Bozar Electronic Arts Festival :: 29-30 september 2017, Bozar

Elektronische muziek is ondertussen een bijna even hol begrip geworden als klassieke muziek: een eindeloos gamma aan stijlen en genres valt onder de elektronische paraplu, zodat gemeenschappelijke noemers alsmaar meer nietszeggend worden. Toepasselijk dan ook dat Bozar, dat bastion van symfonische orkesten en Koninging Elisabethwedstrijden, ondertussen al voor het zesde jaar op rij een heel festival aan al die facetten wijdt.

Met Black Rain werd alvast een brug gelegd tussen legendarische vroege elektronische experimenten en recenter gerief dat de mogelijkheden binnen het genre verder aftast. In de jaren tachtig was het duo een van de meest vooruitstrevende industrialgroepen, maar in 1996 hielden ze het voor bekeken. Tot ze enkele jaren geleden aangespoord werden om opnieuw muziek te maken door het toonaangevende label Blackest Ever Black, dat onder meer platen van Raime uitbracht.

De levensader tussen Black Rain en Raime is hoorbaar in een gelijkaardige venijnige puls, maar de oude garde had hier duidelijk weinig zin om ook maar enige toegeving naar het publiek te doen en zette een chaotische show neer. Brussels contrabassist Otto Totland mocht de set openen met een gelaagde drone, om dan tamelijk onceremonieel weer af te druipen (even later dook hij weer op voor een bijdrage van hooguit vijf minuten), waarop een van de twee oerleden een vervaarlijk denderende wall of sound opbouwde. Pas halverwege stond het kerntrio van de groep gezamenlijk te musiceren, waarbij duidelijk werd dat de groep wel degelijk “songs” aan het spelen was (inclusief weinig imposante zang) en niet gewoon teringherrie bij elkaar aan het improviseren was. Extreme muziek, maar niet extreem boeiend gebracht.

Met Ben Frost was er niet veel beterschap op komst op vlak van toegankelijkheid. De man bracht net zijn vijfde studioplaat The Centre Cannot Hold uit, en die is mogelijk zijn meest hermetische totnogtoe. Een plaat die herhaaldelijke luisterbeurten vergt om doorheen het geraas van vervormde klanken iets van een verhaal te herkennen, maar die ook dan nog steeds niet gemakkelijk in het gehoor ligt met slechts een handvol momenten waarop een melodie of duidelijk ritme passeert.

Bestaat er een betere setting dan de prachtige Henry Le Boeufzaal om die onderdompeling te ondergaan op hoog volume, zodat je elke laag geluid doorheen je beenderen hoort rammelen en elke scherpe sirene je trommelvliezen aan flarden rijt? Nu ja, enkele jaren geleden trad Frost op ditzelfde festival aan in de bunkerachtige Terarkenzaal, en eigenlijk werkte zijn demonische klankbad daar beter. In een staande context stoort een wispelturig publiek dat niet goed weet wat met het lawaai aan te vangen minder, en de claustrofobische donkerte van een betonnen kubus past beter bij dit geraas.

Het kan ook aan het materiaal gelegen hebben: Frost doet niet aan greatest hits sets en bracht hier The Centre Cannot Hold integraal zonder daarbij iets fundamenteels aan te passen. Dat die plaat vanuit het live-gegeven ontstond terwijl Steve Albini de opnames voor zijn rekening nam, zit daar ongetwijfeld voor iets tussen. Dan is het ook des te spijtiger dat deze versie weinig afweek van wat op de plaat te horen valt, of het moeten die enkele momenten zijn waarop Frost zijn synths niet helemaal onder controle leek te hebben aan het begin van “Ionia”. Akkoord, de monsterlijke dynamiek werd extra in de verf gezet, waardoor je op de beste momenten hoorde hoe ingenieus Frost zijn textuurlagen op elkaar stapelde, en ook de abstracte visuals waren naar het einde toe best wel een meerwaarde, maar een echte hoogvlieger was dit niet.

Genoeg amelodieus lawaai moet de programmatie gedacht hebben, want vervolgens mocht Pantha Du Prince de grote zaal omtoveren tot een pompende technoclub. Het was duidelijk dat een aanzienlijk deel van het publiek hiervoor was opgedaagd, want de parterre stond al snel vol met dansende mensen terwijl het trio op het podium de beats vanuit de opgenomen versies opentrok naar een live-festijn waarbij vooral de drummer voor een geslaagde meerwaarde zorgde – al hoorden we wel al creatievere en diepgaandere interpretaties van het klassieke techno-idioom.

Drie acts die enkel een elektronische nadruk als verenigende factor hadden en vanuit dat gegeven radicaal andere muzikale werelden verkenden, het toonde inderdaad mooi hoe eclectisch dat elektronische muziekgegeven ingekleurd kan worden. Alleen jammer dat het hier geen echte hoogvliegers opleverde.


De laatste dag van het Bozar Electronic Arts Festival trok een relatief grote massa naar headliner Jóhann Jóhannsson. ’s Mans wonderbaarlijke weemoed was echter slechts één in de reeks van hoogtepunten die het intrigerende programma van de slotavond rijk was.

Met Aphex Twin en ander lekkers zette een DJ-set de intrigerende toon al van in de in blauw licht ondergedompelde gangen van het museum, dat bij een avond als deze een geslaagde totaalervaring biedt waarbij zelfs de wandeling naar een andere zaal geen sfeerbreuk vormt. Toch leek Bozar er niet op gerekend te hebben dat het publiek al zo vroeg in groten getale present zou tekenen, waardoor het drummen was om een plaatsje te bemachtigen in de volgepakte Studio. Daar weefde de Japanse componiste Hiromu Moritani onder haar alias Phew een intrigerend digitaal klanktapijt. Hoewel ze pas onlangs dit project na twintig jaar terug van onder het stof haalde, klonk haar techniek kraakvers. Haar cerebraal in elkaar gevlochten compositie deed meermaals aan Holly Herndon denken, niet toevallig ook een graag geziene gaste op het festival. Geen voor de hand liggende starter van de avond, maar een intrigerende constructie die de eerder wetenschappelijke kant van elektronica toonde.

In de Victor Horta-zaal was het andermaal wringen om in de grote black box binnen te geraken waar Michela Pelusio haar performance SpaceTime Helix opgesteld had: een ronddraaiende dradensculptuur die ze op de tonen van een dronemix van Glenn Vervloet (Peeping Tom) manipuleerde tot nieuwe vormen. In de zwarte ruimte draaiden nu eens DNA-helixen overtoeren, en leek even later een school neonkwallen zijn weg naar de club gevonden te hebben. De korte performance, die verschillende keren doorheen het festival geprogrammeerd werd, toonde een innige samenwerking tussen kunst en elektronica; een uiterst waardevolle aanvulling bij het programma van het festival, dat elk jaar een bredere blik op het genre lijkt te werpen.

De Amerikaan William Basinski opende het programma in de majestueuze Henre Le Boeuf-zaal. Doorheen de paarse belichting en rookmist zag je slechts een silhouet van zijn flamboyante glitteroutfit, die hij aangetrokken had als eerbetoon aan David Bowie. A Shadow In Time, zijn meest recente werkstuk, is immers een eulogie voor de overleden sterrenman. De hypnotiserend repetitieve soundscape, die qua sfeer het midden hield tussen de diepste regionen van de oceaan en een stille uithoek van het heelal, hield je een dik halfuur in trance.

Nu de geest vreedzaam leeggemaakt was en elke spier een staat van opperste relaxatie bereikt had, was het tijd voor het grote kanon van de avond: Jóhann Jóhannsson, de IJslandse componist die al jarenlang eigen werk afwisselt met meesterlijke soundtracks (Arrival, Mother!). Hij representeerde vanavond de klassieker getinte muziek die in de hedendaagse vorm extra accenten legt met elektronica. In Bozar greep hij voornamelijk terug naar zijn laatste eigen langspeler, Orphée. De zeskoppige begeleiding van Belgian Echo Collective bracht zijn creaties meesterlijk mee tot leven. Kippenvel werd de hele performance lang een huisresident dankzij de subtiele sfeerschepping. In “Flight From The City” maakten de verlengde pauzes tussen de pianoslagen stilte tot een waardevol instrument. De krakende tapes waarop de vocale loop van “The Drowned World” stond, gaven een extra bevreemdend effect aan de stemsample, terwijl grote dierenprojecties op zwart scherm de achtergrond vulden. Vreemd genoeg was Jóhannsson zelf bij momenten zijn enige stoorfactor. Zijn actieve bijdrage op het podium was vaak vrij gering. Tijdens de dode momenten voerde hij een potsierlijk toneeltje op waarbij hij veinsde de juiste tape voor de begeleing uit een stapel te zoeken, de band als een pasgeboren kind in het projectielicht omhoog hield of mijmerend in de recorder zat te staren. Na het creëren van zoveel moois had hij zich in momenten van inactiviteit gewoon achter zijn piano mogen nestelen en meegenieten van hoe het Belgische collectief zijn creaties tot leven bracht. Nu gaf hij een lichtjes artificieel kantje aan zoveel waarachtige emotie. Desalniettemin was dit slechts een kleine smet op een voorts verrukkelijk geprogammeerde en uitgevoerde avond. We tekenen volgend jaar graag weer present in Bozar!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in