlegbare headliner wordt. Nu liet het ons net dat tikje te veel op onze honger.

En zo is het gedaan, die “Zonnige editie van Best Kept Secret met iconische artiesten en nieuwe area’s”, zoals een euforische perstekst het nog tijdens het concert van Christine And The Queens betitelt, die daarmee handig om alle controverses heen fietst. Want die waren er. De verschuivingen mochten de laatste jaren dan al merkbaar zijn, de zevende aflevering van dit festival was degene waarin de foute tendensen plots pijnlijk zichtbaar werden.

Sfeer @ Best Kept Secret 2019 (© Timmy Haubrechts)

Best Kept Secret lijkt de laatste jaren afgeweken van zijn beginmissie, en de strijd met Down The Rabbit Hole om het aangenaamste boutiquefestival te zijn opgegeven te hebben. Aan alles voel je dat dit een eerder doorsnee festival aan het worden is, dat inzet op feestjes en entertainment, draait om consumptie – of waarom mag zelfs geen van thuis meegebracht water in herbruikbare fles binnen? –, waar de muziek minder centraal staat dan voorheen. De beslissing om de THREE tot DJ-booth om te vormen was daar het meest zichtbare deel van, met als gevolg dat wie voor de muziek kwam marathons pendelde tussen de TWO/ONE en de afgelegen FIVE. Het zorgde ook ronduit voor capaciteitsproblemen bij Whispering Sons, Shame en Lizzo, voor wie de tent meerdere maatjes te klein was.

De SEVEN leek dan weer een doekje voor het bloeden. Op zich is het lovenswaardig om meer experimentele muziek een kans te geven, maar zo contextloos stonden veel bands daar ofwel verloren – wat heb je aan een ambient-middag wanneer je dag rond popmuziek draait? – ofwel alweer veel te klein behuisd – Shhht?, anyone? Her en der hoorden we overigens dat het festival het financieel moeilijk heeft, dus dan is het al helemaal gek dat almaar op uitbreiding wordt ingezet, in plaats van enkel de corebusiness van zeven jaar terug opnieuw goed in te vullen. Zullen we dat anders eens doen, volgend jaar, Best Kept Secret? Gewoon back to basics gaan?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in