Sleaford Mods :: Eton Alive

De eerste vier Ramonesplaten, zowat de ganse Motörheaddiscografie, een kleine eeuw bluesmuziek. Allemaal afgedaan als formulemuziek, en stuk voor stuk essentieel. Hetzelfde geldt voor Sleaford Mods. Eton Alive, album #5 van het duo, heeft vanop een afstand geen grote koerswijzigingen in de aanbieding, maar dat hoeft ook niet als je te maken hebt met een formule die op zo’n unieke manier wordt ingevuld.

Best straf hoe productief James Williamson en Andrew Fearns blijven, want bovenop die vijf albums sinds 2013 passeerden ook nog een handvol EP’s, singles en live releases. Dat hele zootje bij elkaar zou je eigenlijk in een tijdscapsule moeten steken en diep onder de grond verstoppen, om binnen een paar decennia terug boven te halen en te tonen hoe het er aan toeging in the Great Nation in de vroege 21ste eeuw. Het is natuurlijk geen fraai beeld, hier en daar dik aangezet met korstige trivia, cartoonesk uitvergrote uitzichtloosheid en een barrage van cynische woordspuwerij, maar toch; de hedendaagse combinatie van gelatenheid en het onvermogen om een vuist te maken krijgen ze als geen ander verwoord en uitgebeeld.

Je zou intussen ook een mooi eindwerk kunnen schrijven over Williamsons teksten, die gaandeweg iets minder giftig of aanstootgevend lijken te worden, met minder sneren naar specifieke groepen en individuele beroemdheden (celebrities op kop), wat ook weerspiegeld wordt in de muziek, die doorheen de albumreeks net iets diverser en gelaagder werd. Het parcours laat, vermoeden we, ook horen hoe er wat vaker naar binnen gekeken werd voor inspiratie: er wordt niet enkel getoond hoe het voelt om aan te schuiven voor een uitkering en de laatste slok lauwe lager binnen te kappen, maar ook hoe het is om een middle ager te zijn die meewarig kijkt naar nieuwe generaties en zijn rol als burger, artiest, vader, man in een verwarrend maatschappelijk kluwen overdenkt.

Op Eton Alive, waarmee verwezen wordt naar een van de bekendste public schools (publiek, omdat echt iedereen binnen mag die genoeg flappen neertelt), word je opnieuw getrakteerd op twaalf even compacte als rudimentaire songs die postpunk, elektro en straatpoëzie combineren tot een cocktail die het ene moment aanleunt tegen haast machinaal, militant minimalisme (“Into The Payzone”) en vervolgens neigt naar hiphop (“Policy Cream”) of uitgebeende elektropop die opgebouwd lijkt uit notification jingles (het melancholische “When You Come Up To Me”, waarin Williamson zowaar aan het zingen slaat!) of dromerig-pompende beats (“Negative Script”).

Williamson mag dan wel het brein van de band zijn, het hart van Sleaford Mods wordt steeds sterker mee bepaald door Fearns, die collages maakt met eindeloos loopende baslijnen, zeurende synths, disco- en funkaccenten en soms verrassende texturen. Zo wordt het vinnige een-tweetje “Top It Up” / “Flipside” gestuwd door pompende baslijnen, beats en de net niet schuimbekkende voordracht van Williamson, maar hoor je meer in de achtergrond ook klanken en texturen die weggeplukt lijken uit new age– platen. In “O.B.CT.”, dat even iets heeft van een postpunk-pastiche, compleet met onheilsbaslijn en kartonnen drums, steekt de absurdistische neiging van het duo op wanneer er een kazoosolo volgt.

En zo moet je na die eerste beluistering die, hier althans, aanvankelijk zorgde voor een “mja”-reactie, toch weer concluderen dat het verhaal van Sleaford Mods nog niet uitverteld is. Songs als “Kebab Spider” en de eerder genoemde “O.B.C.T” en “Top It Up” zijn spits, slim en vitaal. En er zijn er zo nog. Daarnaast steekt er regelmatig nog genoeg venijn de kop op (“Graham Coxon looks like a left-wing Boris Johnson”) voor een brede grijns. Wie zich hiervoor al afvroeg wat hij in godsnaam aan moest met dit onderontwikkelde gedoe zal ook nu weer op z’n honger blijven zitten. Voor al de rest zal snel duidelijk worden dat Sleaford Mods nog niet aan het einde van z’n verhaal zit en in tijden van lage moreel gouden tijden beleeft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in