Opeth :: Sorceress

Nee, ook op de nieuwe Opeth vallen geen bloeddoorlopen grunts en blast beats te horen. Nog zin om verder te lezen? Goed zo, want met Sorceress schilderen de Zweden een fraai derde luik van hun meeslepende prog-triptiek.

Het is de eeuwige discussie bij een nieuw album van het eclectische vijftal uit het Hoge Noorden. Graaft Opeth de death metal van platen als Deliverance en Blackwater Park weer op of bewandelt de band verder het pad van de progressieve rock uit de jaren ’70? Wie Opeth is blijven volgen, zet z’n centen (terecht) op het laatste. Met Heritage uit 2011 stuurde Mikael Åkerfeldt de andere groepsleden richting pure progrock, folk en jazz. En in tegenstelling tot het akoestische Damnation, voelde die kentering dit keer als definitief aan. Heel wat fans en toetsenist Per Wiberg haakten af, maar de blijvers werden beloond met een avontuurlijkere, volgende stap in de muzikale evolutie van de band. Pale Communion uit 2014 bevestigde die ommekeer met een nog nadrukkelijker melodieuzer geluid en nu is er dus Sorceress. Het logische culminatiepunt van Opeths nieuwe prog-esthetiek.

Nochtans zullen de nekwervels van de fans van het eerste uur stevig kriebelen bij het begin van de plaat. Na een waanzinnige intro vol kromme jazz à la Frank Zappa spat in het titelnummer een loodzware moordriff uit de speakers. Zo ongemeen heavy klonken de Zweden in geen jaren. Die rechttoe-rechtaanaanpak werkt perfect en het resultaat is een van Opeths beste songs in jaren. Maar het blijkt allemaal een schijnmanoeuvre, want daarna trekt het vijftal onbeschaamd de kaart van de progressieve zotternijen, met op tijd en stond de nodige hardrock-tics.

Te beginnen met “The Wilde Flowers”, dat lijkt op een rituele paardans tussen King Crimson en Deep Purple. Groovy orgelpartijen, lyrische gitaarsolo’s, complexe ritmes … Opeth zet de vertrouwde ingrediënten van die groepen naar z’n hand en smeedt er z’n eigen legering mee. Het scheurende “Chrysalis” doet daar zelfs nog een schepje bovenop, met een glansrol voor toetsenist Joakim Svalberg en drummer Martin Axenrot. Het is leentjebuur spelen zonder echt te kopiëren, want het eindresultaat klinkt nog altijd als Opeth. Dat is onder meer te danken aan de zang van Mikael Åkerfeldt, die nooit beter klonk dan op dit album. Hij verkent de abyssale dieptes van z’n longen niet meer met death grunts, maar vindt hier de perfecte mix tussen angeliek en vurig.

Wat je de heren wel kan aanwrijven, is een licht gebrek aan coherentie tussen de songs. Zo had het intimistische niemendalletje “Sorceress 2” niet gehoeven en in “The Seventh Sojourn” lijkt Opeth wel het huisorkest van John Zorn. Een en al exotische souplesse à la het Bar Kokhba Sextet, maar tegelijk ook een vingeroefening die vloekt met de andere nummers. Gelukkig pikt de band de draad snel weer op met onder meer de majestueuze, meeslepende finale van “A Fleeting Glance” en de hardrock-grandeur van “Era”.

Sorceress is dus niet het meest samenhangende album van Opeth, maar vormt wel een staalkaart van hun grote talent en brede spectrum. Bovendien blijven de Zweden koppig hun goesting doen en koppelen ze hun technische meesterschap aan tonnen spelplezier en bezieling. En zo hebben we het graag!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in