Steve Brusatte :: De opkomst en ondergang van de dinosaurus

Toen Jurassic World in 2015 verscheen, was het enthousiasme ervoor in niet onbelangrijke mate te danken aan het succes van het in 1993 verschenen Jurassic Park. Dat er ook nog twee sequels volgden, leek wel uit het collectieve geheugen verdwenen. Vanuit academische hoek was het enthousiasme voor de film uit 2015 echter een pak gematigder dan bij zijn voorganger uit 1993. Waar die eerste zich beriep op de laatste ontwikkelingen en ontdekkingen, en dus nog enigszins wetenschappelijk accuraat was, gold dit voor Jurassic World al een pak minder, met misschien als belangrijkste bedenking dat de voorgestelde dinosauriërs geen veren hadden.

Was het besef dat wat ooit als machtige, maar ook domme en logge reptielen beschouwd werden in feite warmbloedige voorouders van de vogels waren al baanbrekend te noemen, dan is het idee dat dinosauriërs al vroeg een vorm van veren hadden dat al evenzeer. In het knappe De opkomst en ondergang van de dinosaurus. Het meeslepende verhaal over de oerbewoners van onze aarde staat paleontoloog Steve Brusatte uitgebreid stil bij onder meer deze ontdekking en hoe ze steeds vaker gestaafd wordt door niet alleen nieuw gevonden fossielen en bewaarde dinosaurusresten, maar ook door steeds betere onderzoeksmethoden en een verdere groeiende kennis. Het is maar een van de vele inzichten die Brusatte brengt, terwijl hij op een dikke 350 pagina`s zowat een 200 miljoen jaar evolutie tracht samen te vatten.

Iedereen die meer dan een voorbijgaande interesse in de voormalige heersers over deze aarde heeft, weet uiteraard dat de opkomst van de dinosauriërs aardig wat tijd in beslag nam en dat zij die tot de grootste namen behoren vaak later opkwamen en geen miljoenen jaren over het land zwierven. Hoewel het grote uitsterven op het einde van het Perm (95% van alle zeedieren, 70% van alle landdieren en zowat 2 /3 van de insectensoorten en dat op ongeveer 1 miljoen jaar) voor een gat zorgde dat de dinosauriërs zouden vullen in het meer dan tweehonderd miljoen jaar durende Mesozoïcum, was het niet zo dat dit van de ene dag op de andere gebeurde en dat onder meer de voorouders van de zoogdieren zomaar besloten zich te laten marginaliseren. Gedurende de eerste miljoenen jaren speelde toeval een rol, maar ook het feit dat het supercontinent Pangea langzaam maar zeker uit elkaar zou scheuren en dat net de voorouders van de dinosauriërs zich daar het beste aan wisten aan te passen.

De steeds verder van elkaar verwijderende continenten zorgden er ook voor dat er naargelang het continent zo veel verschillende types dinosauriërs gevonden werden waarbij de ene mede dankzij het klimaat en aanwezige voedsel uit kon groeien tot een gigant, terwijl de andere veeleer klein bleef en andere manieren ontwikkelde om zich voort te planten en te voeden. Tot de giganten die nog steeds tot de verbeelding spreken en niet onvermeld kunnen blijven behoren uiteraard de sauropoden, die hun bloei kenden in het Jura (145 miljoen jaar geleden), maar in bepaalde streken ook tot in het Krijt wisten te overleven, alsook de heerser van die laatste periode: de tyrannosaurus rex, die voornamelijk het huidige Noord-Amerika onveilig maakte, maar verwante neven en nichten had in onder meer het huidige China (Europa bleef om verschillende redenen van dit monster bespaard).

Met meer dan een hoofdstuk krijgt deze dinosauriër opvallend veel aandacht van Brusatte (ook paleontologen hebben zo hun lievelingen), waarbij hij meteen ook met een aantal belangrijke mythes komaf maakt. Uit recent onderzoek blijkt de T. rex immers even intelligent geweest te zijn als een chimpansee en een sterk ontwikkeld geur- en zichtvermogen te hebben. Daarnaast bleken de voorheen als nutteloos bestempelde voorpoten een enorme trekkracht te hebben, waardoor de tyrannosaurus zijn prooi kon vastklemmen terwijl de machtige kaken en tanden — die zelfs botten konden verbrijzelen — de prooi trachten te verscheuren. Bovendien blijkt ook dat het dier vaak in groep joeg, waarbij de jongere dieren nog niet het logge lijf hadden van de volwassenen en dus als de opjagers van prooien golden.

Het hoofdstuk over de tyrannosaurus vormt een mooi voorbeeld van hoe Brusatte niet alleen de kennis van de dinosauriërs zelf wil bijstellen, maar ook hoe verschillende wetenschappers tot deze nieuwe inzichten gekomen zijn. Daarbij zijn net zo goed ingenieurs, paleontologen als andere onderzoekers betrokken en wordt niet alleen gebruik gemaakt van de gevonden fossielen (voor de geïnteresseerden: er liggen nog genoeg niet onderzochte fossielen in de archieven van instellingen en universiteiten om paleontologen nog decennia zoet te houden), maar worden er ook vergelijkingen gemaakt met hedendaagse dieren, en computermodellen en scans gebruikt (om bijvoorbeeld de grootte en complexiteit van hersenen te meten). Het is een van de grote troeven van Brusatte dat hij deze materie boeiend weet te houden door ze te koppelen aan specifieke ontdekkingen. Daarnaast verwijst hij ook geregeld naar collega`s die zich op bepaalde soorten of technieken toeleggen.

Brusatte heeft zichzelf duidelijk tot doel gesteld een breed wetenschappelijk werk te schrijven, gericht op een geïnteresseerd publiek dat verder wil kijken dan een al dan niet lange opsomming met boeiende weetjes. Om te beginnen wenst hij het brede kader te scheppen waarbinnen deze soort in al haar variëteiten meer dan tweehonderd miljoen jaar leefde, opkwam en onderging, maar daarnaast wil hij ook inzicht geven in hoe de voorbije meer dan honderd jaar het onderzoek naar dinosauriërs evolueerde tot een haast multidisciplinaire wetenschap die weliswaar nog steeds haar fundamenten heeft in gesteenten ontledende onderzoekers, maar intussen ook zoveel meer is. Bovendien mag intussen wel duidelijk zijn dat de kennis en begrip van de soort de voorbije twintig jaar opnieuw zo verbeterd is dat er verschillende feiten al achterhaald zijn.

De opkomst en ondergang van de dinosaurus is niet zomaar een weetjesboek noch een puur wetenschappelijke analyse en stand van zaken van het onderzoek naar dinosauriërs. Brusatte probeert aan de hand van een aantal specifieke soorten onder hen en via eigen getuigenissen zowel het onderzoek naar als het leven van de dinosauriërs in de belangrijkste lijnen te vatten. Daarbij wil hij de leek niet afschrikken zonder meteen te simplificeren. Het is een evenwichtsoefening waar hij wonderwel in slaagt, waardoor zijn boek niet alleen de tienjarige wakker maakt in elke lezer die ooit wel eens in verwondering keek naar de voormalige giganten en haar kleinere soortgenoten die onze aarde miljoenen jaren bevolkten, maar ook de meer op feiten en wetenschappen gerichte volwassene aanspreekt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in