Michel Foucault :: Geschiedenis van de seksualiteit I-III

Weinig naoorlogse filosofen hebben zozeer hun stempel gedrukt op het hedendaagse denken binnen bepaalde disciplines van de zogenaamde humanistische wetenschappen als Michel Foucault (1926-1984). Foucault die ongetwijfeld een van de bekendste namen binnen het structuralisme is (en zelf die benaming verwierp), zou in het bijzonder samen met het poststructuralisme (waarmee hij eveneens geassocieerd wordt en dit mee beïnvloedde) opkomende disciplines als genderstudies, postkolonialisme en dies meer bepalen.

altDe reden dat Foucault voor deze studies zo een belangrijke invloed zou vormen, hangt in belangrijke mate samen met het werk dat hij in het bijzonder sinds de jaren zeventig uitbracht. Waar hij in de jaren zestig met studies als Folie et Déraison: Histoire de la folie à l’âge classique (1961, Geschiedenis van de waanzin) en Naissance de la clinique (1963, Geboorte van de kliniek) zich nog richt op conceptuele systemen en waarheid, waarvoor hij de term épistémè ontwikkelt, verschuift zijn denken steeds meer naar het machtsdenken zonder dat er van een echte breuk sprake is. Het is eerder zo dat Foucault zijn zienswijzes verder uitbreidt en meer elementen opneemt in zijn analyses.

Die verschuiving in aanpak, wordt duidelijk met het verschijnen van Surveillier et punir: naissance de la prison (1976, Discipline, toezicht en straf: geboorte van de gevangenis), een werk dat na twee eerder algemene studies (Les mots et les choses, 1966 en L` archéologie du savoir, 1969) opnieuw een specifiek thema als uitgangspunt neemt om een breder verhaal te vertellen. In navolging van Nietzsches genealogische methode wil Foucault zich richten op de ontstaansgeschiedenis van begrippen en hoe dominante discours in belangrijke mate de maatschappij vormgeven. In Discipline, toezicht en straf bekijkt hij hoe de maatschappij de laatste eeuwen (sinds de Verlichting) zich steeds meer focust op discipline en `normalisering` waarbij gewerkt wordt met keurslijven.

In het eerste deel van wat een meerdere delen omvattend werk moet worden, hanteert (de homoseksuele) Foucault deze methodiek en denken voor een analyse van de seksualiteit. In Histoire de la séxualité I: La volonté de savoir (1976, Geschiedenis van de seksualiteit: de wil tot weten) bouwt hij dan ook verder op zijn eerdere analyse en introduceert hij de term biopolitiek waarmee zijn aandacht uitbreidt van de controle over het individu naar die op de maatschappij. In dit eerste deel, zo betoogt Foucault, is seksualiteit pas relatief laat een studieonderwerp geworden waarbij alle mogelijke `perversies` de aandacht verdienen. Net als in zijn vorig boek beschouwt hij macht overigens niet louter als contraproductief, in die zin dat het net door de afwijkende norm te bepalen, deze ook kan bestuderen en analyseren.

In De wil tot weten tracht Foucault minder overtuigend dan in Discipline, toezicht en straf zijn genealogische methode toe te passen en daarbij een definitie van seksualiteit binnen die analyse te vinden. Hoewel er zeker relevante bedenkingen opduiken onder meer over hoe seksualiteit ook gebruikt kan worden om in te grijpen op vruchtbaarheid, nataliteit en mortaliteit, dreigt hij in een doodlopend straatje te belanden. De manier waarop het denken over seksualiteit zich steeds meer focuste op handelingen die niet gericht zijn op voortplanting en coïtus en perversiteiten en gedefinieerd werden (het overkoepelende begrip sodomie verdween) vormt een interessante piste. Ook het feit dat de medicalisering net een vorm van controle werd waarbij niet de staat van bovenaf de normen oplegt, maar deze van `onderuit` laat ontstaan. Al biedt dit weinig grond voor een echt diepgaander onderzoek.

Dat het uitgangspunt niet zou leiden tot de oorspronkelijk meerdelige studie, werd Foucault in de volgende jaren dan ook steeds duidelijker. In 1984 publiceerde hij immers zowel Histoire de la séxualité II: L’Usage des plaisirs (Geschiedenis van de seksualiteit II: Het gebruik van de lusten) en Histoire de la séxualité III: Le Souci du soi (Geschiedenis van de seksualiteit III: De zorg voor zichzelf) waarin hij zijn vorige uitgangspunt grotendeels achter zich laat en zich focust op hoe het individu zelf met seksualiteit omgaat en zijn (het betreft bijna louter mannen) handelen daar naar richt, alsook op welke morele gronden hij dit gedrag vorm geeft. De bijna exclusieve focus op mannen en de morele visie, hangen in niet onbelangrijke mate samen met het feit dat Foucault terugkeert naar de klassiek Griekse en oud-Romeinse maatschappij.

Voor de beide delen maakt Foucault in de eerste plaats gebruik van overgeleverde manuscripten en werken waarbij hij in bijzonder op zoek gaat naar hoe seksualiteit en het eigen lichaam hierin aan bod komen. Beide delen zijn lijviger dan het eerste deel waarbij vanuit verschillende invalshoeken seksualiteit bekeken wordt en hoe de verhoudingen tussen de vrije man en de andere, zijnde vrouwen, kinderen en slaven van beiderlei geslacht gedefinieerd worden. Opvallend hierbij is dat voornamelijk de rol van de man hierin belangrijk is en meer in het bijzonder hoe zijn gedrag op seksueel vlak ook verbonden is met de rol die hij binnen de samenleving (polis) opneemt. Om dit verder te duiden, neemt Foucault verschillende begrippen en definities onder de loep en verbindt hij de plicht van het vrije individu ten overstaan van zichzelf en de samenleving met de beleving van seksualiteit.

In beide delen wordt over seksualiteit in onder meer morele en gezondheidsnormen gesproken. Vooral over hoe dit een vrij man kan beïnvloeden en hoe anderen hem zien, en niet welk gedrag op zich als `pervers` zou omschreven worden. Zo is het bij de Griekse denkers in de vierde eeuw voor Christus vooral belangrijk dat een man controle heeft over de eigen lusten. Enkel wie zichzelf onder controle heeft kan ook binnen de polis een positie van controle over naderen bekleden. Daarenboven zou onnodig zaad verspillen eveneens gevolgen hebben voor de gezondheid. Bovendien behoort een man steeds de actieve partner te zijn waardoor bepaalde seksuele handelingen uitgesloten worden, omdat dit hem zou reduceren tot een passieve ontvanger. In het Rome van de tweede eeuw na Christus ziet Foucault voorzichtige verschuivingen in het denken, zij het dat deze meer samenhangen met veranderingen in de maatschappij (van stadsstaat tot imperium) en de rol en positie van de man daarin, dan in een echt veranderde opvatting over seksuele handelingen op zich.

Het tweede en derde werk zijn niet alleen veel historischer van aard dan het eerste, maar tonen ook een andere denker. Ongetwijfeld mee beïnvloed door zijn laatste levensjaren, richt Foucault zich steeds meer op de subjectiviteit van het individu waardoor ook zijn analyses een andere wending nemen. Dit betekent echter niet dat hij in deze laatste fase zijn oude principes verlaten heeft, maar eerder dat hij een nieuwe uitdieping van thema`s als kennis en macht onderzoekt. Het is dan ook jammer dat zijn vroege dood hem de kans ontnam deze fase in zijn denken verder uit te diepen, in het bijzonder omdat hij zich in zijn Geschiedenis van de seksualiteit nog steeds als een begenadigd schrijver en denker toont.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in