Jade Bird :: 17 februari 2019, Botanique

Februari is flink halfweg, het is tijd om de nieuwe muzikale helden te ontmoeten. Zou dit jaar wel eens kunnen kleuren: Jade Bird, die zich in de Botanique warmliep voor haar albumrelease. De Britse liet pit, een fris geluid, en een talent om verhalen te vertellen horen, maar ook een gelikt kantje dat haar de foute richting kan opsturen.

Jade Elizabeth Bird. Proef de naam op uw tong, wals hem eens rond, en schrijf hem op. Het is er eentje die u dit jaar nog zult horen vallen, en dat zal niet meer dan terecht zijn. Zo liet de jonge Britse zondagavond in de uitverkochte Witloofbar van de Botanique horen. Nauwelijks twintig was ze toen ze anderhalf jaar geleden de EP Something American uitbracht, vandaag staat ze zoveel verder, maar nog steeds is er die pit, die die vijf songs zo’n knap visitekaartje maakten.

De blues waren het, die de jonge Bird grepen, en haar richting gaven met die gitaar die ze op haar dertiende had vastgegrepen. De verhalen die de beste countrysongs brengen. Ze had het op die EP al in de vingers, zo laat ze al snel horen in “Cathedral”, een simpel verhaal over een vrouw die beslist haar bruidegom aan het altaar te laten staan. ‘We torture each other and wonder why
We ever promised until we died / I swore that I’d never leave you behind
/ But I’ve seen the light, oh, I’ve seen the light’, gaat het, en het klinkt alsof ze het zingt uit eigen ervaring.

Dat is niet zo, net als het boontje-komt-om-zijn-loontjeverhaal van “Uh Huh”, een woelige, boze rocker die aan het vroege van P.J. Harvey doet denken, als die dubbel zoveel volume had. Bird heeft een krachtige en wendbare stem, die ze volledig onder controle heeft; ze praatzingt in de strofes, krijst dat refrein, laat het poeslief uitmonden in dat “uh huh”. En dat is maar één nummer. Een even gedreven “Good At It” gaat op dat elan door, vooraleer ze vier nummers gas terugneemt.

“Ik heb het gevoel dat ik hier aan het doorrazen ben; bang bang bang”, beseft ze zelf ook op dat moment, en dat klopt. Zes nummers op twintig minuten is een pittig tempo, de teller zal stoppen op zeventien op net geen uur. Geen poespas, geen tijd verliezen; het geeft het optreden een punkachtige vaart dat de al te gladde kantjes van sommige nummers compenseert, het gevoel dat ze net zo goed de nieuwe KT Tunstall kan worden nuanceert. Zelfs al zijn de spontane bindteksten duidelijk ingestudeerd. Wie elke avond dezelfde nummers speelt moet zijn publiek niet bedotten dat iets “speciaal voor vanavond is” – we weten allemaal de weg naar setlist.fm.

Maar dat trage blokje dus. Een solo op piano gebrachte cover van Kate Bush’ “Running Up That Hill” is een vermoeiende vingeroefening die elke zangeres ooit al heeft gedaan, dan is “Good Woman” een beter moment, net als “Does Anybody Know”. Dan laat Bird horen dat ze het ook zonder loeien kan. “If I Die” is echter de trage teveel, en dat weet ze zelf ook wel. ‘Ik beloof je: hierna geen tristesse meer’. Klopt: in “Side Effects” daarna voel je Bird en haar band aan de ketting snokken, hongerig om los te breken. Het rotding houdt nog even stand, maar onder het aanhoudende gebeuk van “Hold That Thought” moet het opgeven. Slotnummer “Love Has All Been Done Before” mag helemaal in een vinnige rockout eindigen, die belooft dat meer mogelijk is.

Want ja, Jade Bird klinkt vaak nog behoorlijk veilig en als niet meer dan de nieuwe heldin van weer een nieuwe generatie tienermeisjes, toch is er altijd die hint dat er meer in zit. Dat het maar één slecht lief, een béétje tegenslag vraagt om de main stream een fuck you toe te gooien en ongebreideld haar eigen ding te doen. God weet dat we Jade Bird niets meer toewensen dan dat ze koppig doet wat ze wil. En dat dat dan spannender mag zijn dan “Black Horse And A Cherry Tree”.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in