Dirty Projectors :: Dirty Projectors

Breakup-plaat #378921034. Dirty Projectors frontman David Longstreth brak met voormalige bandgenoot Amber Coffman, zag daar nogal van af en schreef er een verwerkingsplaat over. Klinkt weinig vernieuwend, maar dat is buiten de koppeling van Longstreths opvallend eerlijke beslommeringen en de als vanouds cerebrale en steeds verrassende muziek gerekend.

Dat Dirty Projectors al de zevende plaat is die Longstreth opnam, maar de eerste die zonder titel de wereld wordt ingestuurd, is veelbetekenend. Waren de eerste, vaak bizarre platen van het collectief haast volledig gecentreerd rond de muzikale omzwervingen van Longstreth, dan braken Bitte Orca en Swing Lo Magellan dat geluid in recente jaren volledig open. Met een klein legertje aan zangeressen (waaronder Coffman) die hun stemmen acrobatisch om elkaar heen wikkelden, boetseerde de band hun sound om tot een eigenzinnig en erg herkenbaar klankwereldje. Niet op deze plaat, want Longstreth staat opnieuw volledig centraal, en dat met een bijzonder autobiografische narratief over de bloei en breuk van zijn relatie met Coffman. Opmerkelijk genoeg voelt dat aan als een nodige stap voorwaarts en een frisse doorstart.

Het is opvallend hoe anders deze plaat klinkt. Longstreth vernoemt in uitschieter “Up In Hudson” zijn Kanye West-fandom, en bouwt de sonische kathedraal van deze plaat op rond invloeden uit recente hiphop en r&b. Neem bijvoorbeeld die breakdown uit opener “Keep Your Name”: zit het begin van het nummer ergens in het braakland tussen Antony & The Johnsons en Battles (Tyondai Braxton schreef niet toevallig mee aan deze en verschillende andere tracks), dan muteert dit gedeelte plots naar iets dat neigt naar Kendrick Lamars To Pimp A Butterfly. De tweede helft van “Death Spiral” heeft zich dan weer uitgebreid laten inspireren door de visionaire producties van Timbaland.

Het straffe daarbij is dat Dirty Projectors wel nog steeds gewoon als Dirty Projectors klinkt. Dat begin van “Up In Hudson” bijvoorbeeld, waarin woordloze vocals en blazersarrangementen tikkertje spelen met een elektronische loop, zien we niet veel andere muzikanten schrijven. Ook de opmerkelijke blend van voortvarende beats en die typische zeemzoeterige strijkers in “Work Together” is uit de duizend herkenbaar. Of zelfs de albumcover: die ziet eruit als een donkere, anonieme inversie van die van doorbraakplaat Bitte Orca. Door de boeiende wisselwerking tussen nieuwe horizonten en oude referentiepunten weet Longstreth zich met verve uit de impasse te bevrijden waarin hij zich met het wat minder geïnspireerde en te veel op eerdere successen verder bordurende Swing Lo Magellan had gegraven.

Het is duidelijk dat die bevrijding niet zonder slag of stoot is gebeurd. Als narratief van een relatiebreuk en het daaropvolgende zoeken naar een gezonde emotionele en sociale balans is Dirty Projectors ongewoon eerlijk en hard. Maar ook treffend. Van het refrein van relatie-overzicht “Up In Hudson” waarin Longstreth zingt dat “Love will fade out, love will just fade away”, tot de hartbrekende contemplatie in “Little Bubble” wanneer hij over een eenzaam, door dreunende strijkers ondersteund pianothema “We had our own little bubble” zingt om er dan “for a while” aan te hangen, het is allemaal soms pijnlijk herkenbaar.

Het is op zulke momenten van diepste breekbaarheid dat Dirty Projectors wellicht het meest overtuigt. Maar tegelijkertijd is het ook die onvoorstelbaar rijke barrage aan andere geluiden, die wirwar van invloeden en songstructuren die experiment en pop op magistrale wijze verzoenen, alsook die tekstuele spreidstand tussen aanvaarding (“I See You”) en verslagenheid (“Winner Take Nothing”), dat deze plaat tot mogelijk de beste plaat van Longstreth totnogtoe maakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in