Pukkelpop 2018 :: ’s Werelds langzaamste circle pit

Pukkelpop, dat lastig en taai lief dat zich meer en meer van ons verwijdert. En toch blijven we proberen, toenadering zoeken en concessies doen: “als wij naar Dua Lipa gaan kijken, programmeer je dan ook iets goéds – toé schat?” Hier staan we dus, op de Heilige Grond van Kiewit. Entertain ons. En vlug een beetje, als het kan!

Donderdag 16 augustus

Een loden hitte. Een terrein dat blakert onder zon. Een reporter die quasi-kneedbaar is geworden. Ideale omstandigheden? Tuurlijk, wij trotseren alle elementen. Dag één is go, maar ruikt nu al een beetje ranzig. Sorry daarvoor.

Tussen de geur van shag en lauw bier vergast worden op klassieke klanken als aftrap van Pukkelpop, qua crossover kan het tellen. Onder leiding van Jef Neve wisselden meer dan twintig muzikanten van onder andere Crossbones Trombone Collective af tussen stevig klassiek werk – Bruckner, Vivaldi, Richter en Gjeillo passeren de revue – en herkenbaarder melodieën voor hedendaagse popliefhebbers – ook de kenwijs van Game of Thrones ontbrak niet. Interessant en minstens een half uur erg begeesterend voor een niet alledaags publiek, al is het jammer dat de aandachtsboog spanning mist op het hoogtepunt van de set. Neves eigen composities, die nog het meest doen denken aan vroege Nils Frahm, moeten in niks onderdoen voor eerder gebracht materiaal. Of de Marquee van Pukkelpop de ideale setting is voor een dergelijk optreden, laten we graag in het midden, maar de aanzet was alleszins lovenswaardig.

Wie we dààr hebben! Geppetto & The Whales gingen na debuut Heads Of Woe zo hard de vergetelheid in, dat hun terugkeer vier jaar later even doet opkijken. Maar dat het Noord-Kempische gezelschap dus terug is. Mét een nieuwe single, een nieuw bandlid, en – helaas – een ongewijzigd geluid. Alsof Fleet Foxes zelf al niet jaren is afgestapt van die zeemzoeterigheid, domineert de meerstemmigheid als vanouds, maar nog meer dan vroeger krijgen we countryrock van de War On Drugsschool. Precies waar ook Douglas Firs, The Calicos en – met zijn puike nieuwe plaat die in september uitkomt – zelfs The Bony King Of Nowhere tegenwoordig uithangen. Het wordt druk in de Vlaamse country. Al een geluk dat Laura Lynn dat van die linedance op haar nieuwste plaat niet echt ernstig bedoelt.

Groot is de stap naar Thunderpussy, vuilgebekt vrouwvolk uit Seattle, danig in de markt geplaatst door aanhoudende lof van Pearl Jamgitarist Mike McCready. ’t Is fijn om ouderwets gerammel – denk Shirley Manson zonder remmen – te horen op een zomerfestival. Thunderpussy heeft stevige songs die een tent in het zenit jagen, maar wisselt die af met rammelende gitaren richting nergens en stevige drums voor niemand. Thunderpussy is bijwijlen nostalgisch genieten, doet denken aan Joan Wasser die in de kleerkast van The Darkness is gevallen en covert Jefferson Airplane beter dan Jefferson Airplane zelf, maar het blijft toch vooral een leuke gimmick.

Phoebe Bridgers, een blonde sirene uit LA, koestert de zon als had ze hem zelf heeft meegebracht, en geen mens die er zijn humeur bij verliest. De blonde schone vertelt verhalen om jonge meisjes te bezweren, en doet dat op haar best net zo goed als Laura Marling of KT Tunstall, maar helaas ook te vaak te monotoon. We hebben – voor het eerst sinds lang – aan Krezip gedacht. Dat is een anagram van perzik, dat zegt genoeg. Phoebes lieflijke melodieën zijn leuk voor even, maar na vijftig minuten hadden we nood aan een First Aid Kit. En kan dat geluid in deze Clubtent alstublieft wat beter, dankuwel?

Ander euvel, even vervelend, en toch geen bezwaar: Kelly Lee Ownes sukkelt met de gezondheid en heeft haar stem onderweg naar Kiewit ergens verloren gelegd. Dan maar alles op de instrumenten inzetten, en daar vol voor gaan. Alsof dat lijf nergens hapert gaat Owens tekeer tussen haar instrumenten, nu eens hamerend op haar drumpad, dan weer stevig aan de knoppen draaiend, en de warme elektronica die dat oplevert neemt ons mee op een reis naar de andere kant van de nacht. Die laat nog even op zich wachten, maar daar is in de tent niets van te merken. Zelfs al piept Owens of er niemand haar kan redden aangezien er nu niéts meer uit haar strot komt, dit is een concert dat van intieme trip naar clubnacht gaat. Van een cover van Aalyahs “More Than A Woman” gaat het naar beukende boilerbeats, en de vraag stelt zich: wat als ze effectief in die platte boenktent zou staan? Het antwoord komt aan het einde van de set van een jongen in onze buurt, wanneer hij verrast opmerkt: “Waw, het is al licht!” Pukkelpops dansnacht is vandaag vroeg begonnen.

Dirty Projectors is een kleinood, zo’n band waarbij elk detail telt. Live kan een dergelijk oneindig gepriegel al eens aan subtiliteit inboeten, zeker wanneer je in een tent staat waar de mix de muziek tot brij samenperst. Jammer, want de band heeft er goesting in, en heeft een zak vol songs die perfect aftoetsen waar je heen wilt en je daar ook brengen. “Break-Thru”, vroeg in de set, is er zo een, “That’s A Lifestyle”, met zijn ongegeneerde hedonisme, een andere, op een geluidstechnisch beter moment. Check Dirty Projectors als ze nog eens in de buurt zijn, want het kan allemaal een stuk raker zijn dan wat de jongens op Pukkelpop gegund werd.

Nog zo’n band die het midden houdt tussen cocktails drinken op een zomerdag zo lijzig als Alejandro Pozuelo en uithalen met een moker waar Gilles De Bilde ‘wacht even’ tegen zegt, is Unknown Mortal Orchestra. Tijdens “So Good At Being In Trouble” en “Not In Love We’re Just High” wanen we in ons in oorden die weinig met een Limburgse weide gemeen hebben, maar waar het leven niet minder gevierd wordt. Was Unknown Mortal Orchestra eerder deze zomer op Best Kept Secret nog wat zoekend, dan heeft de band vandaag een stem gevonden die de middag zonder mededogen richting zonsondergang stuwt.

Veel volk voor de Main Stage. Iedereen wil Dua Lipa zien. Iedereen? Neen. Eén duo houdt moedig stand, en wil liefst zo snel mogelijk hier vandaan. Toegegeven: La Lipa doet meer moeite dan Rihanna twee jaar geleden, maar voor het overige is ook dit een bloedeloze, routineuze popshow met een stel generisch spelende muzikanten – gezicht op ‘het is een job’ – en een klankbalans die ‘fuck nuance’ spelt. Random alleszeggend citaat uit het publiek: “Ik vind die zo mooi. Heb je haar mama al eens gezien?”

Snel even ontsmetten met het lawaai van Shellac en dan naar de Castello, waar James Holden blazers, percussie en ja, wat eigenlijk, heeft meegebracht om zijn Animal Spirits kracht bij te zetten, maar de techniek het laat afweten. De beats geven niet altijd thuis bij het begin van de set, waardoor je toch vooral naar een eeuwigdurende drumsolo zit te luisteren. Wanneer het tuig node heropgestart is, toont Holden dat hij als geen ander een set kan opbouwen die varieert tussen koude elektro en warme beats, niet zelden aangeblazen door de sax. Een uurtje is wat kort om een naar Björk neigende trip richting Utopia te maken, maar desalniettemin: goeie beslissing om Animal Spiritis zo in te kleuren, en een fijn concert.

In de Dance Hall bereidt Tourist LeMC zijn grote terugkeer voor. Neen, er is nog geen nieuwe single, dus dit is niet meer dan een rondje “hits afstoffen”. En dat mag, blijkbaar. Alsof hij niet even rustig aan de zijlijn is gaan staan, wordt Johannes Faes ingehaald als een echte volksheld. Het geluid mag dan ronduit bagger zijn – meer ingesteld op de beats die hier doorgaans neerkletsen dan op de meer subtiele melodieën van Tourist – “Mijn Stad” en “En route” worden meegebruld als moderne klassiekers, het enthousiasme waarmee “Koning Liefde” wordt omarmd brengt Faes even uit balans. “Ik doe gewoon een freestyle of zo”, pareert de bokser, om zijn muzikanten toch maar snel weer richting refrein te dirigeren. Opvallend hoe de kleinkunstachtige bezetting van de En route-tour opnieuw is veranderd, en de Legionairs zijn uitgedund tot een spaarzaam trio -– af en toe aangevuld met een blazer — dat zich in een lichtmuur schuilhoudt. Wenkt een nieuwe richting voor Tourist LeMC? Geen idee. Nieuwe nummers krijgen we niet, wel de John LundströmKcover “Dauwe jongens dauwe”. Nog even wachten dus, maar aan het warm welkom terug te zien worden de fifteen minutes of fame van Tourist LeMC nog wel even verlengd.

Een dikke maand geleden zagen we Aurora een Slovaaks festival inpakken alsof ze een wereldster was. Vandaag valt de set van de kleine Noorse dood. Met een tweede album op uitkomen blijkt aan de formule van debuut All My Demons Greeting Me As A Friend niets veranderd. En een formule is het. Van bij “Queendom” – Ruslana uit de meisjeskamer – verloopt ongeveer elk nummer volgens hetzelfde patroon: ingetogen begin, langzaam openbarsten, om dan te exploderen in een spervuur van donderende drums. Soms gaat dat goed, soms gaat de dramameter in het rood, als bij de vrijdag verschijnende tweede nieuwe single “Forgotten Love”, een nummer waarin Aurora meer Florence Welsch is dan goed voor haar is. Het euvel? Onder al dat effectenbejag gaan al bij al erg middelmatige songs schuil, en Aurora heeft niet meer dan haar innemende persoonlijkheid – 120% enthousiasme en bizarre gebaartjes – om die verkocht te krijgen. Hoe leuk en schattig we deze zangeres ook vinden: het blijft een though sell.

Er was onweer voorspeld, en The War On Drugs is een band die zijn beloftes nakomt. Dat mocht wel, want een ontgoochelende passage in Vorst – meer de fout van de zaal dan die van de band, u kent het verhaal – zat nog in ons systeem. Gelukkig niks daarvan op Pukkelpop. Al bij openingssalvo “Nothing To Find” en “Pain” — toch niet meteen de grootste publiekslievelingen — blijkt de groep stevig te rocken, wars van alle compromissen. Er mag een snaar springen, een sax overblazen worden of een cimbaal aan gort geslagen, zeker wanneer in het midden van de set wél dat salvo aan hits volgt. “Burning” blijft een oerschreeuw uit het diepe, “Red Eyes” zo’n rocknummer waar niemand iets op tegen kan hebben, “Eyes To The Wind” de noodzakelijke trage in het midden, maar dan wel een valse trage die zoveel weemoed opwekt dat je meteen erna weer zin hebt om je hoofd te verliezen. En wat dan gezegd van “Strangest Thing”, een song en een gitaarsolo waarvoor het lemma superlatief ootmoedig het hoofd buigt, of de uithaal die “Under The Pressure” live telkens weer geworden is, zo lang uitgesponnen dat het wel een eeuwigdurend mantra lijkt. Kanttekening in de marge, waar ze hoort: als je zelfs tijden het tempeesten van “Under The Pressure” technobeats van de andere kant van de weide hoort, een veelvoorkomend euvel daar in Kiewit, heb je misschien wat veel podia opgesteld.

Je kunt The War On Drugs, als je dat soort persoon bent en op zondagmorgen niks anders te doen hebt nu De Zevende Dag met zomerreces is, wellicht verwijten dat veel van hun epische songs wat van elkaar weghebben. Dat mag, en het is geeneens volledig onterecht, maar is er een van die nummers dat je als overbodig catalogiseert? Welaan dan. Zo gebeurt het ook vandaag. The War On Drugs wint nog wat zieltjes, voor zoverre dat nog nodig was, en heeft op het einde de lome zomerdag richting vervaarlijke avond gestuwd. Veel meer kun je van een festivalset niet verwachten.

Headliner één zit achter de kiezen, aan Trixie Whitley om de overgang naar de tweede te maken. Het lijkt een ondankbare taak, dat minutieus afgelijnde slot tussen twee van de grootste hedendaagse bands opvullen op een podium een eindje verwijderd van de Main Stage, maar desalniettemin loopt de Marquee storm voor Gents nachtegaligste. Komt ervan, als je een reputatie zo berucht als de nacht met je meedraagt.

Maar wat voor een nacht, en wat voor een nachtegaal ontbloot zich aan ons oog. Gekleed in een cape als kwam ze recht uit Bergmans Zevende Zegel opent ze ietwat makjes aan het keyboard, maar van zodra Whitley de piano inruilt voor de gitaar – op “Soft Spoken Words” bijvoorbeeld – gaat het dak eraf. Is het de rood-wit-zwarte kleurencombo, is het dat bevlogen gitaarspel, of de combinatie lieflijk lachen-vervaarlijk uithalen, geen idee, maar zelden hebben we iemand dichter bij Jack White zien komen. Diep in de set kiest Whitley voor nieuw werk, en legt dat zo ontwapenend uit dat het publiek reageert alsof ze net drie vaten heeft aangebroken. Dat nieuwe werk sluit naadloos aan bij wat Whitley altijd al groot maakte, haar handel in een variatie aan vervoering is bijlange niet uitgeput. En nu snel weg, want Het Moment is aangebroken. Of niet?

Everything Now is ondertussen al een jaar een splijtzwam op de luxecruises die de Enolaredactie halfjaarlijks maakt, maar dat Arcade Fire de band is die live het best de tijdsgeest vat, staat daarbij altijd buiten kijf. Doorgaans doen de Canadezen dat in een set van dik twee uur, die de toeschouwer door elke emotie en ervaring in het spectrum sleurt, maar vandaag moet het in anderhalf, en dat merk je. Openen doet de band, noblesse oblige, met “Everything Now”, en hoewel het nummer nauwelijks dik een jaar oud is, voelt het routineus aan. De intro, het aftellen, de uithalen, we hadden even geen zin in het voorspelbare “Rebellion (Lies)” erna. Maar kijk, plots ploffen Butler en de zijnen er “Neighborhood #3 (Power Out)” tussen, en zit het vuur wel aan de lont.

Het zal een hele avond balanceren blijven tussen iets wat naar routine neigt, en het onvoorspelbare antwoord daarop. Zo wordt “Rococo”’, eveneens vroeg in de set, uitgekleed, maar heeft de keizer zonder kleren weinig om mee uit te pakken, en zijn ook “Electric Blue” en “Put Your Money On Me” wat ze altijd zijn, kabbelende banaliteit die niet stoort maar nimmer vervoert. Ook “The Suburbs” en “Ready To Start” doen routineus aan, en wanneer Butler een hautaine buiging richting toehoorders maakt, voelen we ons de risée, alsof we plots deel uitmaken van het cynische Arcade Fire, dat ietwat elitair overal de spot mee drijft.

Het laatste derde van de set krijgt wel de begeestering die we voorheen wat missen, met een stomend “Sprawl II”, “Reflektor”, met die immer heerlijke Bowiecameo en “Afterlife”, het muzikale equivalent van De Bruynes streep tegen de Brazilianen. Ook “Creature Comfort”, helemaal aan het gaatje, krijgt wel nog de bezieling die andere Everything Nowsongs missen, en “Wake Up”, voor de Queen of Soul, die nimf van weleer, is altijd een feest.

We kregen, op de sterfdag van Aretha Franklin geen grand cru Arcade Fire, omdat er niet veel te feesten was. Maar misschien ook omdat Arcade Fire deze tour al wel lang rekt – derde halte in België – en de elastiek ietwat op breken staat. We hebben genoten, want met Arcade Fire is het altijd feest, maar we hebben Arcade Fire al wel beter gezien. Alle voorgaande keren, namelijk.

Tijd om uit te bollen, maar daar heeft Pukkelpop een stokje voorgestoken met een fijn nieuw concept om de dag mee af te sluiten: Eppo Janssen & Friends. Als in een opgestoken middelvinger naar zijn eigen line-up draaien de sympathieke programmator en enkele vrienden in de Castello de beste rocktunes van de afgelopen zestig jaar op een dansfeestje dat dat in de naastgelegen Boiler naar de kroon steekt. U vindt ons misschien oude sokken, maar wat waren wij blij met “I Wanna Be Adored” van Stone Roses, en wat was “Somebody Told Me” een prachtherinnering aan een tijd toen The Killers nog een aanstormend bandje waren. Terwijl buiten donkere wolken zich even samenpakken boven het festivalterrein – de drash houdt zich gelukkig nog even in – dansen we ons naar het einde van de nacht. Maar kunnen we afspreken dat “Born To Run” afknippen voor de bridge heiligschennis is, Eppo? Verder geen klachten, volgend jaar willen we dit drie avonden op rij.


Vrijdag 17 augustus

Goed feestje equals korte nacht, maar enola staat opnieuw paraat. Ook opnieuw van de partij: die hitte van gisteren, en die zet geen zoden aan de katerdijk. Ach, wat zou het: on y va voor meer muzikale lekkernij dan wel ranzigheid.

Het effectieve Castellopodium? Niet aan BeraadGeslagen besteed. Toetsenist Fulco Ottervanger en drummer Lander Gyselinck brengen hun eigen speelveld mee, dat mooi tussen het PA-systeem en het eigenlijke podium staat. Interactie is alles voor het duo, maar de vraag is of de experimentele jazz niet te veel gevraagd is van het uitkaterende Pukkelvolk. Met blieps, beats en bochten in alle richtingen is het vaak moeilijk bij de les te blijven. Dat levert aanvankelijk hier en daar een frons op, maar gaandeweg ook glimlachen. De energie van Ottervanger en Gyselinck, die tot hun mimiek toe op elkaar ingespeeld zijn, werkt rete-aanstekelijk. Vooral wanneer Ottervanger ons vraagt om “in wijzerzin” een rondje te maken rond het podium – dáár is de clou van dat podiumconcept – hoeft niemand nog te twijfelen dat het kan werken, dit soort muziek op een groot festival. ’s Werelds langzaamste circle pit is een feit. Wat later scoren de jongens met een song opgedragen aan “gemeenten”, waarmee ze zelfs Deinze heel eventjes hip maken. Faut le faire, toch.

In smetteloos wit neemt Fenne Kuppens vervolgens de microfoon in de Lift. Dat die van Whispering Sons zwartzakken zouden zijn, kunt u meteen ergens steken waar het zonlicht niet schijnt. En dat treft, want in het wel degelijk duistere universum van de Limburgse Rock Rallywinnaars van 2016 is aan die koperen ploert geen nood. Slepend traag maar onontkoombaar als gletsjerijs dreunt Whispering Sons alles uit de weg met een set die imponeert. Het is spelen op de monotonie, met baslijnen die al eens naar Pornography van The Cure hebben geluisterd en drums die plechtstatig mokeren, spanning zoeken op de vierkante millimeter. Daar zorgt gitarist Kobe Lijnen voor met steeds weer andere gitaarlijntjes. Daartussen: Kuppens, immer onder hoogspanning over het podium ijsberend. Ze kronkelt rond haar microfoon, attaqueert hem, om vervolgens weer te liefkozen in een wurging die nu ook niet zo comfortabel kan zijn.

Als gothic theater is, dan is dit een horrorprent, waar suggestie altijd bedreigender is dan openlijke gore. Over songs als “Wall”, “White Noise” en “Waste” hangt de sfeer van imminent geweld: altijd kan iets gebeuren, maar het blijft net buiten beeld. Een straffe band die dit minimalistische trucje zo gedisciplineerd kan inzetten. Whispering Sons is zo’n straffe band, en brengt pas dit najaar zijn debuut uit. De top is nog niet bereikt.

Van het ijs naar het vuur: als Whispering Sons glaciale kilte toonzette, dan is Steak Numbrer Eight opgetrokken uit gloeiende lava. Straks verandert de band naar verluidt van naam, nog één keer is het onder de oude dat “The Sea Is Dying” mag knallen als nauwelijks overtrefbare opener. Even onstuitbaar als kolkend heet verschroeien de gitaren van Brent Vanneste (die truckerssnor! Die kloppende aders in de slapen!) en Cis Deman alles wat op hun weg komt. Wat volgt kan alleen maar een beetje ontgoochelen. Zelfs “Black Fall” klinkt ietwat mak in vergelijking.

En dan is er: “Dickhead”, een uppercut van een song. De vulkaan explodeert, en een rotsblok treft je vol in de smoel. Meer pletwals dan song dreunt het over alles heen, culminerend in dat iconische “Banana! Banana!”-moment, en de explosie van een confettikanon. Zwart, natuurlijk; noblesse oblige. Vanneste mompelt nog iets over nieuwe muziek, zet een laatste nummer in, en sleurt zijn maten mee het hellegat in waar dit soort muziek thuishoort. Met een blik in de ogen van “alles moet kapot” blaft de frontman als een hondsdolle, grauwt en klauwt hij, tot niets dan noise overblijft, en fonteinen van vuur. Het vuur waaruit de band straks als een feniks wil herrijzen?

Van een heel ander kaliber is dan wel Sudan Archives. Brittney Parks staat er in de Castello alleen voor met haar stem, viool en drumcomputer, maar ze stáát er wel, en nog beeldig ook. Eerst kort een duistere, bedwelmende sprookjessfeer opgebouwd uit fragiele plukjes viool op loop gezet, zo start Parks haar set, om dan bruusk te verrassen met een waar bombardement aan diepe bassen die makkelijk organen kunnen verpulveren. Het lef! Verder klinkt Sudan Archives als het middelpunt van die uitersten: noem het experimentele electro-afrofolk uit de toekomst, of zo – we weten het zelf niet helemaal. Het punt is dat het door haar geheel eigen invulling van haar klassieke instrument – Parks is autodidact op de viool – en haar soulvolle stem blijft intrigeren. Als afsluiter van de enigmatische act “Come Meh Way” er is, zitten we nog altijd met lastige vragen. Waarom precies we toch zó onder de indruk zijn, bijvoorbeeld.

“We feel the energy, man, all the love!” Nope, aan Jacoby Shaddix’ bindteksten is nog niets veranderd sinds we hem de laatste keer zagen. Dezelfde vaag-spirituele platitudes, dezelfde leegheid. Ook muzikaal is Papa Roach er niet op vooruit gegaan. Toch: we hebben ons goed geamuseerd met “Last Resort”, maar verder vooral blij dat nu-metals hoogdagen ondertussen achter ons liggen. Zeventien jaar geleden headlinede deze onzin Pukkelpop. En dan maar klagen over de line-up van dit jaar!

Ook een beetje nu-metal: Yungblud dat in al even weinig subtiele teksten het lot van de Britse tiener onder woorden brengt. Dominic Harrison heeft eindelijk zijn debuut uit, en is klaar om de wereld te veroveren. Met de crossoverrock van “21st Century Liability” – pure Urban Dance Squad — stuitert hij het podium op, geflankeerd door slechts een drummer en een gitarist. Er staat al eens iets op band dus, maar geen millennial die daar om maalt. Single “I Love You Will You Marry Me” – Arctic Monkeys op ska – is het luidst meegekeelde huwelijksaanzoek ooit, en die sfeer blijft. Yungbluds debuut is niet in de rekken blijven liggen; songs worden massaal meegezongen, en het spelletje ‘raad de inspiratie’ gaat verder: hier een flard Libertines, daar een beetje Oasis, en vooral: veel The Streets.

Toch valt Yungblud niet te onderschatten. Hoeveel pikkedieverij hierbij komt kijken, hoe hard dit richtingloos alle kanten uitschiet, Harrison is een begeesterende performer, die iets te vertellen heeft. “Anarchist”, “Medication” en “Machine Gun (F**K The NRA)” duiken de getroubleerde psyche van een tiener in, maar missen soms intelligentie en subtiliteit. Dat krijg je met een 21-jarige die nog altijd niet meer is dan een iets te slimme irritante en snotty puber. Ook de kleffe ballad “Polygraph Eyes” heeft het hart op de juiste plaats waar het de Britse ladcultuur onderuithaalt, maar barst van het opgeklopte sentiment; meer bewustmakingscampagne dan goeie song.

Het publiek denkt daar anders over, eet uit Harrisons hand. Zelfs een flauw B-kantje als “The Loner” wordt juichend onthaald, “California” is het breed openbarstende anthem dat de toekomst van Yungblud bezegelt: a star lijkt hier minstens een beetje born, zeker als die nu al zo slim is om vijf minuten voor tijd op te houden, zodat hij grootmoedig een bisnummer kan geven. “The Emperor” is helaas meer footballchant dan song, maar we twijfelen er niet aan: als Harrison straks volwassen wordt, zien we hem hier nog wel eens terug, en dan zal het hoger op de affiche zijn.

Voor veruit het hardste van het weekend (of — les extrêmes se touchent — er moest al iets harder in de boilerroom geprogrammeerd staan) moeten we voor de doommetal van Amenra in de Marquee zijn. De scène voor het optreden: ergens in de verte een vaag maar dreigend geraas, en zwarte rook die het podium vult. Dan, klokslag kwart voor tien, de zon is net onder: een verblindende explosie van licht met een verschrikkelijke eerste uithaal die al doet achteruitdeinzen. Welkom in de Church of Ra. Er volgen schrikbarende taferelen, met Colin H. van Eeckhout die in lang zwart gewaad met de rug naar zijn publiek gekeerd zijn longen kapotschreeuwt, en het maakt de ervaring des te intenser.

We horen CHVE nu eens zacht als een gevallen engel, dan weer ziedend als een hellehond, en er is altijd die uitbarsting waarvan we weten dat ze er komt, maar die toch blijft verrassen als een gemene linkse. De drums zijn als vanouds van een gewelddadig kaliber, en de gitaren huilen en schreeuwen mee met dezelfde overgave die van Eeckhout in zijn performance perst. Amenra bewijst zich de soundtrack van iets onherroepelijk ergs van een diep-existentiële aard, een aanslag op de gevoelens. Na de laatste noot –- er rest alleen nog duisternis -– staan kort de woorden “altijd en overal” geprojecteerd. Een beetje de kluts kwijt? Da’s volkomen normaal.

“Voor millennials is goed genoeg al meer dan voldoende”, orakelde een trendwachter ooit in onze dictafoon, en vandaag moeten we onwillekeurig aan hem terugdenken. Op zijn best baden de songs van Oscar And The Wolfimmers in sfeer, op zijn slechtst hebben we ook niet meer dan dat: een vage beat, wat onverstaanbaar gemompel –- al te vaak had de man net zo goed Chinees als Engels kunnen zingen wat ons betreft –- en een hint van melodie. Verwachten we dan zoveel als we willen dat elke song poten en oren heeft?

Je kunt nochtans niet anders dan respect hebben voor het traject dat de groep tot hier heeft afgelegd: klein folkbandje zweert alle akoestische elementen af, wordt gebeten door de R&B-duivel, vindt zichzelf opnieuw uit als rond zijn frontman gecentreerde elektronica-act, en verovert het land in blitzkriegtempo. Tot spijt van wie het benijdt: Oscar And The Wolf is ons grootste muzikale exportproduct sinds Soulwax, en kosten noch moeite zijn vanavond gespaard om die status te bevestigen. Een nieuwe setinkleding zet alles in op wit –- witte wanden, witte kledij, spiegelende schermen hangen boven de hoofden –- en geen effect in het boekje of het wordt benut. Confetti is er al tijdens opener “You’re Mine”, witte stoomwolken zetten “The Game” kracht bij. En ergens in “Strange Entity” krijgen we een flits glittervuurwerk dat even over de vierde wand scheert. Subtieler dan de vlammenwerpers van Editors; dat in elk geval.

Wat aanvankelijk werkt – de langoureuze sfeer van verleiding in een melodieus “Exotic” en een warm “Chevrolet” – ontaardt in een feest van veel te gemakkelijke beats. Het voorspel is tegen “Runaway” platte porno geworden, met een frontman die hitsig zijn microfoonstandaard berijdt, en een band die gaat voor effectenbejag. “The Game” is meer van dat. “Joaquin” – met een podium dat baadt in een gouden gloed – is een rustpunt, doorbraaksingle “Princes” blijkt uitgegroeid tot anthemproporties. En dan, net iets over halfweg, is het vet van de soep. “Strange Entity”, “Touch Down”, “Breathing” en “In Fire” worden onderling inwisselbaar in hun gezichtsloosheid. Setsluiter “Fever” onderscheidt zich enkel door nog goedkopere kermisbeats, zeepbellen en – natuurlijk – meer confetti. Wat goed begon, gaat kopje onder. Het wordt tijd dat Colombie zich minder snel tevreden stelt, en sterkere songs begint te schrijven. Op sfeer alleen bouw je immers geen carrière, zelfs al spreek je een heel concert lang je Nederlandstalige publiek in het Engels aan. “Infinty has gone platinum”, vertelt hij, en ook “there will be a second Sportpaleis.” Oscar And The Wolf: het zal wel goed genoeg zijn, dus, maar het laat ons wat op onze honger zitten. Toch nog maar een late night frikandel dan?

Zaterdag 18 augustus

Niet geslapen door de koude – die slaapzak is aan zijn laatste festival toe – maar we staan er. Zijn we echter aan het ijlen geslagen, of is dat pandemonium in de Marquee reëel?

Want hoe leggen we dit uit aan Joe, onze Amerikaanse vriend die af en toe mee de festivals afdweilt? “Je hebt dus Mauro, een gitaargod die grossiert in bijzondere projecten en die met zijn naam verkocht krijgt. Deze keer: Mauro brengt brassband De Kempenzonen mee, en zet zo’n typische concertavond op poten met een presenterende acteur –- ja, die rare blonde gast werd bekend omdat hij een gigolo speelde in een populaire serie –- en een paar bekende Vlaamse muzikanten die enkele van hun hits brengen. Kijk, die oudere vent met zijn zonnebril, da’s Daan: geweldige songschrijver, hoor maar hoe briljant “Victory” hier klinkt met dat tegen de chaos aanschurkend blazersarrangement! Zie wat een showman, hoe hij in “The Player” op de rand van het podium hangt te zingen. En dat daar, dat is Senek die “Dag, vreemde man” brengt: twee keer Eurovisiesongfestival. Wat dat is? Sorry, Joe, wat dat is, is voor een andere keer.”

Want daar is hij dus: Willy Sommers, met “Als een leeuw in een kooi”. Dat is raar. Honderden jongeren, die in geen eeuwen nog maar in de buurt van een schlagerfestival gezien zouden willen worden, kelen massaal de tekst mee, net als die van “Zeven anjers, zeven rozen”. Het roept de vraag op wat het verschil is met wat destijds op het Smartlappenfestival van de Leuvense studenten gebeurde. Waar ligt de grens tussen ironie en spot? Op Pukkelpop lijkt ze flinterdun, maar net niet overschreden. Mauro knalt er bij wijze van tegengif “Sex Dwarf” van Soft Cell achter aan, en dan is het tijd voor de grote apotheose: “Laat de zon in je hart”, triomfantelijk minutenlang gerekt met veel toeterende blazers. “Kijk, Joe: dat is nu een polonaise, West-Europees immaterieel erfgoed. Neen, dat krijg ik niet uitgelegd.”

Als The Wombats niet bestonden, ze moesten ze uitvinden. Wie anders zal tot in de eeuwigheid die plek in de Marquee zo rond drie uur ’s middags vullen? Niets beters daarvoor dan zo’n stelletje achterblijvers uit de post-punkhausse van 2005 dat het nooit helemaal heeft gemaakt, maar te leuk is om helemaal links te laten liggen. Als dit een televisiesketch was dan die van “Wat als Chris Martin niet zo’n kleffe brok was?”: als hij niet in de bochten gaat hangen neigt Matthew Murphy’s strot immers al eens naar de Coldplayfrontman, de pop is net zo onschuldig, maar ook dat tikje meer potig dan Coldplay, de branie is meer Noorderlijk. “Doing allright? Feelling pretty much on topform too”, stoeft hij, en daar is “Techno Fan”, een niemendal, maar een plezant niemendal. Een mens kan er allemaal niet kwaad om worden, al was het maar voor het gevoel voor humor: “er is te weinig liftmuziek op festivals wereldwijd”, en dan een streepje perfect gebrachte muzak. Wij ontdekten dat we nog altijd kunnen monkelen. En dansen op hitje “Let’s Dance To Joy Divison”. Misschien is dat meta, maar dat moeten we eens aan professor filosofie vragen. Misschien houden we u op de hoogte.

Ondertussen nog eens aan het hoofdpodium gepasseerd, waar Ronnie Flex & Deuxperience zwoel stonden te doen. De drank en drugs waren met Lil Kleine de deur uitgebonjourd, en daarmee ook uw interesse. U stond erbij als was dit de trouwreceptie van een oerend saai koppel. Verder alles goed met de carrière en de kinderen?

Wie erin slaagt om vandaag rond kwart voor vijf in een staat van bewustzijn de Lift binnen te raken, belandt in de high school van een coming-of-agefilm, waar skaters door de gangen scheuren en lockers aan de binnenkant een vergeelde Playboy-bunny hebben prikken. De Australische jongens van Rolling Blackouts Coastal Fever spelen er krap een uur ten dans, en doen dat met de plezantste gitaren van het moment. Ze hebben een nieuwe plaat en lak aan bindteksten – een combinatie die je als jonge gitaarband bij ons een streepje voor geeft bij het roulettespel dat een Pukkelpopschema doorgaans heet – en knallen prijsbeest “Talking Straight” – uit te spreken met het vetste Australisch accent denkbaar – al meteen voor de wolven. Het begin van een mooie, zóéte set, eentje die pootjebaadt in nostalgie, roes en melancholie. Precies goed; kunnen we de ovens in ons hart voorverwarmen voor Tamino.

Maar dat is straks. Eerst mag J. Bernardt een zwierig afscheidsrondje op de Main brengen. Gek: net nu Jinte Deprez — baard afgeschoren, nieuw gestreept gevangenisplunje om het lijf — opnieuw naar moederschip Balthazar terugkeert, vindt ie het leuk om nog een tweetal nieuwe nummers te spelen. Eentje daarvan heet “The Remedy” en laat nog wat werk vermoeden. Dat is niet erg, een tweede plaat is duidelijk niet voor meteen, en de songs van Running Days staan er anderhalf jaar later nog steeds. “Wicked Streets”, bijvoorbeeld, met zijn typische Jasper Maekelbergtrompetsynth (ja dat is een ding, ja) en die heerlijke swagger in Deprez’ benen. En dan natuurlijk het eindeloos gerekte slotnummer “The Other Man”. Deprez trekt het publiek in, keert terug, telt nog eens af, en geeft dan het signaal voor een finale pirouette. Tot aan de andere kant, Jinte. Tot bij Balthazar.

Twee zomers teren op één EP: Tamino weet wel dat het hoog tijd wordt voor dat debuutalbum, en dat komt er ook aan. Echt, beloofd! Vergeef ons dus het gebrek aan songtitels: de jonge Mortselnaar speelt veel nieuwe nummers, en ze zijn stuk voor stuk goed, of op zijn minst veelbelovend. Dat eerste, met zijn bezwerende melodie, en ongedurige percussie bijvoorbeeld. Een tweede mag snel exploderen, waarna die onwereldse falset het overneemt; zo hoort dat gewoon, want als “ne zanger ne groep” is, zoals Wannes Van de Velde ooit stellig beweerde, dan heeft Tamino niet veel nodig om die strot aan te vullen. Een toetsenist en een drummer, elk meer dan competent in hun vak, volstaan.

Wat Tamino geleerd heeft sinds vorige zomer: een set mag pieken en dalen hebben, snel en traag gaan. Het eeuwige kabbelen van voorheen wordt hier een paar keer flink doorbroken. Door een fiks opgedreven “Reverse”, om te beginnen, en dat is ergens jammer. De bloedmooie melodie van het nummer verliest aan kracht. Elders werkt het beter, en vooral opzwepender in alweer een nieuwe naar het einde van de set. Natuurlijk is “Habibi”, dat perfecte huwelijk van Oost en West, het orgelpunt, net niet overschreeuwd door gillende pubers. En plots begrijp je The Beatles toen ze stopten met optreden: zo hoor je jezelf inderdaad niet meer. Stil dus, meisjes, we willen niet dat Tamino dezelfde richting opgaat.

Het klimaat gaat naar de kloten, gaybashing is ook in het Westen nog een sport, en Imagine Dragons staat straks op de Main Stage. Joe Casey ziet het allemaal aan vanop een klein podium in de Lift, met een pint in de hand en een doffe blik in de ogen. Misschien geen wonder dus dat b>Protomartyr vandaag een opvallend ruige set brengt; luider dan wij het van de vier postpunkers gewoon zijn. Het begint bij opener “My Children”, waarin Greg Ahees’ gitaar net wat schriller klinkt dan gewoonlijk, en ergens ter hoogte van “Male Plague” verdenken we Alex Leonard ervan zijn drumvel flink strakker te hebben getrokken. In elk geval is iemand hier zijn gram aan het halen.

Niet in het minst is dat natuurlijk Casey zelf. Casey, die de apocalyps al tien keer lijkt te hebben doorstaan. Casey, die “Welcome to the black hole” zegt, en daarmee een beetje de spot drijft met de zwartjassen in het publiek. Casey, ook, die tijdens hoogtepunt “The Devil In His Youth” klinkt alsof de satan zelve achter zijn rug staat, met de klauwen diep in zijn schouders en de zwavellucht prikkend in zijn neus. Het verklaart die schitterend gejaagde set vandaag, én die doffe blik in de ogen. We hebben met Casey te doen. Anderzijds heeft hij Bazartdaarnet wél kunnen vermijden.

Net als Arsenal of Arcade Fire is Jungle zo’n band die ongegeneerd voor het Grote Geluid gaat, met grooves zo breed als een viervaksweg en vocals helder als een flesje Evian. De band staat hier om zijn aankomende nieuwe plaat te vermarkten, en heeft enkele nieuwe singles onder de arm – “Heavy, California” klinkt wat dat betreft als degelijke Jungle. Maar iedereen komt voor de gevestigde waarden. En die zijn er: de sirenesound van “The Heat” klinkt nog steeds smooth as fuck, “Time” is nog altijd deo voor de geest. Spannend, kleurrijk, wild en overweldigend: Jungle is vanavond helemaal wat de naam suggereert.

Wie nu nog niet van bil is gegaan op Pukkelpop, zal dat dit jaar ook niet meer doen. Tijd voor de post-coïtale rookpauze. Greg Gonzalez weet toch een kleine schare fans weg te lokken van Kendricks Main Stage, maar die menen het dan ook en drinken elk woord en elke zin op. Zo, en zo alleen werkt het bij Cigarettes After Sex: door in een bubbel te kruipen, waar die oh zo warme en toch tegelijk onderkoelde songs je omhelzen.

Natuurlijk klinkt elke song min of meer hetzelfde als zijn voorganger. Opwellend gitaarspel, slome drums die het stapvoets marstempo aangeven, een bas die loom mee sjokt, en Gonzalez’ dromerige stem die daarboven slaapwandelt. Met die vier elementen wordt telkens een andere uitkomst in elkaar gezet – minimalisme met maximaal resultaat – en wordt geboetseerd aan een eigen wereld. Of de song nu “Apocalypse” is, “Opera House” of “Sunsetz”, dat nummer met die bloedmooie gitaarmelodie, of die ene cover van REO Speedwagon die ie al van oudsher meetorst; het klopt zo hard dat je twijfelt of de band dit nog eens kan doen, of het prachtige debuut niet beter als kleinood wordt gekoesterd, zonder de herinnering te besmeuren. Ook het recent geloste “Crush” stamt immers uit de opnamesessies van toen, is verre van nieuw. Het zal Gonzalez misschien worst wezen. Hij laat zijn gitaar in “Dreaming Of You” voor één keer ietwat uitbarsten, en dat is het: met een schok belanden we weer op aarde. Hoe zou het er daar aan toegaan?

Terug in de realiteit is er dus: Kendrick Duckworth Lamar. Twintig jaar geleden was hij een onbeduidend straatschoffie in Compton, vandaag is hij de reden waarom Pukkelpop deze ochtend nog een laatste keer de tenten openritste. Zij het ietwat weifelend, want er waren besognes. Zou de DAMN.-tour Kendrick na meer dan een jaar niet in de koude kleren zijn gaan zitten? Kun je de komende show wel naar waarde schatten als je eerder al die overrompeling in het Sportpaleis hebt meegemaakt? En is dat eigenlijk überhaupt een goed idee, een festival afsluiten met een rapper?

Lamar komt van ver. Hij doorstond trials and tribulations waar anderen een leven lang niet mee worden beproefd. Over die episodes geeft hij het meeste prijs in good kid, m.A.A.D city, een plaat die zich laat beluisteren als een hardvochtig coming-of-age-verhaal. Doorheen de avond zal Lamar rond die historie cirkelen, om er af en toe een passage uit te lichten. Want zo ziet de set eruit: als de kroniek van een zwarte selfmade man, verteld in bars, beats en beelden.

Van die andere plaat, To Pimp A Butterfly, dat de blik zo meesterlijk naar buiten wendt om een land, volk en cultuur te overschouwen, krijgen we dus niet veel te horen. Neen, deze avond staat in het teken van Kung Fu Kenny, de jonge rekel bij wie het geijkte started from the bottom-thema zo virulent aanvoelt. En dat begint in medias res, wanneer op het scherm een fragment verschijnt van een Fox News-uitzending met Geraldo Rivera. Het conservatieve nieuwsanker zei over Lamars optreden op de BET-awards dat hiphop van zijn soort jonge Afro-Amerikanen meer schade heeft berokkend dan racisme. Ja, we hebben het fragment intussen al honderd keer gehoord en gezien, maar de rapper blijft er terecht mee uitpakken. Hiphop is niet het probleem; het probleem is de werkelijkheid waarin we ons bevinden. Dat heeft het straatjochie in Lamar jarenlang in levenden lijve ondervonden. Met hem waren en zijn er nog vele duizenden die door diepgewortelde afkeer benadeeld worden.

En dan is er de eerste dijkbreuk. “DNA.” rolt binnen zoals het dat altijd doet: dwingend, snel, glashard. “Your DNA an abomination!”, schreeuwt iemand naast ons. Dit publiek, dat eerder op de avond zeemzoet geluk in overdosissen kreeg toegediend van Bazart en Imagine Dragons, krijgt nu een snelcursus assertiviteit en empowerment. Hun docent is een ervaringsdeskundige van zeldzame kwaliteit; we herinneren ons de laatste keer niet meer dat we hier een punker of rocker dat even goed zagen doen.

“How many Kendrick fans from day one?”, vraagt Lamar. Enkele nummers diep in de set en na een drietal voortreffelijke collaboraties met onder meer Schoolboy Q volgt een serie oud materiaal, met als hoogtepunten “Swimming Pools” (aanstekelijker dan dit worden campagnes over alcoholmisbruik niet) en “Money Trees” (de beste documentaire over hustlin’ sinds The Wire). Ze stipuleren allebei afzonderlijke, vaak bittere fragmenten uit Kendricks leven in Compton, en het vereist een bijzondere zeggingskracht om die op een megapodium als de Main Stage te evoceren.

En het lùkt Lamar ook niet helemaal. Dat heeft deels te maken met de overdaad aan visuals achter hem. De kungfu-gimmicks vormen welkome intermezzo’s, maar op sommige momenten zijn de beelden meer entertainend dan toonzettend. Erger dan dat zijn de steken die Lamar zelf laat vallen. Meer dan in Antwerpen laat hij woorden uit zijn verzen vallen om ze over te dragen aan een vooraf opgenomen stem. Dit is een minder scherpe King Kendrick.

Ook anders dan in Antwerpen: hier mag K. Dots magistrale band wél op de bühne, zij het aan de zijkanten. “Bitch Don’t Kill My Vibe”, “Alright” en “HUMBLE.” worden gepimpt met puntige jazz en sputterende drums. De wijzigingen gaan om niet meer dan hier en daar een gedachte die wordt doorgedreven tot ze een accent legt in de muziek. De subtiliteit en elegantie waarmee dat gebeurt, toont welk vlees Kendrick in de kuip heeft: alleen pure rasartiesten halen dit niveau.

Bisnummer “All The Stars” springt uit de band. Vergeleken bij de rest van de set is dit popdotje uit de soundtrack voor Black Panther een ongewapend spielereitje. Het toont de strateeg in Lamar: het grote publiek, dat anticipeert op het ceremoniële vuurwerk, lust er wel pap van. Toch blijft het een merkwaardig einde voor een set waarin vooral de oude Kendrick moest oreren, de straatacademicus die het zover heeft geschopt. Was het beter dan in Antwerpen? Nou, nee. Daarvoor was dit optreden te grillig. En toch voelt dit als een overwinning. Een eenzaam straatschoffie dat vanop een gigantisch podium een wei opdraagt humble te zijn? Faut le faire.

En daarmee is het van vuurwerk, uittocht, en toch nog dansen tot het laatste gat in de laatste nacht. Chokri kondigt ondertussen op de radio aan dat het in 2019 van donderdag tot en met zondag te doen is, en dat waarschijnlijk vier volle dagen lang. Met de blik nog eens op de net afgelopen affiche is de vraag: waarom? Pukkelpop heeft andere kwesties te beslechten, immers, zoals: hoe lang kan het nog ongemakkelijk op die twee benen blijven huppelen? Hoe lang nog kan het blijven proberen om het festival dat het nu is te verzoenen met wat het toen was? Pukkelpop wíl niet kiezen, maar maakt zo niemand echt helemaal blij. Alternatieve muziekliefhebbers – om het oude publiek zo maar te noemen – waren tevreden met The War On Drugs en Arcade Fire – terwijl Dua Lipa eerder het meeste volk voor de Main Stage trok – was het voor hen elders op de affiche harder zoeken naar hun bekspek. Natuurlijk is de gitaar niet dood, maar al te vaak voelde ze op deze affiche als schaamlapje en enige optie aan – Hier Shellac! Daar Rolling Blackout Coastal Fever! En nu zwijgen, ge hebt uw goesting! – dan als een keuzemogelijkheid uit vele. Zelfs al was er ook de undergroundparty met Eppo & Friends als fijne nieuwigheid, het mag iets meer zijn, of het festival kiest beter helemaal voor de dansmariekes van het Boilerterrein. Wat zal het zijn, Pukkelpop?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in