Wolfram Eilenberger :: Het tijdperk van de tovenaars

Er zijn momenten in de geschiedenis dat het wel lijkt alsof alles wat al enige tijd aan het broeden was in een grote gulp er uit stroomt. Een van die periodes was ongetwijfeld het interbellum, de periode tussen het einde van de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van de nazi’s, Erwin Schrödinger en Werner Heisenberger ontwikkelden naast anderen de principes van quantumfysica, het expressionisme vierde hoogtij in de Duitse film terwijl het surrealisme onder meer in de schilderkunst om de hoek kwam kijken. Ook op filosofisch vlak roerden zich enkele trommen.

Wie aan de intellectuele jaren twintig denkt, kan niet voorbijgaan aan Martin Heidegger en Ludwig Wittgenstein, twee filosofen die elk meer dan hun stempel op het latere denken drukten. De Oostenrijkse (en seculiere jood) Wittgenstein kwam na een ingenieursstudie in contact met het werk van Gottlob Frege en Bertrand Russel. Onder de vleugels van die laatste startte hij een filosofiestudie in Cambridge die hij onderbrak om tijdens de Eerste Wereldoorlog dienst te nemen in het Duits-Oostenrijkse leger. Begin jaren twintig publiceerde hij zijn beruchte Tractatus Logico-Philosophicus (1921/22) waarna hij alle filosofische problemen als opgelost beschouwde en besloot schoolmeester te worden. Na de nodige teleurstellingen keerde hij in 1929 echter terug naar Cambridge waarna hij zich opnieuw aan de filosofie wijdde.

In deze zelfde periode wist Martin Heidegger zich in de gratie te werken van Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie, al verwisselde hij snel tijdens zijn academische carrière Husserls denkbeelden in voor een eigen uitgewerkt systeem van metafysica en ontologie. Dat systeem zou hij uitgebreid gaan beschrijven in het tot een klassieker uitgegroeide Zijn en Tijd (1927). Een filosofisch werk waarvoor hij tal van nieuwe begrippen en woorden uitdacht en dat samen met Husserls werk de grondslag zou vormen voor het existentialisme zoals dit onder meer door Jean-Paul Sartre en Emmanuel Levinas groot zou gemaakt worden in het na-oorlogse Frankrijk van de jaren vijftig. Heidegger was in zowat alles een heel andere figuur dan Wittgenstein, al hadden beide een schare bewonderaars en aanhangers.

Hoewel Heidegger en Wittgenstein elkaars pad niet kruisten, en er ook andere ideeën over filosofie op nahielden, schermde Heidegger in die periode wel met Duits-joodse `ouderdomsdeken` Ernst Cassirer. Hem kan men, in navolging van zijn leermeester Hermann Cohen, tot de belangrijkste stemmen onder de neo-kantianen rekenen. De meer bezadigde Cassirer is heden ten dage vooral gekend onder beroepsfilosofen maar was in zijn tijd een bekende en gerespecteerde academicus (zijn werk heeft nog steeds haar merites). In maart 1929 ging hij in het Zwitserse Davos met Heidegger in debat over de waarde en betekenis van Immanuel Kants Kritik der reinen Vernunft (1781) waarbij beiden een andere visie verkondigden. En hoewel niet echt gesteld kan worden dat een van beide het gelijk haalde, omschrijft onder meer Harvard-historicus Peter Gordon het als een kantelpunt voor de continentale filosofie.

Terwijl deze intellectuele zwaargewichten elk hun eigen weg vervolgden, bleef de (eveneens Duits-joodse) Walter Benjamin grotendeels aan de kant staan. Benjamin, een man van twaalf stielen en dertien ongelukken, startte verschillende studies op die hij met moeite afwerkte terwijl hij zijn aandacht al op een ander thema had gericht. Benjamin had geregeld contact met Duitse intellectuelen en kunstenaars als Bertold Brecht, Max Horkheimer en Theodor Adorno, die allebei na de Tweede Wereldoorlog als `grondleggers` van de Frankfurter Schule naam zou maken. Ondanks deze kennissenkring wist Benjamin nooit iets echt te verzilveren, hij had een ongekend talent voor het opblazen van bruggen en half-ingeloste beloftes, niet in het minst doordat hij zich continu op nieuwe thema’s stortte. Pas in 1955, vijftien jaar na zijn zelfmoord (hij was op de vlucht voor de nazi’s), werd zijn talent ten volle erkend met de publicatie van Schriften.

Het zijn vier uiteenlopende denkers met elk een bijzonder en eigen levenspad die Wolfram Eilenberger gekozen heeft om centraal te zetten in Het tijdperk van de tovenaars. Het grote decennium van de filosofie, 1919-1929. De keuze voor net deze vier is uiteraard enerzijds voor de hand liggend, zij het dat Benjamin een wat vreemde eend in de bijt is, maar anderzijds ook wat arbitrair. Want Eilenberger lijkt een verband tussen hen alle vier te zoeken dat er niet noodzakelijk is, al kan het wel doelbewust gelegd worden. Hierbij gaat het niet louter om het feit dat ze alle vier in eenzelfde periode als denker actief waren maar vooral over de manier waarop ze een nieuwe dan wel oude stroom in het denken vertegenwoordigen. In het bijzonder Wittgenstein en Heidegger bouwen voort op de (nieuwe) ideeën van anderen (Frege/Russel – Husserl) en trekken ze daarna verder door terwijl Cassirer met enige overdrijving het oude denken voorstaat en de buitenstaander Benjamin perfect de tijd aanvoelt.

In welke mate ze met elkaar verbonden zijn, is echter van minder belang voor de appreciatie van Eilenberges boek. Via een chronologisch verloop blikt hij immers terug op zijn `vier filosofen` en waar zij in eenzelfde periode stonden. Waar Wittgenstein en Benjamin een tijdje buiten het academische veld leven, staan Cassirer en Heidegger er net volop in, waarbij Cassirer een ware burgerman en stedeling (net als Benjamin) is terwijl Heidegger zichzelf het meeste thuis voelt in een landelijke omgeving en zich ook veeleer als een ambachtsman (in het denken) beschouwt (het soort leven dat ook Wittgenstein genegen leek). Eilenberger weet op een heldere en knappe manier het leven en denken van de `protagonisten` aan elkaar te koppelen waardoor ook duidelijk wordt hoezeer beide met elkaar verbonden zijn en elkaar beïnvloedden.

Een belangrijke waarde in Het tijdperk van de tovenaars ligt dan ook in de manier waarop geschiedenis, biografie en filosofie met elkaar verweven worden tot een helder en leesbaar geheel. Eilenberger kent zijn filosofen duidelijk goed en weet hun belangrijkste ideeën over te brengen en te plaatsen binnen zowel hun leven als de hen omringende maatschappij en cultuur. Op die manier worden enkele van de meest relevante filosofische denkbeelden van de eerste helft van de twintigste eeuw op een aangename manier gepresenteerd die verder gaat dan een loutere analyse of uiteenzetting. Uiteraard kan het boek geen inleiding tot de filosofie van een van hen vervangen, noch de uitmuntende biografieën van onder meer Heidegger (Rüdiger Safranski) en Wittgenstein (Ray Monk) maar als aanvulling en/of opstap tot heeft het zeker zijn merites.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in