Best Of : Lou Reed

Geef toe: meestal zijn ze uw geld niet waard, die verzamelaars van uw favoriete groep die u in de winkel vindt. De platenfirma denkt dat enkel singles in aanmerking komen en een artiest zelf is ook al zelden goed geplaatst om eigen werk te beoordelen. Tijd dus dat het eens aan professionals wordt overgelaten, en wie beter dan een team kenners van enola om maandelijks de twintig beste tracks van een artiest te selecteren. Deze maand: het beste van Lou Reed.

1. The Bells

Door een mistig gordijn van synthesizers doemt een onheilspellende basgroove op. Hoornblazers zwalpen als drinkebroers door desolate, nachtelijke steegjes. Toonloze stemmen brabbelen onverstaanbaar, ze lijken wel over u te roddelen. Alles is ontastbaar en verwarrend, maar na vijf en een halve minuut krijgen we dan toch een beetje houvast wanneer Reed de verlossing begint te proclameren. Het vormloze krijgt vorm. Er verschijnt iets massiefs in de eens duizelingwekkende leegte. En al is het einde der tijden nabij, het klonk zelden zo zalvend. “The Bells”, het orgelpunt van het gelijknamige album uit 1979, is een freejazzexperiment dat met elke luisterbeurt aan diepgang wint. Het is ook een lyrisch hoogstandje. Een schoolvoorbeeld van de shift in Reeds schrijfstijl aan het eind van de jaren zeventig, toen hij de benevelde decadentie inruilde voor genuanceerdere inzichten. Met recht en rede wordt het daarom een van zijn sterkste momenten als soloartiest genoemd.
Hoogtepunt: Een langgerekt, vanaf 5’28” tot het einde. De klim wordt ingezet, daar schallen de klokken. Oh catharsis!

2. Intro/Sweet Jane (live)

De Transformer Tour was eerder dat jaar uitgedraaid op een sof. Reed had zijn backing band, The Tots, aan de kant moeten zetten omdat ze hun gebruikelijke caféniveau maar niet konden overstijgen. Nu Berlin in het magazine Rolling Stone ook nog eens een disaster werd genoemd, moest alles uit de kast gehaald worden om opnieuw aan populariteit te winnen en een nog prille solocarrière te redden. Steve Katz, van Blood, Sweat And Tears, adviseerde Reed daarom een puike liveband bijeen te zoeken en wat meer publieksfavorieten te spelen; Give the people what they want. En zo speelde Lou op 21 december 1973 in Howard Stein’s Academy Of Music met de beste muzikanten die hij kon betalen. De set was grotendeels opgebouwd uit Velvet Underground nummers en dat bleek een goeie zet. Het publiek én Rolling Stone waren helemaal mee, waarna besloten werd om met de opnames van die avond een dubbele liveplaat te maken. “Sweet Jane”, de weergaloze openingstrack van Rock ‘n’ Roll Animal (1974), laat onmiddellijk de opzet van het concert horen: steek wat punky garageklassiekers in een majestueus glamjasje en rocken maar!
Hoogtepunt: 3’20″. Na de uitgesponnen gitaarintro van Hunter en Wagner betreedt Reed eindelijk het podium. Een klassieke en alom gekende riff galmt door de speakers, het publiek gaat overstag. Homerun!

3. Street Hassle

Een trip door de duistere achterkant van New York, in drie delen. Gigolo’s, drugsdealers en een dode vrouw maken de dienst uit, terwijl Reed het nummer brengt met de onthechtheid van een hardboiled pulpschrijver. Het repetitieve en steeds weerkerende motief zorgt voor een bezwerend effect dat geen moment verveeld in het bijna elf minuten durend nummer. Leuk detail: er is een korte spoken word gastrol van een verder niet in de credits vermelde Bruce Springsteen.

Hoogtepunt: 6’52″. “You know it’s called bad luck” stelt Reed droogweg vast.

4. Rock & Roll Heart

Ongetwijfeld – en in meer dan een betekenis – een van Reeds simpelste songs ooit. In enkele goed bekkende karamellenverzen trekt hij eerst van leer tegen de heersende trends in het snobistische kunstwereldje (“I don’t like opera and I don’t like ballet / And new wave French movies, they just drive me away”), om vervolgens zichzelf kapot te relativeren: “I guess I’m just dumb, ‘cause I know that I ain’t smart / But deep down inside, I got a rock ‘n’ roll heart.” We weten het, het is mààr rock-n-‘roll, but we like it.
Hoogtepunt: 0’47″. Het refrein, waarin Reed zowaar even klinkt als Dylan, die andere neuzelende woord- en klankentovenaar.

5. Walk On The Wild Side

Reed was verbitterd uit The Velvet Underground gestapt en had verkild New York verlaten. Zijn solodebuut was bezwaarlijk een succes te noemen, maar Bowie veranderde alles. De ietwat iele dichter-junkie werd op het erg campy “Walk On The Wild Side”, met die meelzoet gebrachte decadentie-van-laag-allooi-vreugde opeens een opbeurend man. Hij zou het niet altijd blijven.
Hoogtepunt: 00’52”. De introductie van Candy Darling, een vrouw zo mysterieus dat ik ze nog niet ontcijferd heb.

6. Romeo Had Juliette

Iedereen kent Baz Luhrmanns klassieker Romeo + Juliet, steeds minder mensen weten dat het een adaptatie is van Shakespeares gelijknamige toneelstuk, slechts enkelingen realiseren zich dat Lou Reed, en niet Luhrmann, de tweede was. “Romeo Had Juliette” is de opener van New York, Reeds ode aan en vloek richting zijn thuisstad. Het nummer is, net als de rest van de plaat, simpel georkestreerd om de rijke poëzie niet in de weg te staan, en staat haaks op de tijdsgeest zoals Reed haaks op het leven stond. New York zou zomaar Reeds beste soloplaat kunnen zijn.

Hoogtepunt: het hele nummer. Enkel te beluisteren in combinatie met het volledige album, zoals je een film ook van begin tot eind uitzit.

7. Kill Your Sons

Reed groeide op in een tijdperk waarin elektroshocktherapie homoseksuele neigingen kon verhelpen. Of dat moeten zijn ouders gedacht hebben toen ze hem als zeventienjarige in een gesloten psychiatrische instelling gooiden. De vele shockbehandelingen die hij daar kreeg, leidden tot geheugenverlies en paranoia maar gelukkig ook tot een dijk van een rocksong. Oorspronkelijk uitgebracht als albumtrack op Sally Can Dance (1974), bevat “Kill Your Sons” de cynische lijzigheid die teenage-Lou moet verinnerlijkt hebben om zijn folteringen te kunnen doorstaan. Een andere bekende versie, vanop Live In Italy (1984), verschilt danig van klankkleur. Reed lijkt het nummer hier bijna schuimbekkend te zingen, zo kwaad. Beluistert u gerust de twee, ze zijn briljant in hun eigenheid.
Hoogtepunt: 1’14”.”Arent you glad you’re married?” hoonlacht de verteller. Is mama’s onbegeesterende huisje-boompje-beestje bestaan dan zoveel beter gebleken?

8. Coney Island Baby

Het titelnummer van Coney Island Baby, een van Reeds best verkopende albums, is Reed op zijn kwetsbaarst. Het is een ode van Reed aan zijn vroegere football-coach, in de jaren dat hij als tiener een ware buitenstaander was, zowel op school als in het dagelijkse leven. De relaxte croon waarmee Reed het nummer brengt, klinkt bijna gedesaffecteerd, maar de onderhuidse spanning kerft in de ziel.
Hoogtepunt: 0’14”. Reed begint qua nonchalant “You know man, when I was in high school” te zingen en je waant je meteen in een New Yorkse nachtclub.

9. Sword Of Damocles (Externally)

En plots bleek Lou Reed wél te kunnen zingen. Al wat nodig was, was die hint van emotie en het besef dat chemotherapie ook maar dat is. “They’re trying a new treatment to get you out of bed / But radiation kills both bad and good, it can not differentiate / So to cure you they must kill you /
The sword of Damocles hangs above your head”. Of het nu over Doc Pomus of Rotten Rita gaat, de spijt is voelbaar. Reed en producer Mike Rathke halen een orkest binnen om de angst aan te zetten, en geven het nummer meteen een ongemakkelijk mooie zwier.
Hoogtepunt: 00’37”. Bijna vijfentwintig jaar ver in zijn carrière slaat Lou Reed zowaar bijna aan het zingen.

10. Cremation (Ashes To Ashes)

Het overlijden van twee oude vrienden — songschrijver Doc Pomus en Warhol-superstar Rotten Rita — inspireerde Reed tot het schrijven van Magic And Loss, een van de meest indrukwekkende albums ooit over leven en dood. Een van de meest intimistische nummers die Reed ooit schreef, zowel muzikaal als tekstueel. Het beeld van een oceaan, donkere onweerswolken en de as van een dierbare, meer heeft Reed niet nodig om een hartverscheurend nummer te schrijven.

Hoogtepunt: 2’21″. “When I leave this joint/ At some further point”. Reed staat even stil bij zijn eigen eindigheid.

11. Satellite Of Love

Uit niets blijkt zo duidelijk dat er ooit een Warholmusical besproken is als uit het variétésfeertje dat “Satellite Of Love” ademt. Het nummer is een perfect gemusiceerde hap goesting om het leven te ontdekken, te struikelen en weer op te staan, gewoon om nog eens te kunnen struikelen. De zangarrangementen zitten perfect, de gitaren fantastisch, de saxofoon tilt het nummer op. De versie van Morrissey is minstens even goed.

Hoogtepunt: 1’27”. Horen dat ze stout is geweest met Harry, Mark en John, de angst van elke man.

12. The Blue Mask

De jaren ‘80 zijn een decennium waar Lou Reed — althans in de pre-New York-jaren — bij momenten een beetje op de dool leek. Maar het was ook in die periode dat hij een van zijn meest boeiende samenwerkingen op poten zette, met name die met gitarist Robert Quine. Net zoals met Cale zou de samenwerking ook hier niet lang duren, maar “The Blue Mask” is een episch gitaarnummer waar Reed en Quine voor pure magie zorgen. Zo vuil klonk Reed niet meer sinds de hoogdagen van de Velvet Underground.

Hoogtepunt: 3’42″. Vanaf nu mogen de gitaren van Quine en Reed helemaal in het rood gaan.

13. Men Of Good Fortune

Waar iedereen hunkerde naar meer seksueel dubbelzinnige joie de vivre, bracht Reed een ijskoude emmer weltschmerz. “Men Of Good Fortune”, eerst simpel, vervolgens symfonisch verrijkt, sluit thematisch het best aan bij Transformer, maar toont hoe Berlin muzikaal duidelijk een stuk orkestraler en minder kaal is dan zijn voorganger.
Hoogtepunt: 00’00”. Het kille, simpele maar door merg en been gaande pianoriedeltje dat zijn intrede doet.

14. Caroline Says II

Wat goed is, blijft goed, en dus herdoopte Lou Reed “Stephanie Says” van The Velvet Underground tot “Caroline Says II”, en zie: plots paste het perfect in die rock-opera van hem. De charmante melodie van het origineel was ondertussen wel herleid tot een rudimentair skelet, de tekst in het gareel van dat zwartgallig verhaal gedwongen: “You can hit me all you want / But I don’t love you anymore”. Je zou denken dat het daarna beter wordt, en de heldin zich opricht. Dat gebeurt niet, want dit is Berlin. Wat volgt is “The Kids”, u weet wel: dat nummer waarvoor Bob Ezrin zijn huilende kinderen opnam. Neen, dat van die kast en van die dode moeder klopt niet, maar het is een goed verhaal. Overtuigend gehuil, dat wel.
Hoogtepunt: 2’15”. “Caroline says”, en neen, het wordt niet vrolijker, maar wel mooier. De tragedie voelt meteen zoveel harder, en dat “It’s so cold in Alaska” krijgt des te meer betekenis.

15. Dirty Blvd.

Lou Reed hoeft zich nergens voor te schamen; ook de eighties van Neil Young waren kut. Het was gewoon het decennium niet voor oude rock-iconen, maar hé: net als Don Grungeone was het ook in 1989, met het einde van die plastieken jaren in zicht, dat Ome Lou zijn Mojo terugvond. New York was een vitale plaat die de R.O.C.K. opnieuw in de rock bracht, de gitaren liet doen waarvoor ze waren uitgevonden. Bewijsstuk A: “Dirty Blvd.”, een venijnige sneer die “Keep On Rocking”-gewijs de rotte Reaganjaren mee op een hoopje vaagde: “No one here dreams of being a doctor or a lawyer or anything, they dream of dealing on the dirty boulevard”. Het is het verhaal van een uitzichtloosheid die je niet snel van je afschudt.
Hoogtepunt: 1’17”. “Give me your hungry, your tired your poor, I’ll piss on ‘em / That’s what the Statue of Bigotry says”. Reaganomics voor dummies verklaard, met een nijdige snok aan de snaren als besluit.

16. Bottoming Out

Na het ijzersterke The Blue Mask was Legendary Hearts (’82) voor velen op het moment van verschijnen een teleurstelling. Ten onrechte, want hoewel de plaat minder een eenheid vormt dan zijn voorganger, staan er ook hier genoeg straffe en vooral strakke gitaarnummers op die ook vandaag nog overeind blijven. Neem nu “Bottoming Out”, waarin de gefrustreerde ik-figuur conflicten aldoor uit de weg gaat en zich probeert af te reageren tijdens wilde motorritten. Maar wat baat het? Als hij terugkomt van zo’n rit is het weer van dattum… Maar: “I aim that bike at the fat pothole beyond that underpass”, neemt hij zich deze keer voor.
Hoogtepunt: van 0’00″ tot 3’43″. De klaterende, repetitieve gitaar van Robert Quine en de melodieuze fretless bas van Fernando Saunders begeleiden de motorrijder tijdens zijn roekeloze tocht.

17. The Bed

Acht songs lang lijkt het bestaan van Jim en Caroline, de protagonisten van Berlin, een straatje zonder einde. Maar dat einde komt dan toch, in nummer negen, wanneer Caroline geen uitweg meer ziet en na een leven vol drugs, huiselijk geweld én het verlies van haar kinderen zichzelf een weg naar de eeuwige jachtvelden kerft. In het aardedonkere “The Bed” geeft Jim een rondleiding in de kamers waar het drama zich voltrok: “This is the place where she lay her head / When she went to bed at night”, “And this is the place our children were conceived / Candles lit the room brightly at night”, maar vooral: “And this is the room where she took the razor / And cut her wrists that strange and fateful night”. Behoorlijk spooky, allemaal.
Hoogtepunt: 1’35″. Een spookachtige vrouwenstem – de stem van Caroline? – echoot in de verte de onderkoelde zinssneden van ‘Jim’: “Oh, oh, oh, oh, oh, oh, what a feeling…”

18. Sad Song

Met “Sad Song” bezorgde Reed het sobere, sombere Berlin een verrassend majestueus en zelfs sprookjesachtig klinkend slotakkoord met blazers en strijkers. Maar schijn bedriegt, want Jim – het mannelijke hoofdpersonage, hier aan het woord – toont nauwelijks berouw voor de miserie die aan deze song is vooraf gegaan en waarvoor hij mee verantwoordelijk is. Integendeel, hij wast zijn ‘losse handjes’ liever in onschuld en vindt dat hij Caroline, die in de voorgaande song zelfmoord pleegde, uiteindelijk nog goed heeft behandeld. Voor hem is het dan ook genoeg geweest: “I’m gonna stop, wastin’ my time / Somebody else would have broken both of her arms.”
Hoogtepunt: 0’27”. “Staring at my picture book / She looks like Mary, Queen of Scots,” mijmert Jim wanneer hij terugblikt op het drama. Dat een mens zich zó kan laten vangen door een mooi gezichtje, lijkt hij zichzelf nog te vergoelijken.

19. Hello It’s Me

Het was 1 april 1987, en de slechte grap was dat Lou Reed en John Cale elkaar precies op de begrafenis van Andy Warhol voor het eerst in jaren spraken. Het gedenkstuk dat schilder Julian Schnabel hen toen suggereerde te maken, kwam er drie jaar later dan toch. Songs For Drella was in 1990 een prachtig eerbetoon aan de kunstenaar die beiden had gemaakt tot wat ze waren. “All you gotta do is work”, herinnerde de één zich in Warhols schoenen, “I got the style it takes”, citeerde de ander. En zo schilderden de twee een helder portret van een artiest die van mysterie een kunstvorm had gemaakt vooraleer ze definitief besloten nooit nog met elkaar te werken. Het eindpunt? “Hello It’s Me”, een finaal afscheid aan hun mentor vol spijt en bedenkingen: “When Billy Name was sick and locked up in his room, you asked me for some speed, I though it was for you / I’m sorry if I doubted your good heart”, maar ook “I have some resentments that can never be unmade / You hit me where it hurt I didn’t laugh”. Niemand heeft ooit gezegd dat afscheid nemen gemakkelijk is.
Hoogtepunt: 2’21”. “Oh well, now Andy, guess we’ve got to go / I wish some way somehow you like this little show / I know this is late in coming but it’s the only way I know / Hello, it’s me / Goodnight, Andy”. En dan een zeldzaam teder “Goodbye, Andy”. Schoon afscheid.

20. Vanishing Act

Hij schuwde het conflict niet en stampte al eens lustig op de schenen, maar in zijn mooiste liedjes bleek Lou Reed een fijnbesnaard iemand. Empathisch en gevoelig. Zo ook in “Vanishing Act”, een ingetogen nummer uit zijn ambitieuze Edgar Allen Poe-interpretatie, The Raven (2003). Geruggensteund door een minimum aan pianoaanslagen, mijmert Lou over de geneugten van het verdwijnen. Over de schoonheid van het sterven zonder spijt. De korrel in zijn onvaste stem zal u uitkleden en ontroeren. Nooit klonk een New Yorker zo breekbaar.
Hoogtepunt: 0’44″. “It must be nice to disappear…” en overeind gaan die nekharen.

En dan natuurlijk nog:

Metal Machine Music, pt. 1

”Ach, fans… Zijn de mijne niet allemaal gaan lopen na Metal Machine Music?” gaf Lou Reed een reporter lik op stuk. Lulu — het beruchte misbaksel dat hij maakte met Metallica — was zonet verschenen en de criticaster had geopperd dat deze wel eens de doodsteek van zijn carrière kon betekenen. Het antwoord van Lou was smalend, maar misschien niet geheel van de pot gerukt: hij had immers al jarenlang een patent op het vervreemden van fans, kompanen en geldschieters. En hij was altijd terug op zijn voetstuk gekropen. Zo was Metal Machine Music er gekomen nadat RCA Records in 1975 aandrong op een snelle opvolger voor het populaire Sally Can’t Dance. “Dikke vinger,” moet Lou gedacht hebben, en hij gaf ze zestig minuten drones, white noise en feedback. De platenbonzen schoten in een kramp. Fans renden met zogenoemde “kapotte elpees” terug naar de platenwinkels om hun geld terug te eisen. Reeds carrière leek er (alweer) door gehypothekeerd, maar vandaag wordt Metal Machine Music beschouwd als een vroege voorloper van de industriële en experimentele muziek. Lou heeft altijd beweerd dat hij het oprecht zo bedoeld had. Of dat werkelijk waar is, zal wel eeuwig onderwerp van discussie blijven.
Hoogtepunt? Tja.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in