Finn Andrews :: 16 mei 2019, Minard Schouwburg

Alsof alles met The Veils maar een vingeroefening was. Zo sterk toonde Finn Andrews zich op de openingsavond van zijn Europese solotour.

“The Veils? Ik weet het echt niet wat daar nog mee gebeurt. Ik heb het gevoel dat deze plaat een lang leven voor zich heeft, en dat wil ik eerst uitzien”, vertelde Finn Andrews ons onlangs. One Piece At A Time, ’s mans recente solodebuut was toen net uit, en liet een gerijpte songschrijver horen die een milder, genuanceerder geluid had gevonden dan de rauwe rock van zijn gewoonlijke bezigheid. Als het nog Nick Cave was, dan meer The Boatman’s Call dan From Her To Eternity, maar in elk geval was het één van de platen van dit nog altijd niet halverwege zijnde jaar.

In de Minard wordt het nog beter. Met een vijfkoppige band achter zich, tilt Andrews de songs boven hun plaatversies uit. Met dank aan het strijkerstrio rechts, waarin vooral violist Dave Khan uitblinkt. Hij is het die “Stairs To The Roof” van een prachtige melodie voorziet, zijn solo in “Al Pacino/Rise & Fall” is een klaaglijk lamento voor al de vormen van liefde die de frontman bezingt.

Andrews, nochtans vief en bevlogen spelend, is nog altijd geen prater, maar dat moet niet. Dat hij blij is dat hij zijn tour in zo’n mooie zaal mag starten, benadrukt hij. En dat “you are lovely and quiet. I fear you. I love you and I fear you.” Maar verder? Laat de muziek maar primeren. Een van The Veils geleend “Birds”, bijvoorbeeld, dat met zijn begrafenisdrums in Leonard Cohensfeer baadt, of een “Don’t Close Your Eyes” en “Love What Can I Do”, waarin de zanger zijn beste croon bovenhaalt. Het zijn songs die drijven op de warme klanken van zijn piano, zodat de rest van de band soms pas halverwege echt vandoen is. Geweldig ook hoe Andrews het walsje “A Shot Through The Heart (Then Down In Flames)” laat openbloeien.

Er is genoeg oud Veilsmateriaal voor de fans, die op de devotie afgaand negentig procent van de zaal uitmaken. “Swimming With The Crocodiles” wordt netjes in het nieuwe geluid geperst, de dreunende intro van “Axolotl”, één en al pianobrutalisme, moet eventjes onderbroken worden, maar Andrews pakt het nummer meteen opnieuw beet. In “Not Yet” zitten spaghettiwesternstrijkers de zanger genadeloos op de hielen.

Het zinderende slotakkoord is echter eentje uit die nieuwe solocarrière. Het aftelrijmpje “One By The Venom” wordt een dolle rit, alweer aangedreven door die nimmer aflatende viool, en moet wel eindigen in een puntig uitroepteken. Bissen kunnen enkel zijn wat ze eigenlijk altijd zouden moeten zijn: een toegift, wat extra. Een mooie pianoversie van het heel vroege “The Tide That Left And Never Came Back”, bijvoorbeeld. “Op één of andere manier blijf ik altijd op dat nummer terug komen”, stelt de zanger verbaasd vast. En hij gooit er op algemeen verzoek nog een “Lavinia” en een “Sit Down By The Fire” tegenaan.

Hij houdt het daarbij, maar hij en het publiek weten dat dat niet moest. Er is nog meer schoons te vinden waar die twee Veilsnummers vandaan kwamen. En toch voelt het alsof dit nieuwe hoofdstuk geen zijsprongetje wordt, maar op zijn minst een parallel pad dat de zanger zal blijven bewandelen. En dat is maar goed ook. Want eventjes, héél eventjes, toen Andrews in dat brute “Axolotl” dubbelgebogen aan de rand van het podium stond, dachten we nog eens aan Nick Cave. En aan Tom Waits. Het klopte. Geef het nog even, maar ooit neemt Finn Andrews zijn plaats tussen de groten in.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in