Fred Hersch :: 7 maart 2019, Handelsbeurs

Hersch is de minzame meester van het raffinement. Goed twee jaar na een prachtig concert in de Roma pikten we nog eens een soloperformance mee van een pianist die intussen al jarenlang zijn eigen referentie is. Zo goed als toen werd het nu niet, maar een goede Hersch geeft de competitie nog altijd het nakijken.

Het is best opvallend hoe productief de pianist de voorbije jaren was. Solo- en trioalbums volgen elkaar op met een voorspelbare regelmaat en halen steevast een kwaliteit die hem een plaatsje garandeert in de topcategorie van de hedendaagse jazz. Voor dit optreden plukte Hersch songs uit zijn recentste albums (Sunday Night At The Village Vanguard en Live In Europe van zijn Trio, en soloplaat Open Book), maar dook ook dieper in zijn oeuvre en pakte natuurlijk uit met een paar van zijn eeuwenoude favorieten.

Net als in Antwerpen ging hij van start met composities van Antônio Carlos Jobim, om vijf kwartier later te eindigen met een grondig verbouwd stukje Monk, een traditie die ook al even meegaat. Van meet af aan belandde je in het zachtaardige eclecticisme van Hersch, die jazz, klassiek en latin samensmelt met een tintelende, dansende elegantie en delicaat toucher dat uit de duizenden te herkennen valt. ’s Mans handen zijn geen percussieve hamers of kromme klauwen, maar lijken soms eerder te glijden over het ivoor, de toetsen strelend met een alerte voorzichtigheid.

“I like the concept of a repertory album,” says the pianist, who admits to being “a tune freak.” Dat viel al te lezen in de liner notes van zijn eerste trioalbum in het midden van de jaren tachtig en ook nu werd je steevast getrakteerd op een combinatie van eigen werk en standards, al lag de nadruk misschien wat sterker op dat eerste. Met “Sarabande” greep Hersch terug naar een van zijn eerste composities, terwijl het porseleinen “Plainsong” dan weer uit Open Book kwam. Een paar keer greep hij ook terug naar Songs Without Words (2001), een driedubbele cd waarop hij eigen werk, standards en composities van Cole Porter bij elkaar bracht. Porters “All Of Me” en Russ Freemans “The Wind” groeiden uit tot hoogtepunten in een set die eigenlijk geen inzinkingen kende.

De lichtvoetigheid en humor die hier en daar soms vaag voelbaar waren, doken iets explicieter op in de driedubbele bisronde, waarin Hersch enkele van zijn favoriete popsongs onder handen nam: in Billy Joels “And So It Goes” bleef hij redelijk trouw aan het origineel, terwijl zijn uitvoering van “When I’m Sixty-Four” van The Beatles (toepasselijk, aangezien hij later dit jaar die leeftijd bereikt) werd voorzien van een hoog Slim Gaillard-gehalte en goed was voor hartelijk schuddebuiken bij het publiek. Afronden gebeurde met de ballade “Valentine”, even lieflijk als compact.

Zelfs met een fikse verkoudheid demonstreerde Hersch zijn meesterschap op de piano. Geen idee of het die verkoudheid was, de setlist of een gebrek aan uitvoeringen die er écht bovenuit staken, maar het concert miste een beetje de impact van de vorige solopassage. Tegelijkertijd kon je je niet van de indruk ontdoen dat Hersch vermoedelijk niet in staat is tot minder dan goede concerten en dat een topdag tot grootse dingen kan leiden. Misschien op 15 mei, want dan speelt hij solo in Flagey (Elsene).

alt

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in