We Are Open 2019 :: 8 en 9 februari 2019, Trix

Onze jaarlijkse afspraak met de muziekbraderij van Trix is al vaste prik sinds de eerste editie in (alweer) 2009. Het vaderlandse muzieklandschap is in die zeven jaar grondig door elkaar geschud — net als de garderobe van het talrijk aanwezige jonge grut. Minder gitaren, meer hiphop, meer elektronica, meer ‘werelds’. Het toont aan dat ons land meer dan ooit een lappendeken van culturen, invloeden en vernieuwing is. Ook al vertoont die vernieuwing soms wat groeikrampen.

Live muziek. Wat De Nieuwe Lichting ons ook probeert wijs te maken: het is en blijft het nec plus ultra van de muziekbeleving. Als je een muziekconcours kunt winnen zonder nog maar één keer samen in een repetitiekot te hebben gezeten, zijn de apocalyptische doembeelden niet ver van de horizon. Aan We Are Open om ons toenemend pessimisme in de hedendaagse muziekscène te counteren. En verdraaid, dat is nog aardig gelukt ook.

Eerste wapenfeit en meteen de eerste homerun van de avond: Phoenician Drive bestaat uit zes Brusselse ketten van diverse pluimage die een hoogst eigenzinnige mix van rock, psychedelica en traditionele Oosterse muziek fabriceren. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat de basisopstelling van twee gitaren, bas en drums worden aangevuld met een Ud en verschillende soorten percussie zoals een Darboeka. Er wordt ook lustig rondgestrooid met gitaar- en andere effecten, zodat het geluidspalet dat zich in het Trix Café ontplooit aan het astronomische grenst. Want als zo’n Ud het ene moment mooie Arabische klanken voortbrengt om vervolgens quasi meteen over te schakelen op een vette stonerriff, dan dat doet iets met een mens. Phoenician Drive wipt binnen elk nummer verscheidene keren van de ene stijl op de andere, lardeert het met lekkere lappen psychedelische improvisaties en combineert dat nog eens met een uitmuntend spelniveau (een paar solo’s zijn werkelijk om duimen en vingers van af te likken). Top show, en dan waren we nog maar pas begonnen. Hun eerstvolgende Belgische optreden is pas deze zomer op Yellowstock in Geel. Daar mogen er gerust nog meer data bijkomen.

Jan Maarschalk Lemmens, beter bekend als Glints, speelt vanavond een thuismatch. Maarschalk heeft familiale connecties in Londen, waaraan hij een hoog geezer-gehalte, dito accent en een voorliefde voor grime aan overhield. Flink wat durf ook, want zomaar in je uppie de grote zaal van Trix onder de knoet proberen krijgen, that takes some balls, Sonny Jim. Maar met Werchter, Pukkelpop en Lokerse Feesten op het piepjonge palmares kan Lemmens al meer ervaring voor de dag brengen dan menig band met meer jaren op de teller. En dat is niet onbegrijpelijk: zijn poppy, melodieuze grime is knap geproducet, zijn raps verraden overduidelijk een fikse dosis skillz en hij kan nog eens een flinke noot zingen (als de autotune uitstaat, kan je dat zelfs horen).

Vooral de meer heftige, duistere nummers springen eruit, zoals aankomende single “Gold Veins”, dat teert op een heerlijk dreigende Ennio Morricone-sample van For A Few Dollars More. Middenin de set wordt de toon wat lichter en dat mag wel, maar Glints is pas echt in zijn element wanneer hij loeihard mag uithalen. Dat bewijst hij met de twee slotnummers “Minimum Wage” en single “Bugatti” (”I see what you did there, mate”). Het publiek maakt er (na enig aarzelen) ook een feestje van. Dat is ook de verdienste van Lemmens, die het hele optreden lang als een botsbal over het podium stuiter, het publiek aanvuurt en er uiteindelijk ook induikt. Ik weet niet of hij een Fitbit heeft, maar op het eind van de set zal die wellicht “Ho ho, kalm aan, kerel” hebben aangegeven.

Juicy overtuigde ons helemaal niet op de YouTube-filmpjes die we in de aanloop van deze avond zagen. Julie Rens en Sasha Vovk uit (alweer) Brussel klonken ook wel als hun bandnaam: fris en fruitig, maar ook weinig serieus en oppervlakkig. Op het podium bleken deze dames daar echter een heel erg grote troef van te hebben gemaakt. Van achter hun keyboards, drumpads en andere knoppen- en dradenmachines maakten ze er in het Trix Café een dik feest van. De set zat strak, entertainde als een tierelier en het aanstekelijk enthousiasme en joie de vivre van deze meiden (fluovlechtjes in het haar, nu al de volgende knettergekke kledingrage, hou u maar vast) was gewoon rotaanstekelijk. Muzikaal zit het ook allemaal erg ingenieus in elkaar: elke beat en synth op de juiste foute plaats, aanstekelijke refreinen en het franglais rappen is best tongue in cheek (hoewel het duidelijk is dat de dames in hun moedertaal duidelijk veel meer in hun mars hebben). Als het optreden eindigt in een collectief publieksdansje, hebben Julie en Sasha al lang de match gewonnen. Leuk, héél erg leuk.

We hadden gehoopt op een frisse jazzwind tussen als dat elektronisch geploeter (de rest van de avond geen enkele gitaar meer gezien), maar zodra Matthias De Craene een kegel wierook aansteekt en de bar boven omtovert tot de slaapkamer van een wicca-tienermeisje, weet je dat die hoop ook om zeep is. Gelukkig is er nog de muziek van De Craenes project MDCIII, dat het muzikale avontuur naar de jungle op een halve liter peyote brengt. De kern is de saxofoon van de Craene, aangevuld met twee drummers (Lennert Jacobs en Simon Segers, die zich vandaag moest laten vervangen). Maar er is nog zo veel meer: allerhande percussie-instrumenten, pedalen, loopstations en zelfs een heuse tuinslang worden bovengehaald — alsof we naar een muzikale goochelshow staan te kijken.

Muzikaal drijven de drums de muziek vooruit, waarbinnen De Crane de vrijheid krijgt om met zijn sax, stem of ander instrument kleur, textuur en sfeer aan te brengen. Over het algemeen is die sfeer broeierig, bezwerend en opzwepend als een sjamanistisch ritueel. Het duurt weliswaar even voor het publiek helemaal opgaat in de trip. Dat ligt aan de locatie (er is veel passage en de bar is vlakbij) en de duidelijke onervarenheid van heel wat toeschouwers met dit soort muziek (veel verwarde blikken gezien). Maar naar het einde, wanneer de set zijn hitsige climax bereikt, kan je niet anders dan voor de bijl gaan. “Helemaal top”, vat een Noorderbuur het voor ons samen. Helemaal akkoord.

De officieuze hoofdact van dit showcasefestival is zonder veel twijfel Zwangere Guy. Het alter ego van Gorik van Oudheusden — wéér een Brusselaar — brak de voorbije jaren al een paar muzikale potten en bevestigde eind 2018 definitief met de single “Gorik Pt. 1”, een keiharde afrekening met zijn gewelddadig verleden. Zijn nieuwe album Wie Is Guy verschijnt volgende maand, dus hoog tijd om het publiek warm te maken voor de nieuwe shizzle. Het ganse concert bestaat ook uit nieuw werk, dus dat geeft alvast een goeie indruk van wat er ons binnenkort zal worden voorgeschoteld. “Gorik Pt. 1” zit er al vroeg bij — in het bijna volledige duister, met enkel Guy langs achter belicht — en is, zoals verwacht, meteen een hoogtepunt. Voor de rest is het vooral Guy die met bijwijlen indrukwekkend MC-schap uitpakt. Zijn voordracht houdt het midden tussen een uit de kluiten gewassen, streetsmart ketje en een maniakaal gestoorde psychopaat. Maar entertainen doet het wel.

Wie Is Guy moet duidelijk een doorbraakplaat worden en mikt op heupen, benen en vuisten (voor in de lucht en soms ook voor op uw muil). Het is dan ook jammer dat de productie van de nummers niet verder komt dan beats, synths en samples die makkelijk scoren maar tegelijk weinig zin voor avontuur tentoonspreiden. Heel de set lang klinkt de productie nooit écht ingenieus, prikkelend of spannend. Op zich niks mis mee, want het doet duidelijk zijn werk, maar op een avond als deze — waar we toch al heel wat verrassende dingen te horen hebben gekregen — klinkt dit concert een beetje als een metalzanger in een kinderkoor: heel erg aanwezig, maar niet helemaal op zijn plek. En over dat nummer met Selah Sue … daar moeten we toch nog eens héél goed over nadenken.

Charlotte Adigéry was tot voor kort beter gekend als zangeres van WWWater, maar mikt nu ook op een volleerde solocarrière onder eigen naam. Hoewel: muzikaal wordt ze zowel in de studio als live bijgestaan door Boris Zeebroek, die ook bij WWWater een dikke vinger in de pap heeft. Maar goed: het is duidelijk dat Adigéry hier helemaal naar voor geschoven wordt als soloproject. De single “Paténipat” scheerde al snel hoge toppen (ter illustratie: tijdens het schrijven van dit artikel hoorde ik het ineens op BBC 6 Music gedraaid worden), dus de verwachtingen zijn niet gering. Dat valt ook de zien aan de zaal boven, die tot ver voorbij de bar tjokvol nieuwsgierigen staat. Niet slecht voor een debuutoptreden.

Nu ja, het is wel snel duidelijk dat we niet met onervaren snotneuzen te maken hebben. Adigéry heeft zich uitgedost in een fancy zwart imkerpak, er zijn minimale projecties en speciale belichting. Over de show is dus al nagedacht. Over de muziek gelukkig ook: Charlottes r&b-gevoelige vocalen worden ondersteund door een knap gecomponeerde en ingenieuze mix van futurepop, electro en retro-dance. En ondanks de heel retro-feel van dat geluid, klinkt het allemaal erg hedendaags en origineel. Het repertoire is niet enkel hoogst dansbaar, maar baadt ook in een zweem van zwoele sensualiteit, vooral veroorzaakt door de zang van Adigéry. Die is duidelijk heel erg in vorm en heeft met haar aanstekelijk enthousiasme nauwelijks moeite nodig om de zaal helemaal op haar hand te krijgen. Open doekje voor Charlotte, maar ook wel een beetje voor Boris, die we zaterdag nog te zien krijgen bij The Germans.

Al een ganse avond getrakteerd op avontuur, branie en originaliteit, maar nog geen anarchie en totale waanzin tegengekomen. Hold my beer, klinkt het vanuit het midden van de grote zaal, waar Beraadgeslagen zich heeft opgesteld. Spuuglelijke trainingsjassen, een batterij synths en knoppen waar Keith Emerson een wenkbrauw van zou fronsen, en een typische Lander Gyselinck-drumkit waarvan je niet weet welk geluid er nu weer uitkomt. Beraadgeslagen is de speeltuin waarin Gyselinck en toetsenist Fulco Ottervanger hun muzikale fantasie de vrije loop laten en hun eigen stinkende goesting kunnen doen. Een genre hierop kleven is onmogelijk en onnodig, maar het geheel blinkt uit in eigenzinnigheid, funkiness, tegendraadsheid, humor en een torenhoog je-m’en-foutisme. Gyselinck wisselt met zijn ene hand constant tussen bassynth en drumkit (knap hoor), terwijl Ottervanger quasi permanent aan van alles en nog wat zit te prutsen om ervoor te zorgen dat er toch minstens om de twintig seconden een ander geluid uit de keyboards komt. Maar ondanks die zenuwachtigheid klinkt alles bijna contradictorisch relaxed. Dat heeft vooral te maken met de laidback funk die als basis dient voor al die lagen, maar ook met het zelfvertrouwen en bravado dat het tweetal uitstraalt. “Het maakt allemaal niet uit. Als het geheel op zijn bakkes gaat, redden we ons er toch gewoon uit”, hoor je ze bijna denken. Als afsluiter van een avond voor avontuur is deze geestige waanzin dan ook perfect op zijn plaats. Morgen weer gitaren. Als dat maar goed komt.


Zaterdag, rockdag. Vandaag heersen de gitaren, en dus wordt Trix extra gestut voor het nog maar eens uit zijn hengsels wordt geblazen. Dat zal uiteindelijk pas laat gebeuren, de aanloop is eerder rustig.

En toch staan The Calicos er. Anderhalve maand geleden sloten ze boerenjaar 2018 af in een eigenhandig gevulde De Roma, maar de schaal van de Trix Bar past het zestal rond Quinten Vermaelen duidelijk beter. Waar de songs toen al eens te slap uitvielen, de performance te flauw, zindert alles hier vanaf de eerste noot. De band speelt potig, laat de gitaren scheuren alsof wijdbeens de open road bereden wordt, de goesting spat er op zijn Easy Rider’s van af. En ook als er gas teruggenomen wordt –- Rood licht? Een scherpe bocht richting toekomst? -– klopt het plaatje. Nieuwe single “Driftwood” is een aardige kabbelaar, “Runaway Kid” een aardig smachtende ballad. En dan is het al gedaan, dit krap bemeten half uur, met een gierende versie van “Our House” –- één derde ophitsende riff, één derde War On Drugs, één derde Helemaal Iets Van Zichzelf –- waarin Vermaelen zich te buiten gaat aan ouderwets goed soleren tot alle noten op zijn. The Calicos zijn nog altijd het lekkerste dat zich momenteel rond Americantwerpen ophoudt. Benieuwd of het in 2019 ook een plaat oplevert.

Twijfels in het Café beneden ondertussen. Is dit het stemmen van de machines of is Marc Meliá al begonnen? Het eerste gaat duidelijk in het laatste over, zo blijkt als de pruttelelektronica echt een eerste nummer blijkt te worden. Klinkt goed, maar eigenlijk staat deze Mallorcaanse Brusselaar hier een paar uur te vroeg. Dit soort tegendraadse dansmuziek hoort immers de opmaat naar de afterparty te zijn, niet de voorpret op de headliners. Maar laat dat de enige randbemerking zijn; het trio achter machines en elektronische drumkit boeit, doet bij momenten aan Caribou, Daphni en Panda Bear denken, maar roept in zijn ingetogen momenten net zo goed herinneringen op aan Nicolas Jaar. Horen we nog wel van.

Wie weet gebeurt dat ook met Vito, dat ons drie maanden na zijn laatste passage in Trix even op het verkeerde been zet. Is Mauro Bentein alweer ontslagen als snarengeselaar naast songschrijver en naamgever Vito –- hij die ‘voadre’ mag zeggen tegen Derek van The Dirt? Neen hoor, hoogstens voor één avond vervangen door Nathan Ysebaert van Shht, zo fluisteren de wandelgangen ons in. Wat wel doet fronsen: een eerste nummer dat drijft op vloeiende baslijnen en percussie. Is dit dezelfde groep die we toen zo hard zagen slacken? Een tweede song brengt zekerheid: jawel, en Mac DeMarco wil nog altijd zijn schtick terug. Zegt Vito: “Alleen als je eerst ook goeie songs leert schrijven.” Want stiekem kan hij dat wel. “Het volgende is een liefdesliedje, hihi”, wordt er eentje aangekondigd en het doet ons noteren ‘stadionslackerij is vanaf nu een ding’. En dat van ‘no liquor in the liquor storen?’ Altijd zorgen dat je vóór The Scabs bent langsgeweest, jongens.

Wat een mooie bandnaam toch, Crayon Sun. Alleszins beter dan “Aldo & Big Dave”, de twee koppen achter de groep. Aldo Struyf (Millionaire, Creature With The Atom Brain) en blueszanger Dave Reniers werkten al eens samen op de laatste Creature-plaat, maar sloegen de handen dit keer echt in elkaar voor een heuse band. Crayon Sun laat ruimte voor de eigenheid van beide heren, maar slaagt er ook in om daaruit een eigen geluid te boetseren. Gitaren blazend als woestijnzand, mondharmonica, maar ook synths en elektronica: Cayon Sun slaagt er wonderwel in om het onverzoenbare samen te brengen. Dat is vooral ook de verdienste van Big Dave, die met zijn krachtig maar warm stemgeluid alles mooi aaneen smeedt. Over het algemeen is Crayon Sun een relatief ingetogen gezelschap, maar een stevige uithaal of een snedige, goedgeplaatste solo houdt het optreden spannend, net als die voortreffelijke Lee Hazlewood-cover trouwens. Crayon Sun is als een autorit door de woestijn bij valavond, met de stem van Big Dave als ondergaande zon. Straffe show.

Dat St. Grandson begint met “You Will Find” kan maar twee dingen beteken. Of hij wil zeggen “Dat was toen, nu volgt Iets Nieuws”, of “Haha, wacht maar, ik kan veel beter”. Het is erger. Dit is overmoed, want is dat singeltje waar hij al twee jaar op surft al vrij brave fluff, dan is de rest geen haar beter. Dit is brave poprock die past op het podium van Werchter, zo rond 13 uur. Als dit nog altijd 2001 was. We willen maar zeggen: zeldzaam zijn de jongenskamers waar Snow Patrol en Athlete nog altijd postergewijs aan de muur hangen, maar die van Benjamin Decloedt is er zo eentje. “Midnight Swim” is dan weer een kleffe ballad die mikt op prepuberale meisjes en even gevaarlijk Bon Jovigewijs lijkt te gaan uitbarsten wanneer de drummer een roffel inzet. Zelfs dat gebeurt echter niet. Waarom bestaat dit, in Godsnaam?

We kennen El Yunqe als een licht geschifte, tegendraadse, maar ijzersterke noiserockband. Excuseer: kenden. Want vorig jaar verscheen Oh Hi Mark, een verontrustende koortsdroom van een plaat, die de noise helemaal achterwege liet, maar daar een duister geluid vol weerhaken voor in de plaats gaf. Want de nummers op Oh Hi Mark, waaruit de set integraal bestaat, zijn niet meteen voor Jan en alleman. Ze zijn repetitief, hypnotisch, bevreemdend, absurd en dreigend. Hetzelfde kan gezegd worden van de teksten, die als een ongrijpbare woordenstroom uit de speakers rollen (en door de bandleden als ware het een mantra worden opgedreund, ook al bevinden ze zich niet aan een microfoon). Deze bijna dadaïstische performance is misschien niet voor iedereen weggelegd (we zien wel héél veel verwarde blikken in het publiek), maar sleept je wel mee in het scheve, donkere universum van El Yunque. Ook de gastbijdrage van Fenne Kuppens in het tien minuten durende “Siri, Please”, dat ontaardt in een ongemakkelijk dreigende climax, past daar perfect in. Hoera, we hebben onze eigen Père Ubu!

Schaars gevulde grote zaal voor Marble Sounds, maar het gezelschap rond Pieter Vandessel sukkelt dan ook met het vierde albumsyndroom. Als alles al gezegd is, wat zeg je dan nog? In het geval van deze groep: je maakt een pas op de plaats. Klonk niet geweldig op plaat, maar “The Advice To Travel Light” spat vandaag wél uit de boxen. Een zevenkoppig Marble Sounds (het laatste optreden met bassist Frederik Bastiaensen) speelt vandaag met de stand op potig, laat de titelsong van dat laatste album uitmonden in een wervel van blazers, gitaren en drumroffels. Beter nog is “Anyhow (Even Now)”, dat een armwuivend refrein meekreeg, of “Photographs”; het klinkt allemaal nog altijd te goed om te worden weggelachen. Die halflege zaal heeft dus gelijk, de rest niet. Schrijf Marble Sounds voorlopig nog maar niet af.

Na El Yunque heeft Fenne Kuppens een spurtje getrokken richting Clubstage, waar de rest van Whispering Sons wordt opgewacht door een on-waar-schijnlijke massa volk. De zaal boven stond werkelijk onverantwoord vol. Niet verwonderlijk, met een debuutplaat en single die in heel alternatief Vlaanderen insloegen als een bom (maar daarvoor wel geen MIA kreeg). Waarom Whispering Sons niet in de grote zaal stond, is een raadsel. Anderzijds past dat claustrofobisch sfeertje wel perfect in het geluid van de band. De duistere, bijna paranoïde postpunk van het vijftal werd in de voorbije twee jaar uitgepuurd en strak gezet. Net als de liveshow overigens: hier staat een gerodeerde band die zonder enige moeite een retestrakke set neerplant. We horen feilloze uitvoeringen van “Stalemate”, “Waste” en uiteraard “Alone”, dat al vroeg in de set zit, maar ook meteen de puntjes op de i zet. Hier wordt niet rondgeklooid of aan volksmennerij gedaan: gewoon spelen en zo het kot afbreken.

Kuppens is ook een echt godsgeschenk voor een band als Whispering Sons: met haar stem en podiumprésence kan je Boris Karloff doen verstijven, maar het oogt allemaal naturel en authentiek. Het publiek krijgt meermaals een masterclass ‘intens in de menigte staren’, maar die ogen branden wel degelijk door je netvlies. Dat is net de grote sterkte van Whispering Sons: deze groep méént het! Vooral het afsluitende drieluik “Waste”, “Wall” en “Dense” — stuk voor stuk onbetwistbare hoogtepunten — toont de klasse van Whispering Sons. Optreden van het festival, als u het ons vraagt. Als Ian Curtis had geweten dat zijn muzikale erfenis na veertig jaar nog springlevend en relevant zou zijn, had hij zich waarschijnlijk wat vrolijker opgehangen.

Twee mannen die dit weekend dubbele pree trekken. Boris Zeebroek en Lennert Jacobs, gisteren respectievelijk bij Charlotte Adigéry en MDCIII, staan vandaag samen met The Germans op het kleine podium van de bar. Wat The Germans precies is? Geen flauw idee eigenlijk, maar dat doet er eigenlijk allemaal niet toe. Binnen een paar maanden verschijnt er een nieuwe plaat (dat was intussen even geleden) en ook deze keer weer is het zoeken naar raakpunten of poten om op te staan. We horen epische krautuitbarstingen, koortsachtige psychedelische grooves, een paardenmolen op LSD, … enfin er was weer geen touw aan vast te knopen. Maar het blijft toch een aanstekelijk potje experiment, dat daar voor (schande) slechts een handvol spacende toeschouwers wordt geserveerd. De Germans zijn altijd goed als ze doen waar ze goed in zijn: hun eigen stinkende goesting.

We vroegen ons af waar al dat volk naartoe was, blijkt dat iedereen in de grote zaal naar SONS was gaan kijken. We moeten het ruiterlijk toegeven: we hadden die hype enigszins gemist. Thuis staat er enkel death metal en Tuvaanse keelzangen op, excuses. Maar de potige garagerock uit het mondaine Melsele heeft sinds winst in De Nieuwe Lichting vorig jaar heel wat zieltjes gewonnen. We pikken het slot nog mee en zien een volle zaal compleet uit haar dak gaan op de vettige gitaren en stomende drums van het viertal. Het is vooral een feest van herkenbaarheid: SONS is rechttoe rechtaan en neemt daarom ook geen risico’s, tenzij op het vlak van decibels. De songs zitten ook allemaal lekker in elkaar, het spelniveau is meer dan deftig en de mannen staan zich kennelijk te pletter te amuseren. Afsluiten met een feestje, dat mag wel als je weer kan vaststellen dat het Belgische talent er weer voor minstens een jaar tegen kan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in