Birds of Passage (Pájaros de Verano)

In 2015 werkte de Colombiaanse producer Cristina Gallego samen met regisseur Ciro Guerra voor El Abrazo de la Serpiente, een film die internationaal bijzonder veel aandacht kreeg, onder andere prijzen in de wacht sleepte op de filmfestivals van Cannes en Rotterdam en genomineerd werd voor de Oscar voor beste niet-Engelstalige film. Drie jaar later deelt het duo de regiehonneurs voor het ijzersterke Pàjaros de Verano. De film haalt in zijn bedwelmend mooie viering van endemische culturele gebruiken en rituelen, bij momenten het werk van Pasolini en Paradjanov voor de geest. De makers weten bovendien een sterke universele tragiek, te koppelen aan een door de lokale natuur gedomineerde beeldtaal die in haar gebruik van landschap wedijvert met de picturale grandeur van een John Ford western.

Van bij de opening – gedrenkt in vlammend coloriet en een diepe, primaire kleurenpracht – is dit een prent waar een dwingende visuele kracht van uitgaat. Evenzeer is het een film die diep verankerd zit in de lokale inheemse Wáayuu cultuur, die ook al het literaire meesterwerk 100 Jaar Eenzaamheid van de gevierde auteur Gabriel García Márquez, tekende. We zijn getuige van het ritueel waarmee de jonge Zaida de overgang maakt van meisje naar vrouw en van de hofmakerij door de vlotte Rapayet, die gevraagd wordt een bijna onhaalbare bruidsschat bijeen te krijgen alvorens hij het meisje mag huwen. Die proloog – de rest van de film is onderverdeeld in vijf ‘gezangen’ van een lokale verteller die ons het hele verhaal brengt – tekent op sublieme wijze de verschillende gebruiken, tradities en rituelen die de film zullen beheersen. In oorsprong zijn die tradities een sterke leidraad om geschillen en disputen mee op te lossen, maar eenmaal ze – zoals in de loop van het verhaal gebeurt – vermengd raken met externe begrippen over schuld, vergelding en monetaire waarde, transformeren ze onherroepelijk tot desastreuze raadgevers die niet langer functioneel zijn in een wereld waarvoor ze nooit bedoeld zijn geweest. Net zoals in Afrika de traditionele rol van de ‘heks’ onder impuls van externe ideeën over schuld en boete verwerd tot een systeem geregeerd door rectificatie en wraak – een idee dat door de grote Afrikaanse cineast Djibril Diop Mambéty werd gevat in Hyènes , een film waar deze Pájaros de Verano zeker enige affiniteit mee vertoont – zo muteren de lokale tradities hier onder impuls van de door totaal andere regels geregeerde wereld van de drughandel, tot een ongezonde cocktail die enkel tot dood en vergelding kan leiden.

Anno 1968, beslist Rapayet immers dat de beste manier om voldoende middelen bijeen te krijgen voor de bruidsschat, er in bestaat om een lading marihuana de verkopen aan enkele Amerikanen. Zijn plan werkt en na het huwelijk besluit hij om samen met een partner de drugs die gekweekt worden op het veld van een familielid, te blijven verhandelen. Het succes van die handel brengt zichtbare tekenen van verandering binnen in het dorp, die door het scenario op subtiele wijze aangebracht worden: de eerste wagen die in het donker het gebied van de kleine gemeenschap binnen rijdt, de statige postmoderne woning die Rapayet voor de familie bouwt (die schatplichtig lijkt aan het werk van de Mexicaanse architect Luis Barragán) en het uitwisselen van geschenken die naderhand niet langer bestaan uit traditionele goederen, maar uit wapens. Uiteindelijk zullen de geschillen en botsingen die gepaard gaan met het overeind houden van een steeds grotere handel in verdovende middelen, leiden tot een onafwendbare noodlottige spiraal, die nagenoeg iedereen ten gronde zal richten.

Het gegeven van de familie als ‘bedrijf’ in de misdaadwereld, de vervlechting met bloedbanden en lokale tradities en de structuur van de familiekroniek die Gallego en Guerra daarvoor gebruiken doen vanzelfsprekend denken aan het werk van Márquez, maar vinden hun wortels uiteraard ook in films als The Godfather of de Indische tegenhanger Gangs of Wasseypur van Anurag Kashyap. Het is die vertelvorm die alle mogelijke culturele grenzen overschrijdt, die aan Birds of Passage ook een universele tragiek schenkt. Centraal in het verhaal staat immers de figuur van Zaida’s moeder, die als een matriarch haar familie probeert te beschermen, maar moet vaststellen dat de gebruiken en gewoontes waardoor ze zich altijd heeft laten leiden, haar niet langer kunnen helpen in een wereld die door andere regels wordt bepaald.

De beeldtaal die de regisseurs gebruiken om hun verhaal te vertellen zit eveneens ingebed in een aantal cinematografische tradities. Inzake gebruik van licht en landschap komt onvermijdelijk de wereld van de western voor de geest. De genetica van dat genre is duidelijk aanwezig – van bij het begin is er het schitterend gebruikte element van de niet aflatende wind die over de vlaktes blaast – maar iconografisch leunt de film meer aan bij de moderne variant, die op zichzelf al de Zuid- en Noord-Amerikaanse tradities mengde in films als Walter Hills Extreme Prejedice, John Sayles’ Lone Star of meer recent David Mackenzies Hell or High Water. Tegelijkertijd is duidelijk dat in fotografie, muziek én kleur, dit een prent is die doordrongen is van lokale visuele cultuur. De beeldtaal weet opmerkelijk gebruik te maken van het aanwezige bijzondere licht en weet de subtiele kleurschakeringen die dat teweeg brengt ook helemaal in de film in te bedden.

Het is de virtuoze combinatie van verschillende tradities – cinematografisch, verhalend en ritueel – die van Pájaros de Verano een unieke filmische ervaring maken en zonder twijfel nu al een van de meest memorabele titels van het filmjaar 2019.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in