Tori Amos :: Native Invader

In oktober mag Tori Amos een dubieuze verjaardag vieren. Het zal dan exact 15 jaar geleden zijn dat ze met Scarlet’s Walk haar laatste echt sterke album afleverde. Sindsdien verdronk ze goede songs in gekunstelde concepten (American Doll Posse) en tergend lange tracklists (Abnormally Attracted To Sin). Op haar vijftiende langspeler houdt ze de speelduur relatief bescheiden en het concept relevant. Ze had gepland om de Staten door te trekken om de roots van haar moeder op te zoeken, maar tastte in het zog van de verkiezingen dieper naar de Amerikaanse ziel en pende zo enkele van haar meest politieke songs ooit neer (“Broken Arrow”). Helaas benut de plaat deze insteek niet voldoende en kan ze amper een relevante impact maken.

Nochtans zit Native Invader tussen twee majestueuze songs geplet. Nogal ongelukkig als opener geprogrammeerd is “Reindeer King” een klassieke Amosballade gehuld in een extra laagje soundscape, en die zo zuiver gezongen en melodisch gebalanceerd is dat hij zich met Kate Bush’ 50 Words For Snow kan meten als hét muziekdeken voor de nakende winter. Meer ondergesneeuwde magie brengt afsluiter “Mary’s Eyes”, dat de klassieke invloed van Night Of The Hunters integreert zonder als een kunstgreep aan te voelen, zoals het op dat 12e album wel het geval was.

Helaas zijn dit de boekensteunen van een bibliotheek waarin ook stationsromannetjes staan; deels mislukte pogingen tot inventiviteit, deels dertien-in-een-Tori-dozijn. De eerste helft van de plaat springt van de hak op de tak om een nieuw geluid te zoeken, en flirt met een stagiairsniveau op het vlak van productie. Zo probeert “Wings” een scheut triphop aan het vertrouwde recept toe te voegen, maar dan wel met syntheffecten die in de nineties zijn blijven steken. Onder alle synthkitsch zit een puik lied verscholen, wat niet van “Up The Creek” gezegd kan worden, dat pendelt tussen gospel en zenuwachtig opgefokte electropop en onderweg nog wat dreigende strijkers en een nerveuze gitaarriff in de mix gooit.

Na deze aanfluiting staat nog eens een klassebak geparkeerd: de pianoballade “Breakaway”, een minder gesuikerd maar even hartroerend “1000 Oceans”. Deze baant de weg voor een sterkere tweede helft die nog een paar keer raak schiet (het sprookjesachtige “Bats”, het sobere “Climb”), maar helaas steevast met songs waarvan Tori ondertussen al op tig andere platen soortgelijken heeft staan.

In de stadiumrockgetinte gitaaraanhalen van bepaalde songs (“Chocolate Song”, “Benjamin”) hoor je een echo van wat Native Invader had kunnen zijn: een roadtrip doorheen een verscheurde staat. Enkel “Wildwood” is daar de volle realisatie van: een meeslepende midtempo met een steengoede melodie die geen extra franjes vraagt. Niet toevallig refereert deze het sterkst aan Scarlet’s Walk, zij het in een duisterder landschap. Kan dit na een hobbelige roadtrip de bestemming voor je volgende plaat worden, beste Tori?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in