Column : Rooting Interest :: Mouth Music

Een van de meest aantrekkelijke aspecten van vele soorten rootsmuziek, en dan vooral de folk en ethno, is het voor onze oren ongewoon gebruik van de zangstem. Want een eigen stem, zoals Raymond van het Groenewoud het ooit bezong, is een zeldzaam goed in de popmuziek, , waar de ene zangmode de andere opvolgt en sommige verheven raken tot genreclichés zo hoog als de Boerentoren. Na elke topper die goed verkoopt, volgt er een kielzog van imitators die een graantje willen meepikken. Hoeveel hardrockzangers zijn er nu al die Robert Plant willen zijn? Hoeveel zangeresjes klinken er als Beyoncé of Amy Winehouse? Tel daarbij het behoudsgezinde karakter van in formats gegoten popradio en de macht van sterproducers die menen te weten hoe iemand moet klinken en je komt grosso modo bij een eenheidsworst terecht waar “anders” bijna per definitie een bestaan in de marge betekent.

Maar als je oude opnamen beluistert van vorsers zoals Alan Lomax of Hugh Tracey (een Brit die van de jaren 20 tot 60 door Afrika trok om muziektradities voor het nageslacht te bewaren), hoor je muziek die bedoeld was om tradities te archiveren voor bibliotheken. Bij gevolg zijn ze ook vrij van bewuste of onbewuste toegevingen aan de nood om het “verkoopbaar” te maken. Het is dan ook daardoor dat je een rijkdom aan stemmen ontdekt die anders waren dan wat we met onze door mainstream gebalsemde oren gewend zijn. Het zijn ruwe diamanten die niet per se geslepen moesten worden.

Een van de stromingen die me daarin het meest fascineert is het gebruik van de stem als ritmisch instrument. Lang voor Louis Armstrong het scatten introduceerde in de jazz, was er in Ierland, Schotland en Bretagne al een traditie van het vocaal nabootsen van instrumenten. Naargelang de streek noem je dat puirt à beul of lilting. In Ierland en Schotland vindt dit gebruik zijn oorsprong in de Engelse onderdrukking. Die bepaalde dat enkel voor kerkdiensten muziekinstrumenten gebruikt mochten worden, alle amusementsmuziek was verboden. Dat was echter buiten de Ierse muzikaliteit gerekend. Al snel werd er volksdansmuziek ontwikkeld die gebruik maakte van alledaagse voorwerpen die vooral niet op instrumenten leken, zoals bijvoorbeeld lepels of schoenzolen, en van het instrument dat geen enkele bezettingsmacht kan onteigenen; de stem. Doedelzakken, fluiten en concertina’s (gitaren en banjo’s zijn niet echt standaardinstrumenten in de oude Ierse folk en zouden pas geïntroduceerd worden wanneer de eerste Ierse expats terugkwamen uit de VS) werden met verve geïmiteerd.

Zoals veel tradities raakte ook deze wat ondergesneeuwd na de opkomst van de popmuziek, maar met de folk revival in de jaren 70 is ze mee terug tot leven gekomen. In Ierland en Schotland zijn er ware kampioenschappen in deze kunde en het duikt steeds vaker op in het werk van jonge muzikanten. De Schotse folkfee Julie Fowlis, geboren en getogen op de Hebriden, is op haar cd’s behalve een vurig promotor van het Gaelic ook een levende reclame voor Celtic mouth music, zoals het genre zich lelijk laat vertalen naar het Engels. Ook aan de andere kant van de oceaan wordt er nog gelild. Het meest recent door Rhiannon Giddens, u wel bekend van de Carolina Chocolate Drops, die er een sterk staaltje van liet zien tijdens een van de Transatlantic Sessions (een reeks van de BBC waarbij er ontmoetingen georganiseerd worden tussen rootsmuzikanten van beide kanten van de grote plas).

In Amerika bestaat deze muziektraditie dan weer dankzij de nazaten van Ierse en Schotse immigratie, maar ook als gevolg van de tradities van de native Americans, waar het gegeven vaak in de vorm van keelzang bestaat, zoals we dat ook kennen van Toeva (Russisch Mongolië) of Lapland. Een enkele keer komt zoiets in de westerse popmuziek terecht, als een je-m’en-foutist zoals Marcel Vanthilt er iets mee doet, maar in Mongolië is er een hele scene van bands die keelzang en rock vermengen. Albert Kuzevin van Yat-Kha was daarvan een van de wegbereiders. Ook in Noord- Scandinavië vind je die tendens, maar dan eerder in combinatie met duistere elektronische beats dan met gitaren. Ook pagan folkbands, een genre dat vooral in Scandinavië en Duitsland de naar patchouli geurende festivalpodia weet te bevolken met acts zoals Omnia of Heilung, maken vaak gebruik van die oude zangtechnieken. Dit gebeurt meestal weer door de hoekigste, meest dissonante kantjes ervan af te vijlen.

Wie bij dissonant nu spontaan denkt aan de avant-gardistische capriolen van Yoko Ono, zit op een verkeerd spoor. In tegenstelling tot de, mijns inziens, van enig muzikaal talent verstoken Japanse performance kunstenares, zijn dit zangers die net een heel virtuoze beheersing van de stem hebben, gevormd door zowel traditie van jongs af aan als door jarenlange begeleiding van leermeesters. Als de Faeröerse zangeres Eivør in Italië geboren was, dan was ze wellicht operazangeres geworden, maar nu dienen haar unieke stembanden om de oude Vikingmuziek opnieuw tot leven te brengen. Ook Qawwali-zangers zoals bijvoorbeeld Nusrat Fateh Ali Khan zingen met een metier waar jaren vorming aan voorafgegaan is. Rootsmuziek klinkt voor menig westers oor misschien enkel dissonant omdat het niet past bij onze muzikale normen, maar dat is nu net wat ik er zo mooi aan vind.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in