Johnny Dowd :: Family Picnic

“I sing songs of lust and depravity / That’s the only kind of songs that come out of me / I apologize but I can’t stop / The devil’s gonna run me until the day that I drop”. Je kan Johnny Dowd van allerhande zondes verdenken, maar een gebrek aan zelfkennis is er geen van. En als Twinkle Twinkle (2018) zo ver doorgedreven was in z’n idiosyncratische waanzin dat het aanvoelde als een eindpunt, dan is Family Picnic een voorzichtige terugkeer naar iets conventioneler terrein, al is het dan met de bedenking dat ‘doorsnee’ altijd buiten bereik zal blijven. En dat is maar goed ook.

Bovenstaande verzen komen trouwens uit “Thomas Dorsey”, een song uit Chainsaw Of Life, dat Dowd in een vorig decennium uitbracht met Jim White. Een ode aan de grote gangmaker van de gospelmuziek, en tegelijkertijd een knipoog naar zijn eigen verdorvenheid, of toch die van zijn songs. Het is Dowd ten voeten uit: observator en participant in één, personage in zijn eigen songs, en het beeld dat hij deze keer ophangt is ook nu regelmatig eentje van gebroken illusies en totale afwezigheid van een beschaafd vernislaagje. De titeltrack start dan wel met een idyllisch beeld dat intussen deel is gaan uitmaken van de Amerikaanse psyche, de perfecte familie, maar al snel drukt Dowd je met de neus op de feiten: “How much emptiness can you swallow”?

Wat Dowd onderscheidt van andere onheilsprofeten is natuurlijk dat hij die boodschap niet brengt met een doemerig serieux of duffe ironie, maar met zelfspot, venijnig inzicht en een zwak voor absurditeiten. Dowd is een verwant van de kermisklanten, van de marginale outsiders die je ineens overrompelen met een barrage aan historische weetjes, met figuranten die weggelopen lijken uit de gemene verhalen van Jim Thompson. Hier slaan ze aan het walsen (“The Man Of Your Dreams”, “Four Gray Walls”), jonglerend met hun zonden en een zekere gelatenheid (“Im not the man of your dreams / That’s obvious to all”). Ze weten hoe erg het gesteld is.

Dowd neemt opnieuw het merendeel van het werk voor z’n rekening, maar krijgt ondersteuning van oude bekenden Mike Edmondson (decennia geleden al een vaste sparringpartner) op gitaar en xylorimba en de al even bekende Kim Sherwood-Caso op backing vocals. Er duiken nog altijd brommende en zeurende toetsen op, net als plastieken beats, waardoor het hier en daar lijkt alsof Dowd nog altijd mikt op een vanuit de roots afgevuurde hiphop (de titeltrack, “Shameless”, “Let’s Have A Party”), maar de effecten zijn een graad of twee minder vervreemdend dan op het drieluik That’s Your Wife On The Back Of My Horse, Execute American Folklore en Twinkle Twinkle. Misschien was die hint al te vinden in het artwork, met de houtgravure van Mike Massingham.

In onze recensie van een vorige plaat beweerden we nog dat je een figuur als Dowd nodig hebt om een genre fris te kunnen houden, en dat geldt net zo goed voor Family Picnic. Ondanks de gekte en de waanzin, maken deze songs vooral duidelijk dat Dowd als geen ander weet wat songs doet tikken, wat de essentie van een goede song is, en hoe hij die ondanks al die ingrepen toch overeind houdt of nonchalant in de lucht houdt met die brede grijns. Korte instrumental “Hoodoo” klinkt alsof werk van Freddie King en Link Wray door een Fisher Price-mangel gehaald wordt, maar is wel rete-aanstekelijk. Hetzelfde geldt voor de breed uitgesmeerde blues van “Vicksburg”, dat een hoofdstuk uit de Amerikaanse Burgeroorlog belicht, de met kitscherige synths opgebouwde “Walking The Floor” en “Little Jimmy”, of de verrassend gave ballade “Dream On” met z’n mooie slaperigheid. Deze man beheerst z’n kunst.

De nieuwsgierige passanten die een aantal albums geleden afhaakten ga je met Family Picnic niet terugwinnen, daarvoor is Dowds muziek te grillig en te eigenzinnig, maar doordat de songs zo verdomd goed in elkaar zitten (na twee beluisteringen klinkt het gros als bewerkingen van langvergeten klassiekers uit een onbestemd verleden) en elkaar aan zo’n hoog tempo opvolgen (veertien stuks in 37 minuten) is dit misschien wel ’s mans meest toegankelijke plaat van het voorbije decennium. “I wanna be a star” verzucht hij helemaal aan het einde van “Conway Twitty”. Te nemen met een korrel zout, maar tegelijk zou je ’t hem gunnen, al is het maar omdat zijn oeuvre door die combinatie van meedogenloze eerlijkheid, spitsvondigheid en consistente krankzinnigheid zoveel te vertellen heeft over het doorgeslagen Zottenfeest dat menselijke interactie zo vaak is. De dwaas van het gezelschap heeft wel vaker het laatste woord.

Johnny Dowd speelt op 19 april in Het Ijle Land (Gent). Meer (buitenlandse) date op de website. Niet te missen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in