The Rolling Stones :: Blue & Lonesome

Bompa’s finaal uitverteld te Chiswick. Zo hadden de koppen over de eerste Stonesplaat sinds 2005 ook kunnen luiden. Want als A Bigger Bang al duidelijk maakte dat songs for the ages schrijven iets is dat de twee voormannen intussen een beetje verleerd zijn, dan deed het vooruitzicht van een all covers-plaat het ergste vermoeden. Maar kijk: net als je ’t niet verwacht, laten de knarren (wat snel telwerk: samen 289 jaar, ’t is bijna een jazzaffiche) horen dat ze het heilige vuur nog niet verloren hebben. En dat door domweg terug te keren naar hun allereerste liefde, de blues.

Naast een van de uitvinders van de moderne rock, en het daarbij horende circus, waren de jonge Stones vooral ook muzikanten met uitstekende voelsprieten, iets dat ze gemeen hadden met een levende stijlfilter als David Bowie. Ze waren niet zozeer vernieuwers, als meester-alchemisten, die nieuwigheden perfect naar hun hand wisten te zetten. Psychedelica, pop, reggae, ja zelfs wereldmuziek: het kon allemaal een plaats krijgen zonder de Stonessound in gevaar te brengen. Maar net zoals wij hier nog altijd lichtjes duizelig worden bij het horen van Fugazi’s Repeater, een plaat die ons een dikke kwarteeuw geleden liet horen wat rock-‘n-roll ook kan zijn (een splinterbom, een combinatie van brains en furie, een nieuwe start), zo stellen we ons voor dat Mick, Keef, Ron en Charlie steevast aan een rondje tiptoe through the tulips beginnen bij het horen van wat er in de jaren vijftig en zestig uit Chicago kwam overgewaaid.

Een legertje zwarte Amerikanen was vanuit zuidelijker gebieden, vooral rond de Mississippi, naar de steden gemigreerd (naast het Chicago van Muddy Waters, was er ook nog het Detroit van John Lee Hooker), waar er stopcontacten en versterkers waren om die daverritmes en repetitieve structuren elektrisch door de grootstad te laten knallen en het in alcohol gedrenkte clubgelal te overstemmen. The Rolling Stones waren de juiste kerels op de juiste plaats en het perfecte moment, want de stedelijke blues sloeg over naar Europa en in de slipstream ervan konden heel wat Amerikaanse bluesveteranen beginnen aan een (doorgaans kortstondige) tweede carrière. De bleekscheten sloegen als antwoord snel aan het mixen, maar een oppervlakkige luisterbeurt van vroege werk, maar ook rockklassiekers als Get Yer Ya-Ya’s Out! of Exile On Main Street laat er geen twijfel over bestaan: het hart van deze kerels was toen ook al blue and lonesome.

Het is eigenlijk enkel een klein wonder te noemen dat die eerste echte bluesplaat er nu pas van komt. Tweeënvijftig jaar na het debuut. Voor heel wat muziekliefhebbers vermoedelijk een zoveelste bevestiging van conservatisme, want de blues heeft z’n imago natuurlijk niet mee. Spul dat werd opgenomen tussen de jaren twintig en de periode dat rock-‘n-roll definitief de fakkel overnam, dat krijg je nog verkocht aan je hippe neefje die op 24 december een platendraaier krijgt, maar de voorbije dertig jaar is er amper een serieuze muziekcriticus geweest die z’n vingers nog wil verbranden aan het vermaledijde genre. Jammer, want goede blues is bij uitstek het genre waar de wannabes worden gescheiden van the real deal, want als je dat laatste bent, een klepper met interpretatievermogens die zelfs decennialang kapotgespeeld materiaal nieuw leven kan inblazen, dan beschik je over het hoogste goed: persoonlijkheid. Misschien ook daarom dat in de blues, nog veel meer dan elders, songs niet zozeer geassocieerd worden met wie er de eerste versie van opnam, maar wie het het best naar z’n hand zette.

Zo belanden we bij Little Walter, samen met Sonny Boy Williamson II en Big Walter Horton een van de groten van de bluesharmonica. Koop een goeie compilatie van de man, en je hoort het genre in z’n meest pure, diepste gedaante. Niet toevallig halen de Britten een derde van hun plaat bij de meester, te beginnen met opener “Just Your Fool”. De stompende chug van de vier, die op Blue & Lonesome worden bijgestaan door concertcollega’s Darryl Jones (bas) en Chuck Leavell (toetsen), draagt een halve eeuw potige rock-‘n-roll in zich, maar dat ze dit spul in hun DNA hebben zitten, spat uit de speakers. En dan mag Sir Mick nog zoveel sneren in een dik aangezet Brits accent als hij wil, z’n harmonicaspel komt rechtstreeks uit een in vuur en vlam gezette Chicagoclub uit het midden van de jaren vijftig.

Het titelnummer halen ze ook bij Little Walter, al wordt de song toegeschreven aan Memphis Slim. Het is ook een van de vele nummers waarin het gitaarspel van Wood en Richards extra vermelding verdient. Rauw en slordig, maar met een XL-attitude van heb-ik-je-daar. En worden blues ballades vaak onnodig lang gerekt, dan beseffen ze hier dat binnen & buiten de beste tactiek is (12 songs en 42 minuten voor het album, dat zegt ook genoeg). Ook die andere Little Walter-classics — een vief “I Gotta Go” en een lekker vet uitgesmeerd “Hate To See You Go” — klaren de klus met een ouderwetse singlelengte en vooral: een stapeling van knappe, repetitieve motiefjes. Zo ook: “Commit A Crime”, met een eindeloos jankend gitaartje dat de evilness van die vrouw nog maar eens in de verf zet.

Favoriet hier: een fan-tas-tisch “All Of Your Love” van Magic Sam, dat op diens legendarische lp West Side Soul (nog altijd een van de drie, vier Chicagoplaten die u eerst in huis moet halen) uit 1967 stond, maar eigenlijk al in de jaren vijftig opgenomen werd, net als de meerderheid van deze songs. Ook “Hoo Doo Blues” (met percussie van held Jim Keltner én een extra vunzige Jagger) en “Just Like I Treat You” (verre verwant, of eerder voorloper, van hun eigen “It’s All Over Now”) van Willie Dixon klinken onweerstaanbaar. Anderzijds bungelen de twee stukken met gitaargod Clapton — “Everybody Knows About My Good Thing” en “I Can’t Quit You Baby” — hier onderaan. Diens bijdrage is, zeker met de slide in het eerste nummer, meteen herkenbaar, maar z’n gladde, meer virtuoze stijl breekt met de compacte rauwheid van de andere songs.

De sound, met voortdurend aanwezige lichte distortion, lijkt ergens het midden te houden tussen die van King King, die ene lp die de licht fantastische Red Devils begin jaren negentig opnamen voor ze even flirtten met Mick Jagger, en de bewust rauw gehouden producties van het Fat Possum-label (die op hun beurt een en ander leenden bij oude opnames van o.a. Elmore James, Hound Dog Taylor en andere wat krakkemikkig/authentieke blues), die vooral in de kaart speelt van de slonzige gitaarinteractie en het vurige harmonicaspel. Ook dat speelt natuurlijk mee bij de beleving van Blue & Lonesome, dat op die manier misschien toch ook een nieuw publiek kan aanboren. Wat er ook van is: de songschrijverstandem Jagger-Richards blijft nog even op stok, maar Blue & Lonesome blaakt van een levenslust die de vorige gekunstelde studioplaten (ja, die van de 00’s én de 90s) ontbeerden en is de plezantste, meest vetvrije en consistente Stonesplaat in… tja, dertig jaar of zo? Vijfendertig? Dus eigenlijk: de pot op met die nieuwe songs en negeer die kuthoes (hoe is het mogelijk, in een tijd dat zelfs de kleinste DIY-labeltjes het ene pareltje na het andere in elkaar kunnen steken?): spelen, verdomme.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in