End Of The Road 2018 :: Warm als een extra onderhemdje

Voor de lof over hoe geweldig het Britse End Of The Road Festival is, verwijzen we u door naar de verslagen van edities 2013 en 2014, dit jaar gingen we voor de muziek. Welke? Een exclusieve show van Vampire Weekend –- waar zag u die laatst nog anders? –- en een prachtige headlinerspot voor Feist. En daaronder? Een smörgasbord aan ontdekkingen zoals u er nergens anders één proefde.

Donderdag 30 augustus

Toen End Of The Road in 2016 zijn tiende verjaardag vierde, deed het zichzelf een extra dag cadeau. En zoals dat dan gaat: die aanloopdag bleef. Na The Shins op die jubileumeditie en Slowdive een jaar later, is het dit keer Yo La Tengo dat de feestelijkheden overtuigend mag openen. Het voorspel verloopt echter met horten en stoten.

Twee vrouwen, één man, samen drie misfits. Shopping is een vreemd zootje ongeregeld dat een iets te bekend geluid neerzet. Parquet Courts aan de lijn: of er toch niet eens over originaliteit kan gesproken worden. Vijfendertig post-punkbands uit de echte jaren tachtig haken gefrustreerd in: voicemail. Zeker: Shopping weet de periode dat Factory Records in Manchester het mooie weer maakte goed te emuleren, maar raakt niet verder dan een kundige genreoefening. Dat voelt voorlopig wat weinig, maar als ze hier niet op blijven steken, komt het trio misschien nog wel ergens. Wie een vervelend moment als een gebroken snarenwissel met zoveel charme en sass –- moppen vertellen! muziekquiz! –- weet op te vangen, heeft alvast wat showmanship in de vingers.

Een opener die naar krautrock walmt. Een popsong op zijn Dinosaur Jr.’s. Een nummer waarin drumster Georgia Hubley aan Nico doet denken. Ook nog een flard rock à la Broken Social Scene. En dat is nog maar het eerste kwartier. Yo La Tengo is een band met vele gezichten en vandaag krijgen we er een pak van te zien. Nog maar eens Hubley, bijvoorbeeld, die in de kleine ditty “Shades Of Blue” een aardige Moe Tucker neerzet. Zei iemand Velvet Underground? Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” –- “Om te tonen hoe blij we zijn om hier te zijn, brengen we het misschien wel triestste liedje ooit” — krijgt een “Stephanie Says”-achtig jasje, in “I’ll Be Around” gaat de groep aan het ingetogen pielen zoals enkel Lou Reed, John Cale en Sterling Morrison dat konden.

Het is de vierde keer dat Yo La Tengo hier mag spelen, de derde keer als headliner. De liefde is wederzijds. Gitarist Ira Kaplan en bassist-pianist James McNew spelen vurig, laten hun set langzamerhand openbloeien met de gierende snaren van “Cherry Chapstick”, een gitaar uit het Schurend Scharniertje draagt nadien een onbekend nummer. Met het monotoon pompende orgeltje van “Autumn Sweater” en de weerbarstige, lang uitgesponnen rock van “Pass The Hatchet, I Think I’m Goodkind” gaat het naar een plotse finale. Zonder bisnummers, wat vertwijfeling in de ogen van het publiek achterlatend, verdwijnen Hubley, Kaplan en McNew. Geen drama; Yo La Tengo is nog altijd headlinewaardig, zeker voor dit End Of The Road.

In de Tipi Tent houdt het Britse magazine Loud & Quiet een wedstrijd 1998-2018, versie Silent Disco. Kudo’s voor de 2018-dj die Let’s Eat Grandma door de koptelefoons jaagt, maar met een “Boy With The Arab Strap” en andere indiefavorieten van twintig jaar geleden is de wedstrijd snel beslist. Wanneer de twee platenruiters zichzelf uiteindelijk verliezen in een duel slechte hiphopsongs, haken wij af. Er komen nog drie dagen aan, een mens spaart zichzelf maar beter wat.

Vrijdag 31 augustus

De eerste echte dag, waarop het volledige festivalterrein opengaat en alle vier de podia in gebruik worden genomen. Een dag, kortom, waarop keuzes zullen moeten gemaakt worden. En dat doen we met harde hand.

Door niet te kiezen, om maar meteen de lafbekkenoptie te nemen. Eerst een halve set Tiny Ruins dus en genieten van de erg warme folkrock die de Nieuw-Zeelandse Hollie Fullbrook serveert. Pluspunt daarbij: de Bernard Butlerachtige gitaarcapriolen van Tom Healy die de muziek uit al te kabbelende folkhoek houden, al moest dat daarom niet zo luid in de mix dat het de nochtans met een erg mooie stem gezegende frontvrouw een beetje overstemt. Mooi begin, terwijl de zon zich opmaakt voor een late zomerdag, dat wel.

En dan snel naar de Big Toptent, want ook het erg prille Penelope Isles heeft wat in zijn mars. Broer Jack en zus Lily Wolter hebben al eens een Tame Impalaplaat gehoord, maar verdwijnen daarom niet in psychedelische nevelen. Wanneer we binnen wandelen, horen we een traag ontbrandend nummer dat langzamerhand in de maalstroom van een gitaarstorm opgaat; de falset van Jack doet wat aan Grant Lee Philips denken. Een urgente motorik beat start vervolgens een song die het gejaagde van het vroege Arcade Fire -– denk “No Cars Go” -– oproept, maar de band laat het geen anthem worden. Liever leggen ze het nummer even stil, om het opnieuw te laten vertrekken voor een geweldige, epische rockout. Penelope Isles brengt in 2019 zijn debuut uit, wij zijn beleefd en voorzichtig benieuwd.

Nauwelijks een EP uit, maar nu al talk of the town: Stella Donnelly. Zes nummers telde dat Thrush Metal, maar dat was genoeg om de blogosfeer in lichterlaaie te zetten. “Boys Will Be Boys”, zong ze in reactie op het verkrachtingsverhaal van een vriendin, en het duwde de vinger, lang voor #metoo, al diep in de wonde: “Your father told you that you’re innocent / told you that women rape themselves. Would you blame your little sister if she cried to you for help?” Ze zingt het nog altijd met een ontroerende verontwaardiging, net zoals het politiek geladen “Don’t Feed The Dogs”. Grappig is ze ook. Bindteksten zijn kleine stand-uproutines, de nummers kunnen tussenin al eens licht uitvallen, maar al te vaak ook niet. “Mechanical Bull” is een harde afrekening met een ex-liefje, in “You Owe Me” krijgt een oud-werkgever er van langs. Het is niet perfect, maar Donnelly staat er met pit en vertrouwen, en die paar nummers beloven dat er méér in zit. Ook al 2019 dus. Dat belooft.

Waarna we op de sukkel raken. Creatures heeft een Roy Orbisonkloon op zang, een band die twijfelt tussen The Kinks en de psychedelische vroege Pink Floyd, maar vooral lijkt te bestaan om het encyclopedielemma “pastiche” van treffend beeld te voorzien. De zeventienjarige Saba Lou heeft dan weer het voordeel dat ze King Khans dochter is, maar haar aardige hobbelpop wordt al eens ontsierd door opzichtige struikelpartijen over de toonladder. Stoppen aan het crumpetkraam om na vier edities toch maar eens die eigenaardige Engelse snack uit te testen? Wat anders? Weten we eindelijk dat het hier een wentelteefje-achtige broodstructuur betreft die naar believen met beleg kan worden bestreken. Voor u uitgetest: butter and salt en de crump-monsieur met kaas en ham. Die laatste won. Volgende keer: die met nutella.

Waarna het tijd is voor een momentje Belgium Pride. Nadat J Bernardt hier vorig jaar de Tipi Tent pal op de middag plat speelde, heeft die andere Balthazarspin-off Warhaus het iets later op de dag –- moordende concurrentie van This Is The Kit, meneer! -– iets lastiger om dezelfde tent geboeid te houden. Het lukt Maarten Devoldere met veel trekken en sleuren en topsongs als “The Good Lie” dan toch. Dat wederhelft Sylvie Kreusch niet eens mee is om “Love’s A Stranger” van wat meer kleur te voorzien, deert zelfs niet; je ziet dat Devoldere sowieso bereid is om te vechten. Hij weet dat dit niet het België is waar hij al gearriveerd is en geeft wat nodig is. Resultaat? Een paar Britten die uit hun dak gaan bij deze ontdekking en een tent die op het einde enthousiast applaudisseert. De verovering van het Verenigd Koninkrijk is misschien nog ver weg, deze vierkante meters nemen ze ons alvast niet meer af.

Zijn we ondertussen snel voor weggeglipt naar de intieme Piano Stage: een secret gig van Jeff Tweedy. Straks staat hij op de Garden Stage, maar nu komt hij alvast even warmdraaien. We krijgen een mooi, maar onversterkt “Jesus, etc.” en het nieuwe “Let’s Go Rain”. Zin in straks? Tuurlijk, maar laat ons eerst even dat tijdschema checken, Jeff. Hmm, wordt moeilijk.

Britten en zotte projecten, Britten en geschiedenis: het zijn betere huwelijken dan dat van Charles en Diana, en End Of The Road heeft er net zo goed een zwak voor. Morgen vieren we de suffragettes, vandaag gaan we op bezoek bij de “Thankfull Villages” die na de Eerste Wereldoorlog al hun uitgezonden zonen zagen terugkomen. Ooit was Darren Hayman frontman van het vergeten Hefner, op lichtjes middelbare leeftijd heeft hij ondertussen twaalf platen uit, waarvan de laatste rond die gezegende dorpen draaien. Elk van de vierenvijftig bezocht hij en eerde hij met een eigen folksong. Weinig bijzondere nummers, helaas, maar de man weet het met humor en sappige verhalen te verkopen. Stella Donnelly heeft er qua komisch talent een uitdager aan, maar ’s mans folk is toch net iets te belegen om helemaal overtuigd te worden.

Urgent, gepassioneerd, uitdagend: zo presenteert Moor Mother zich. Camae Ayewe is dichter, elektronisch muzikant en vooral: activist. Over beats en vervormde samples die ergens richting de noise van Death Grips zwemen, spuwt ze haar teksten –- denk zwarte achterstelling, denk black lives matter — zonder acht te slaan op flow, cadans of ritme. Dit is geen rap, geen hiphop, maar performance, opzwepende speech, stream of consciousness ineen. Licht verteerbaar is het niet, maar het voelt belangrijk. Misschien moet Ayewe een vorm vinden die het net iets meer behapbaar maakt, wij willen hier méér bij voelen dan we nu al deden.

Een vorm vinden is ook wat St. Vincent deed. Annie Clark is ondertussen twaalf jaar bezig, heeft vijf platen uit en is de gitaarrock van het begin al lang voorbij. “Los Ageless” van op het recente Masseduction klinkt vandaag als een Goldfrapptrack ten tijde van Black Cherry, “Masseduction” is robotische krautrock die deze tijd van plastiek en show perfect aanvoelt. En zo is ook de set opgevat: als een commentaar op deze aan entertainment verslaafde jaren, waarin muzikanten gezichtsloze poppen zijn en alles kil, afstandelijk en mechanisch aanvoelt. De Katy Perry uit je nachtmerries? Kijk naar dat latex kleedje. Kom niet wenen als St. Vincent binnen drie jaar Lady Gaga van het veld speelt, u had het moeten zien aankomen.


Zaterdag 1 september

Meer folk. Meer Britse eigenaardigheden. Meer headliners die hun beste beentje voorzetten. Dag drie is meer van hetzelfde, met daarboven ook nog de toekomst van de rockmuziek. Het is goed zo.

Hater wordt vroeg voor de leeuwen geworpen en dat voelt zowel qua uur zo -– wij stonden nét nog onze tanden te poetsen –- als wat betreft carrière. Het Zweedse viertal heeft een fijn jengelend indiegeluid, maar weet dat vandaag niet helemaal aan de man te brengen. Hoe fijn het denken is aan de gitaren van Alvvays in het prettige “Mental Haven”, het gevecht van Caroline Landahl met de grenzen van haar stembereik doet pijn aan de oren — het is een verademing wanneer ze in “It’s So Easy” eindelijk eens haar mooie lage stem inzet. En dan begint ook op te vallen hoe elke song eigenlijk op de vorige lijkt. Ooit wordt het iets, maar nu nog niet helemaal.

Stevie Ray Latham is een songsmid met wortels in het zuidwesten van Engeland en een residentie in Londen, en vanaf nu ook één van de laureaten van de wedstrijd “Play End Of The Road”. Meer folk dan dit zullen we niet meer krijgen op het festival, maar de jonge Brit weet hoe een song in elkaar steekt en brengt ze met onder andere een rechtopstaande drumster -– altijd een interessant, anders geluid -– ook mooi en spannender gearrangeerd dan op plaat. Pak de volgende keer déze band mee de studio in, Stevie, want dat album klinkt minder boeiend dan wat we hier hoorden.

Britten en geschiedenis, deel twee: aan de sfeervolle Garden Stage hebben de muzikanten van Stealing Sheep met de hulp van vijftien drumsters een eerbetoon aan de Suffragettes van honderd jaar geleden in elkaar gebokst. Het is van een knullige onbeholpenheid: te strakke lycrapakjes, te ernstige dansmoves, de muzikale subtiliteit van een murgaparade. Je zou het willen toejuichen uit principe, maar de vraag is vooral wat de link is tussen deze performance en de strijd van hun voorouders voor het vrouwelijke stemrecht. Uw eventuele gok is even goed als de onze.

Soms wil je een artiest een knuffel geven. Drie jaar geleden brak Julien Baker door met een plaat waarop ze het gevecht tussen haar seksuele geaardheid en haar Christelijke afkomst een plaats probeerde te geven, vandaag is die strijd nog niet beslecht. Nog steeds klinkt ze breekbaar, keelt ze wanhopig aan het einde van haar songs. “I’m staying in tonight, I won’t stop you from leaving / I know that I’m not wanted”, klinkt het hopeloos aan het begin van “Appointments”. Het wordt niet beter, hoe hard ze ook wil. “Maybe it’s all gonna turn out alright / Oh, I know that it’s not, but I have to believe that it is” gaat het tegen het einde van het nummer, maar ze weet wel beter.

Ze haalt er een violiste bij. Alles beter dan alleen, maar het helpt niet. Aarzelend zoekt de viool naar woorden, een snaar van troost. Ze schieten tekort. Baker zoekt, zingt met de passie van iemand die een laatste strohalm ziet, klampt zich vast aan elke gedachte van hoop, laat niet los. En gelukkig maar. Hoe mooi het allemaal ook is, Julien Baker zien, doet een beetje pijn. Was het niet voor die norse securityman geweest, ze hád die knuffel na afloop gekregen.

U kreeg ondertussen misschien het idee dat het op End Of The Road al eens om folk, alt.country en andere softe genres draait. Zoals de Britten dan zeggen: think again. Ergens in een hoekje van programmator Simon Taffe schuilt ook een vuile rockliefhebber die de vinger stevig aan de pols heeft. Vorig jaar mocht revelatie Shame al aan het werk in de Big Top, vandaag krijgen Charlie Steen en de zijnen het hoofdpodium ter beschikking. Wat krijgt hij als bedankje? The Vengaboys als introtape. Merci, jongens!

Het is de laatste valse noot, niet de laatste tegendraadse. Zoals het een goeie postpunkband betaamt, is Shame opgetrokken uit recalcitrantie, maar frontman Charlie Steen schuwt de agressieve clichés. “We’re going to have fun” begroet hij de enthousiaste moshpit al na opener “Dust On Trial”. Subtekst: “Hang niet de lul uit.” En dat doet gelukkig niemand.

Hoeft ook niet. Daarvoor is Shame te verstandig, te geweldig, te intelligent. Luister maar naar die aanstekelijke gitaarlijnen die links en rechts op het podium worden gecrëerd. Sheen kan zich van de weeromstuit permitteren om niet te zingen, melodie is er al. Als de reïncarnatie van de betreurde Mark E. Smith gooit hij zijn beste parlando’s in de strijd, altijd een aanstekelijke catchphrase klaar. “One Rizla”, bijvoorbeeld, met dat meebrulbare “You’re clinging to conflict / Just let go!”

Zelden overigens iemand zo met energie zien morsen als bassist Josh Finerty. Host het podium over, neemt alle plaats in die Sheen achter zich heeft gelaten toen hij de eerste rij van het publiek opzocht: daar staat hij toch altijd. En toch voelt het nieuwe “Human For A Minute” niet als de stap vooruit die album twee moét worden, maar als nummer elf van debuut Songs Of Praise; net niet genoeg evolutie, zeker geen toekomstige single.

Shame blijft dan ook een debuterende groep: één album onder de arm, tien songs op voorraad om een set mee te vullen. Dan ben je al eens verplicht om een nu al vermoeiend geworden lulverhaal als “The Lick” te blijven brengen; dat mag ooit wel eens uit de setlist. Liever het opzwepende shot punk van “Tasteless”. “I like you better when you’re not around” brult het publiek terug richting Sheen, maar je weet dat het een grapje is. Kom maar snel nog eens langs, jongens. December. AB? Goed plan.

Zeven man. Rostam is het afgetrapt en Vampire Weekend breidt uit tot maar liefst een handbalploeg. “WIE ZIJN DIE MENSEN???” schrijven we een beetje wanhopig in ons notaboekje, maar Ezra Koenig heeft geen haast om ze te introduceren. Een pittig “Holiday” zet de zaken op scherp en vanaf dan begint een spervuur aan hits. Opmerkelijk ook hoe ontspannen de frontman er bij staat. Een keyboard dat het laat afweten tijdens “White Sky”? Dan neemt ie toch wat vragen aan van het publiek. Ja hoor, het nieuwe album is klaar, laat hij weten, maar meer wil hij nog niet kwijt. En ha, kijk, het is alweer gefixt. Verder dan maar: met een langgerekt “Cape Cod Kwassa Kwassa”, waarin “Solsbury Hill” even mag passeren. “We wéten dat we daar niet zijn”, grijnst Koenig. “We hebben op Google Maps gezien dat dat enkele tientallen kilometers verderop ligt, maar het was tijd dat we Peter Gabriel eens eerden na jaren zijn naam te zingen.”

En zo gaat dat maar door. “Horchata” volgt “Step” op, “Diane Young” speelt haasje over met de SBTRKT-cover “New Dorp. New York”, waar Koenig zijn stem aan leende. En aldoor klinkt het goed, staat daar een band die gedreven speelt, met een frontman die goésting heeft. En begrijpelijk. Vijf jaar stond hij droog, het is tijd om weer vooruit te gaan. En met de toetsenman/productioneel genie van weleer vertrokken –- die had zijn eigen plannen -– staat hij ook stevig met het roer in handen. Voorzichtige observatie? Het lijkt alsof Koenig van plan is om alvast niet minder de kaart van de Afrikaanse invloed te trekken.

Nieuwe nummers om die hypothese aan af te toetsen zijn er niet. “Volgende keer,” belooft de zanger, “and they’re good, too.” Dit is niet meer dan een zuinig rondje optredens om de nieuwe leden in te werken. Ze krijgen namen: Will Canzoneri, die het grootste toetsenwerk van Rostam Batmanglij overnam, Brian Jones, die Vampire Weekend een extra dosis gitaarheldendom injecteert, Garrett Ray, met zijn vele extra percussie en drums. En Greta Morgan, een stuk familie van Koenig op toetsen, gitaar en zang. “Wat ben je ook alweer van me? Achternicht in de derde graad?” Dat ze ook op zichzelf een heuse songschrijfster is, vermeldt hij niet -– de schavuit.

Een vleug doorbraaknummers brengt het publiek naar een kookpunt. “Cousins” is staccato-punk met een snuif Afrika voor extra spice, in afwezigheid van Batmanglij zingt het publiek die klassieke keyboardmelodie in “A-Punk” dan maar zelf. Bisnummers? Eerst weer wat vragen uit het publiek beantwoorden, lachen met de klassieke iéts te luide en aanwezige Amerikaan en dan geen hit, maar het aardige “Ottoman”, waarin de strijkers uit “M79” een recyclagebeurt krijgen. Straf: een bisronde winnen met een B-kantje, maar dat is waar Vampire Weekend nu staat. Klaar voor de grote comeback, klaar voor de volgende stap. Terwijl drie tieners uit het publiek mee het podium op mogen voor traditionele afsluiter “Walcott”, bedenken we: deze groep zien we volgende zomer ongetwijfeld terug en die daarna wéér. Vandaag was Vampire Weekend headliner op End Of The Road, volgend jaar kan dit festival ze niet meer krijgen.

Grapjurken hebben ondertussen de PA overgenomen en knallen Boyz II Man’s “End Of The Road” door de boxen. We zien een enthousiaste Belgische delegatie meebrullen en fronsen even voor de vorm. Is de Karaoke Shed uit het bos tot hier gerold? Het is te laat voor dat soort existentiële vragen.


Zondag 2 september

Dag vier. Dit moet de warmste dag worden, maar daar is aanvankelijk niets van te merken. Terwijl een grijze lucht maar met tegenzin opklaart, happen wij in dat broodje English Breakfast –- hier blijven, sausage, hierrr! –- en drinken we eens van onze thee. Tijd om het strijdplan voor de laatste dag op te maken.

Begeleidt ons daarbij zachtjes de werkzaamheden in: Haley Heynderickx. Eén en al charme is ze, met een pakkend verhaal over hoe ze de brave ziel die haar finaal de weg naar het festival wist te wijzen –- uit eigen ervaring: het ligt ook echt aan The End Of The Road! –- mee heeft binnengesmokkeld, maar aan songmateriaal mangelt het nog wat. Af en toe horen we zo’n gitaarlijn waarvan we denken: “Oh ja, daar had iets in gezeten” of een stembuiging die een pakkende emotie belooft, maar net daar dacht Heynderick duidelijk “Klaar, off to the pub” en je krijgt het gevoel dat het etiket “singer-songwriter” soms wat té snel wordt uitgedeeld.

Wij hebben daarna Plastic Mermaids gezien. We weten nog altijd niet wat we hebben gezien. Al te vaak klinkt het alsof Chris Martin het repetitiehok van Coldplay binnenstapte met een ideetje en daar plots Steven Drozd van Flaming Lips zat: “Cool, Chris, kijk, dit kan ik er nu mee doen.” Wat we willen zeggen: het was weird, maar dan wel alsof daaronder een heel kleffe popsong zat te worstelen om te mogen worden bevrijd. Het hielp ook niet dat halverwege plots een zevenkoppig koor in kerstuitdossing opdook om wat achtergrondzang te voorzien. Konden we meteen ook nog wat aan Polyphonic Spree denken. Dat we dus géén idee hebben waar we naar hebben staan kijken, maar dat we hopen dat het niet de nieuwe Bastille wordt. Kan namelijk ook.

altIets behapbaars dan maar? Het nogal silly genaamde AK/DK misschien, dat enkele lessen uit het grote Nite Versions-handboek van Soulwax nam en zonder het origineel te zien een brute schets daarvan maakte. Krautrockbeats dus, pulserende elektronica en veel, véél live-drums. Klinkt lekker, met een tierelierende melodie in “Lorem Ipsum” die zelfs een beetje als “Atlas” van Battles klinkt, maar het staat hier vooral heel erg misplaatst. Zo’n trip hebben we ’s nachts nodig, niet wanneer we nog altijd maar aan onze eerste pint toe zijn.

Weer een Twitter-alert –- goed dat we die hebben ingesteld -– voor een Secret Show. Titus Andronicus, dat tegenwoordig herleid is tot frontman Patrick Stickles die op de Piano Stage tekeer gaat alsof alles kapot moet. Ex-junkie, ex-alcoholist, ex-alles, ziet hij er nochtans gereformeerd uit met zijn wit hemdje en grijze pullover. Eindelijk cleaned up? Goh. “Heroin” van Velvet Underground krijgt een ziedende versie, “To Old Friends And New” en “Mass Transit Madness” voordien moeten niet onderdoen. Demonen, meneer, je krijgt ze niet onder duim, zoals we straks zullen zien.

alt“Welkom. We vieren ons dertigjarig bestaan en de vijfentwintigste verjaardag van de laatste keer dat jullie naar ons luisterden. Da’s ok, dat gaat ook voor mij op.” The Posies weten dat ze niet echt meer goed liggen in deze tijd en lossen dat dan maar op met cynische zelfspot. Dat mag. Wat erger is: de machine die de groep vroeger was, klikt niet meer. De power is uit de powerpop, de samenzang is zelden meer echt samen. Al van bij opener “Dream All Day” klinkt het op zijn best wat rommelig. Misschien is dat moment in “Please Return It” waarin drummer Frankie Siragusa zijn drumstokje de lucht ingooit maar er ietwat klungelig achter aan moet duiken dus wel sprekend: nét niet.

Maar die demonen dus. Ondertussen staat Patrick Stickles op de Woods Stage voor een kluitje devoten en dat ziet er zorgwekkend uit. Opener “Number One (In New York)” is Titus Karaoke Andronicus, een frontman die over een backingtrack zijn ziel loopt uit te krijsen alsof hij nog altijd de punk van het begin brengt. Later zal hij een gitaar omgorden of achter de piano plaatsnemen, maar je kunt je niet van de indruk ontdoen dat je hier iemand ziet die zich vooral wijsmaakt dat alles oké is. Stickles ziet er ontregeld uit, als een waanzinnige die tegen beter weten in tegen de muur wil aanlopen.

Het cynische “Good times are here again” uit “No Future Part I” legt de leugen bloot. Weet Stickles zelf nog wanneer hij sarcastisch is? “I knew one day I would reach the end of the road, I just didn’t know it would be as pleasant as this”, merkt hij op, maar er zit iets wanhopigs in de manier waarop hij “Dimed Out” schreeuwt over die simpele gitaarlijn, hoe hij zich optrekt aan Titus Andronicusgitarist Liam Betson die halverwege ondersteuning komt geven. We zeggen niet dat die In Memoria al moeten geschreven worden, maar godver, dit zag er niet goed uit.

Het gaat er ook taai aan toe op de Garden Stage. Merci, John Cale, we gingen je net introduceren bij Ons Lief, maar dat is bij dezen ook mislukt. De oud-strijder uit The Velvet Underground ging het gevecht met de meest idyllische festivalsetting aan door zo’n lastige, ondoordringbare set te brengen, dat je alleen maar verontschuldigend het hoofd kon schudden: “Sorry, de John hé.”

“The Ballad Of Cable Hogue” mocht openen, daarna was het woord aan nieuw materiaal dat inzette op drones, ondoordringbare structuren en sloffende tempi. “What’s The Legal Status Of Ice?” ging de titel van één. “Hoe dronken moet je zijn voor die vraag?”, ging het naast ons. Ze had voor één keer geen ongelijk. Pas met de pompende, vettige groove van “Helen Of Troy” komt er enige beweging in de set, de Bowiecover “Valentine’s Day” leent op zijn minst de melodie van het origineel. Het is al iets. En dan toch iets voor de fans: eerst de gespeelde waanzin van “Fear Is A Man’s Best Friend” –- wéér een piano aan stukken gehamerd -– en dan ook nog The Velvet Undergrounds “I’m Waiting For The Man”. Merci John. Een beetje laat, maar dan toch.

Zei iemand anders iets over de terugkeer van gitaarrock? Neen? Dan is het tijd om dat gesprek eens te openen. Fuck R&B, dus. En fuck “projecten” van “producers”. De toekomst is opnieuw aan de band, toch als je Fat White Family, Shame of IDLES mag geloven. Lang geleden -– nu ja, neen, van bij Shame gisteren, maar dáárvoor, bedoelen we -– dat we nog eens zoveel urgentie, zoveel drive en zoveel bezetenheid proefden als op dit moment in de Big Top.

Zit Shame al bij de postpunk, dan houdt IDLES het nog bij dikke vette punk: lawaai, chaos, wanorde en een frontman die dat allemaal liefst van al zo hard mogelijk uit de bocht ziet vliegen. Geweldige energie, maar kom er niet voor de catchy songs. Poppunk is uit, echte punk is in, met lappen rond de oren als “Never Fight A Man With A Perm” (goeie titel!), “White Privilege” of “Benzocaine”. Boeiend ook om te zien hoe deze nieuwe punk mannelijke gevoeligheid expliciet durft te benoemen en alle pose ter zake onderuit haalt. Kunnen wij alleen maar op reageren met een gloedvol “Well Done”.

We vallen dus een beetje overhoop de set van Feist binnen, waar het er nét iets gezelliger aan toegaat. De charme van Let It Die — tot onze dood onze favoriete barbecuemuziek -– is al lang vervangen door iets anders, vaak meer uitdagend, maar warmte blijft toch een cruciaal onderdeel. Wanneer Leslie Feist onder gejuich solo de microfoon neemt voor “Mushaboom” fluistert ze sussend “Nu heb je mijn muzikanten gekwetst.” En als ze daarbij een irritante smartphonefilmer onder vuur neemt, begrijp je dat: doe nu verdorie eens gewoon. Het was net zo plezant.

Nochtans schuwt ze ook de brute behandeling niet. “Pleasure” wordt houthakkend het bos ingejaagd, “My Moon My Man” een metalen harnas aangemeten dat alle zoetheid van het origineel haalt. “Sea Lion Woman” volgt; alweer een klein beetje wringend, om zeker maar niet met zomerse vreetfestijnen geassocieerd te worden. En net dan gaat ze bijna over tijd en blijkt End Of The Road de strengste stage manager ter wereld te hebben. “Ik heb nog maar drieënhalve minuut,” zucht ze, “dus ik ga iets anders doen dan voorzien.” En misschien was de ingreep van die bruut niet eens zo’n slecht idee, want als dat impromptu “Intuition” iéts laat horen, dan wel wat een verbluffend straffe zangeres Feist is.

End Of The Road kon zich geen warmer einde voorstellen, zo eentje dat er voor zorgt dat we voor het eerst in drie dagen -– verdomd kille nachten hier, meneer –- zonder onderhemdje onder ons T-shirt blijven rondlopen. “Dit festival steekt Glastonbury naar de kroon”, lazen we in een verslag van editie 2016 en misschien klopt dat ergens wel, alle schaalverschillen in acht genomen. Nergens is een festival meer festival dan hier, op deze kille heuvel in Dorset.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in