Dunkirk

Na Instellar leek het wel alsof Christopher Nolan zichzelf in een
hoekje had gefilmd: veel grootschaliger, ambitieuzer of (na drie jaar
kunnen we daar stilaan wel eerlijk over zijn) pretentieuzer kon een film
immers niet worden. Op ongeveer een decennium tijd had Nolan bijna een
cliché van zichzelf gemaakt: hij was de man van de pompeuze, zwaarmoedige,
wat humorloze, maar briljant geregisseerde blockbusters, die minstens twee
uur en een kwartier duurden, die razend complex in elkaar zaten en waarvoor
Hans Zimmer een score schreef waar de bassen van elke cinemazaal van uit
elkaar spatten. Interstellar voerde al die eigenschappen naar een
hoogtepunt. Hoe ga je op dat elan voort, zonder jezelf te verloochenen en
zonder telkens opnieuw hetzelfde te blijven doen? Dunkirk is zijn
overtuigende antwoord op die vraag.

Waar de voorbije films van Nolan elkaar telkens probeerden te overtreffen
qua narratieve complexiteit, met eindeloze twists en verschillende
realiteitslagen, is Dunkirk de facto een film zonder plot. Aan het
einde van mei 1940 hebben de Britse en Franse troepen zich moeten
terugtrekken tot aan het strand van Duinkerke, waar ze wachten tot ze
geëvacueerd kunnen worden. Wat dan volgt, is een eindeloze, angstige week
waarin de soldaten tergend langzaam op schepen worden geladen, die al dan
niet getorpedeerd worden door Duitse U-boten, terwijl degenen die
achterblijven op de hoede moeten zijn voor de kogels van de grondtroepen en
de bommen van de nazi-vliegtuigen.

Nolan zou Nolan niet zijn als hij dat verhaal volledig rechtlijnig
vertelde, en dus zet hij een drieledige structuur op poten: we volgen een
week lang de ervaringen van de soldaten op het strand, die wachten om
geëvacueerd geworden, maar tegelijk is er het verhaal van enkele Britse
burgers (Mark Rylance en zijn zoon, gespeeld door Tom Glynn-Carney), die
worden opgeroepen om met hun plezierbootje naar Duinkerke te varen om
enkele soldaten op te pikken – hun verhaallijn duurt één dag. En daar wordt
nog eens het verhaal van vechtpiloot Farrier (Tom Hardy) aan toegevoegd,
die luchtdekking moet geven aan de evacuatie. Zijn verhaal speelt zich af
over de loop van één uur. Naarmate de film vordert, groeien die drie
verhaallijnen naar elkaar toe: Nolan monteert steeds sneller tussen de
drie, creëert constant kleine cliffhangers en aan het einde komen ze
natuurlijk netjes samen.

Die structuur is echter niet zomaar spielerei, of een poging om geforceerd
clever te wezen – het is vooral ook een manier om de verschillende aspecten
van de evacuatie in beeld te brengen (letterlijk te land, te zee en in de
lucht) zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot het oubollige alwetende
vertelperspectief van oudere oorlogsfilms, genre The Longest Day of A Bridge Too Far. In die films monteerden ze simpelweg van het ene
deel van het strijdtoneel naar het andere omdat het kon – het perspectief
was in feite dat van de regisseur. Hier zoekt en vindt Nolan een manier om
de focus van de film te verbreden, terwijl hij toch personages blijft
gebruiken als focalisator.

Dat gezegd zijnde, kiest Nolan wel voor een bewust beperkte aanpak van het
historische verhaal. Geschiedkundigen hebben al geklaagd dat er nauwelijks
een Fransman te zien is in de film en dat ook het militaire gezag niet aan
bod komt. De context wordt extreem bondig geschetst door een korte tekst
aan het begin van de film, en daar moeten we het dan mee doen. In de
openingsscène vindt één van de personages een propagandapamflet waarop het
door de nazi’s bezette gebied in het rood staat aangegeven, en Duinkerke in
het wit. “Hier zitten wij, en hier zitten jullie, als ratten in de val,”
staat er op. Veel meer basic kan je de premisse van een film niet
maken. Of je het eens bent dat die aanpak de beste is, is voer voor
discussie, maar het is een legitieme keuze van de regisseur – zelf hebben
we er ons niet aan gestoord, omdat het zo duidelijk was dat dit nu eenmaal
de parameters van de film waren.

Nolan maakt ook de ballsy beslissing om zijn personages bewust zo
anoniem mogelijk te maken. We zien uiteraard een aantal gezichten telkens
terugkomen, maar van de meeste personages komen we zelfs de naam nooit te
weten. Er is nooit een moment waarop de soldaten met elkaar praten over
iets anders dan het probleem dat op dat moment opgelost moet worden. Geen
informatie over wie ze zijn of waar ze vandaan komen, geen tranerige
herinneringen aan thuis, niets. De soldaten hier zijn eigenlijk onderling
inwisselbaar. Dunkirk is een film over het collectief, eerder dan
over individuen. Dat geeft de film een vrij afstandelijke toon; Nolan is
altijd al een koele kikker geweest en hier is dat niet anders. Het
voornaamste struikelblok van de film is dan ook het einde: tijdens de
laatste 15 minuten lijkt de regisseur zich te beseffen dat hij toch wat
emotie moet toevoegen en maakt hij een vreemde bocht in de richting van de
melodramatiek. De soldaten raken tot in Engeland en zijn bang dat ze zullen
worden uitgejouwd als lafaards omdat ze zijn moeten vluchten. Maar nee, ze
worden uiteraard als helden onthaald. Een van hen leest de beroemde speech
van Churchill voor (We shall fight on the beaches!”), terwijl
lyrische beelden van merry old England passeren en de muziek
aanzwelt. Opeens lijkt Dunkirk een ouderwetse propagandafilm te
worden over de strijdvaardigheid van de Britten – een nederlaag wordt
alsnog een morele overwinning.

En dat werkt dus niet. Nolan heeft het altijd al moeilijk gehad met emoties
in zijn films, en na de koele toon die Dunkirk anderhalf uur lang
aanhoudt, kan hij niet plotseling op een geloofwaardige manier de gevoelige
snaar beginnen bespelen. Britse critici die Dunkirk interpreteerden
als een patriottisch hart onder de riem in tijden van Brexit, hebben
misschien ook wel een punt. “Engeland redt het wel”, is de boodschap. Hoe
groot de uitdaging ook is, we komen er wel uit.

Al die inhoudelijke overwegingen verbleken echter bij het pure visuele
spektakel dat de film is. Nolans beheersing van mise-en-scène en montage is
bij momenten ontzagwekkend en zeker als je de film in het gigantische
imax-formaat ziet (wat we kunnen aanraden) is Dunkirk een haast
duizelingwekkende visuele ervaring. De luchtgevechten zijn genoeg om je
hoogtevrees te geven en een sequens waarin enkele soldaten proberen te
ontsnappen in een lek vissersbootje is razend spannend. Voeg daar nog de
onheilspellende score van Hans Zimmer aan toe, en je krijgt een film die op
de best denkbare manier ongelooflijk op je zenuwen werkt – letterlijk: je
wordt nerveus door ernaar te kijken.

Dunkirk
is visueel overdonderende, clever gestructureerde cinema. En wat meer is:
het is ook echt cinema, die gezien moet worden op het grootste
scherm dat je kan vinden. Inhoudelijk kan je over een aantal zaken
discussiëren en de “hooray for England!”-sfeer aan het einde is wat
misplaatst, maar Nolan heeft zijn carrière hier een schitterende nieuwe
wending gegeven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in