Burrell / Baars / Henneman :: 24 september 2016, Bimhuis (Amsterdam)

In 1991 richtten Ab Baars en Ig Henneman Stichting Wig op, waarmee ze meer dan 600 concerten op poten zetten en 24 albums uitbrachten met een keur aan gasten. Een kwarteeuw Wig werd gisteren in het Bimhuis gevierd door een concert te geven met een nieuwe geestverwant van het stel, waarbij het de bedoeling is dat de opname van dat concert album #25 wordt. We kunnen nu al meegeven dat die jubileumrelease een feest voor fijnproevers wordt.

Het is ook best een intrigerende combinatie. De 76-jarige Burrell, die ze leerden kennen tijdens een van zijn soloresidenties in de Amsterdamse jazztempel, nodigde het koppel uit bij hem thuis in Zweden, waar bleek dat het muzikaal en menselijk klikte tussen de drie, ook al hebben ze dan een heel andere achtergrond. Zijn Henneman en Baars diep geworteld in de Amsterdamse scene en uitgegroeid tot artiesten die zich thuis voelen binnen gecomponeerde muziek én improvisatie, dan stond Burrell op de barricaden toen de vrije jazz uitbrak in de jaren zestig. Hij speelde aan de zijde van o.m. Pharoah Sanders en Archie Shepp, schreef met Echo een cultklassieker op z’n naam, en was daarna zowel in de weer met ambitieuze jazzopera’s als met ingetogen soloprojecten (en vele gradaties daartussen).

Wat vooral ook opmerkelijk is, is dat Burrell zich thuis voelt in zeer uiteenlopende werelden, van compleet vrije avant-garde tot muziek die diep geworteld is in de pianotraditie van o.m. Art Tatum en Thelonious Monk. Het is een spreidstand waar Henneman en Baars weg mee weten. Via het ICP Orchestra, maar ook andere projecten op z’n parcours, is vooral Baars al vaak in aanraking gekomen met heel wat klassieke pijlers van de jazz. Dit concert beloofde echter heel wat anders worden: een avond vol vrije improvisatie. Vrij van composities, vrij van afspraken, vrij van beperkingen. ’s Middags was het trio al samengekomen om te spelen zonder publiek, ’s avonds werd het nog eens overgedaan. En dat leverde een hoop indrukwekkende muziek op.

Al moet meteen gezegd: het was muziek die je eigenlijk opnieuw moet horen. Het musiceren gebeurde op de tast, vloeide vaak even organisch als ongrijpbaar, nam toe en weer af in densiteit, volume en spanning. Het ene moment schoten je ogen van links naar rechts, vroeg je je af wie nu eigenlijk reageerde op wie. Iets later vroeg je je af hoe ze in hemelsnaam in die spontane, maar onmiskenbare verbondenheid beland waren. Henneman en Baars gaven het startschot — of eerder: een resem staccato aanzetten — voor een opener die uiteindelijk een half uur zou duren en hen voerde langs bewegingen vol reliëf, momenten van ingetogenheid, rust en knetterende ongedurigheid. Henneman varieerde tussen kleine, korte motiefjes en trage, soms folkachtige uithalen. Baars, soms driftig door de knieën zakkend, counterde op tenorsax met dierlijke echo’s, ontsnappende kreten en abrupte uitbarstingen. Burrell leek er soms rond te dansen: becommentariërend, nu eens met wat meer afstand, dan weer pertinent aanwezig, en steeds met een opvallende, haast jeugdige zwier.

De diversiteit was enorm: hier en daar ging het er even filmisch aan toe, drukte Henneman de altviool tegen haar wang terwijl ze de klankkast bespeelde als een trommel, of leek ze wel een hoge misthoorn na te bootsen. En dan kwamen Baars en Burrell weer de hoek omgevlogen, met bokkige loopjes en hoge, iele, schrille klarinetuitschieters die de tweede set afsloten op een hoogtepunt, letterlijk en figuurlijk. Als die eerste set er eigenlijk eentje was van een langere beweging, dan viel de tweede op door een aaneenschakeling van kortere verhalen. Compacter en dus ook meer verteerbaar, waarbij Baars’ keuze voor tenorsax, klarinet of shakuhachi regelmatig bepalend was voor de teneur van een passage. Het leidde tot een paar ingetogen momenten van gefluisterde bezwering, waarbij elke muzikant bijdroeg aan een delicaat geschilderd portret.

De muziek werd kaler, en even zette Burrell ook een stapje opzij, toen het Amsterdamse duo een zacht gesprek voerde dat uiteindelijk wel omsloeg in een heftiger antwoord. Net zo indrukwekkend was een lange solopassage van Burrell die, de pet diep over de ogen getrokken, helemaal meegesleurd werd in een improvisatie waarin soms flarden stride, swing en Monk leken op te duiken, maar waarin net zo goed plaats was voor percussief gedender en een dikker aangezet drama. Dat was op zijn beurt dan weer een aanloop naar een finale die vooral opviel door z’n warme innigheid. Net zoals het eerste concert dat de Nederlanders speelden met Ingrid Laubrock (en dat vervolgens op een voortreffelijk album belandde) was ook dit een concertdebuut dat steek hield, getuigde van een verwantschap en het potentieel van de vrije muziek knap illustreerde. Zoeken en vinden. De creatie van het moment in z’n naakte, onvoorspelbare vorm, maar vooral ook met muziek die we heel graag nog eens opnieuw willen beluisteren, om te verifiëren of die nazinderende indrukken kloppen en vooral: om te horen wat we bij die eerste beluistering allemaal gemist hebben. Pure weelde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in