Steve Gunn :: The Unseen In Between

Hoewel Steve Gunn ondertussen al dik tien jaar platen uitbrengt, slaagt hij er pas sinds 2013 in een iets ruimer publiek te bereiken met zijn eerste singer-songwriteralbum Time Off. Met The Unseen In Between gaat hij verder op die ingeslagen weg.

Jarenlang was de uit Philadelphia afkomstige maar in New York wonende gitarist actief in de experimentele muziekscene van the city that never sleeps. Hoewel hij nog altijd af en toe actief is in dat wereldje — zo bracht hij vorig jaar samen met drummer John Truscinski nog de langspeler Bay Head uit — leunt zijn stijl sinds het eerder genoemde Time Off vooral aan bij traditionele singer-songerwritermuziek. Zijn gitaarspel herinnert aan John Fahey en zijn betreurde vriend Jack Rose, muzikaal begeeft hij zich tussen de songwriters van de laurel canyon sound, de muziek van The Grateful Dead — zie ook de verwantschap met het solowerk van Lee Ranaldo — en de pastorale folk van Nick Drake. Op dat vlak ligt zijn nieuwste album gewoon in het verlengde van de voorgangers. Met James Elkington nam Steve Gunn een vertrouwde collega als producer onder de arm, maar de meest in het oog springende muzikant op The Unseen In Between is ongetwijfeld bassist Tony Garnier, die vooral bekend is van Bob Dylans liveband.

Muzikaal is er dan misschien niet zo veel verschil met z’n voorgangers, maar inhoudelijk is The Unseen In Between Gunns meest persoonlijke album tot nu toe. Vlak na de release twee jaar geleden van Eyes On The Lines, zijn debuutalbum voor zijn nieuwe platenlabel Matador, overleed zijn vader immers na een slepende ziekte. In het uitstekende “Stonehurst Cowboy” haalt Gunn herinneringen op aan zijn vader (“Dear house near 69th, old street looks the same / Shadow in the sea to a dream to me, stonehurst, long lane“), terwijl hij het op het bijna arcadisch aanvoelende “Morning Is Mended” in het reine komt met diens heengaan (“I see you in a nothing sky, now the morning is mended / you, moving through, as a likeness to defend it”). Het zijn twee nummers die Gunn op zijn meest breekbaar tonen, maar ook een proeve zijn van ‘s mans kunde als songsmid.

Maar ook daarnaast is er wat lekkers te vinden op het album. “Vagabond” bijvoorbeeld, met Meg Baird op achtergrondzang, waar hij verhaalt over mensen aan de zelfkant van de maatschappij. Het nummer neigt lichtjes naar countryrock alvorens het uitmondt in een heerlijk gitaarvuurwerk. Ook erg goed is “Chances”, dat tegelijk wijds en dartel aanvoelt en waar ‘s mans gitaarwerk uitgebreid op het voorplan komt.

Jammer genoeg weet Gunn het niveau niet het gehele album aan te houden. Te veel nummers klinken wat doordeweeks naar zijn normen. De tremelo in openingsnummer “New Moon” bijvoorbeeld begint na een paar luisterbeurten al te vervelen, terwijl nummers als “New Familiar”, “Luciano” of “Lightning Field” wat doelloos rondzwerven. Niet dat het slechte nummers zijn, maar ze voelen eerder als opvulling aan. Het jammere is dat er net iets te veel van dit soort nummers op het album staan.

The Unseen In Between is dus alles bij elkaar genomen maar een half geslaagde Gunn-plaat geworden. Op zijn beste momenten toont het album de kwaliteiten van Gunn als nostalgische songschrijver, maar jammer genoeg wordt dat hoge niveau niet het hele album volgehouden. Al zou het ons nu ook weer niet overmatig verbazen dat de nummers die ons hier minder bekoren live wel volledig tot ontplooiing zouden komen.

Steve Gunn staat op 3 april in De Kreun (Kortrijk) en op 4 april op het BRDCST festival in de AB.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in