Jazz Middelheim 2016 :: 12-15 augustus 2016, Park Den Brandt

Maandag 15 augustus

Dag vier van Jazz Middelheim betekende in zekere zin een terugkeer naar de essentie. Van vrijdag tot zondag had het programma zowat naar alle kanten mogen uitwaaieren — duidelijk met wisselend succes — maar voor de afsluitende dag werd de jazztrein eindelijk terug op de rails gezet met namen als David Murray, Pharoah Sanders, Craig Taborn, Dré Pallemaerts en Ben Sluijs. Het leverde enkele bijzonder mooie en zelfs begeesterende momenten op, maar bracht net zo goed teleurstellingen met zich mee. Of moeten we gewoon eindelijk eens leren om onze verwachtingen op festivals wat te temperen?

Voor de soloset van Craig Taborn was dat alleszins nog niet nodig. Integendeel, de lat lag duidelijk nog niet hoog genoeg, gezien de extase die het pianofenomeen na een uiterst intens concert bij sommige toeschouwers opwekte. Virtuositeit gaat bij deze 46-jarige Amerikaan hand in hand met muzikaliteit en visie, dat blijkt uit de talloze opnames die hij maakte onder eigen naam — waaronder de soloplaat Avenging Angel — maar ook in dienst van anderen. Of hij nu vrij improviseert met Roscoe Mitchell, moddervette grooves uit zijn Fender Rhodes pompt met Chris Potter’s Underground of meesterwerken smeedt met zijn uitmuntende trio, Taborn manifesteert zich eender waar als een pianist hors catégorie, een unieke stem in het clubje hedendaagse klaviertovenaars.

De Amerikaan had niet veel nodig om zijn geïmproviseerde set op gang te trappen. Een speelse riedel met de linkerhand was de basis van waaruit hij het uitgebreide eerste stuk opbouwde. Hij dikte het aan, breidde het uit of ging erop variëren en dat terwijl hij met de rechterhand ondertussen iets gelijkaardigs deed in een hoger register. Die twee partijen groeiden steeds nadrukkelijker naar elkaar toe en gingen een soort impressionistische hybride vormen, maar dit alles werd vervolgens vrij abrupt afgerond. Dat de soundcheck die op dat moment was begonnen in de nabijgelegen clubstage zelfs hoorbaar was tot op de eerste rijen, zal daar ongetwijfeld een rol in hebben gespeeld. Taborn hanteerde vervolgens een meer agressieve tactiek: ellebogen en onderarmen op het klavier, grote hoekige sprongen op de toetsen afgewisseld met meedogenloos snelle frasen. Even het stof uit de klankkast rammen dus, want wat de Amerikaan vanaf dan in petto had was van een waanzinnig hoog niveau.

Met rollende grooves en twee handen die strak en gelijkmatig over het klavier zoefden, kwam halverwege de set plots de ritmisch denkende Taborn naar boven. Invloeden van stride, boogie woogie en blues slopen volop naar binnen en werden uiteindelijk herleid tot een rifje van ronkende akkoorden. De laatste tetteraars in het publiek werden daarna meteen tot zwijgen gedwongen met een huiveringwekkend mooie passage waarin de melancholie overheerste en dat wel wat weg had van een vermomde jazz standard. Taborn lag op dat moment bijna met zijn hoofd op de toetsen en was één en al concentratie. Hij verzilverde zijn toewijding met een verpletterend slot waarin hij een prikkelende vamp ontwikkelde die in verschillende fasen een octaaf naar beneden schoof, terwijl hij met de rechterhand de ene waanzinnige vondst na de andere andere uit de piano toverde. Het was een overvloed aan muzikale creativiteit en het culminatiepunt van een verschroeiende set, waarna mensen als een raket uit hun stoel zegen om de man zijn welverdiende ovatie te geven. Het podium leek op een uur tijd haast ongemerkt te zijn opgestegen, want ergens hoog in de wolken, onbereikbaar voor de gewone sterveling, daar groette Taborn nog even snel zijn publiek.

Het is niet meteen een cadeau om enkele minuten na zo’n verpletterende show het podium op te moeten, zeker niet wanneer je in duo heel intimistische muziek brengt. Maar saxofonist en fluitist Ben Sluijs en pianist Erik Vermeulen spelen al twintig jaar samen en het vertrouwen in elkaar is bijgevolg groot. Sluijs (1967) was op maandag de uitverkoren gastheer van de clubstage en mocht bijgevolg vier keer aantreden met verschillende bands, en dat ging uiteindelijk van het getrouwe duo tot een gloednieuw kwartet, dat als afsluiter fungeerde van deze editie van Jazz Middelheim. Maar eerst was het dus de beurt aan de uiterst breekbare muziek van Sluijs en Vermeulen, een mix van eigen composities en standards op fluisterniveau. Hun fijngevoelige aanpak in “Broken” en “Goodbye” loonde niet altijd, gezien het geroezemoes van een zonovergoten festivalterrein hun concert veelal overstemde, maar we durven er geld op zetten dat de eerste rijen er vol van hebben genoten.

Slechts één Belgische act op het hoofdpodium op maandag, maar dan wel eentje die gezien mocht worden. Met Coutances leverde drummer Dré Pallemaerts deze zomer zijn tweede plaat onder eigen naam af, een speciaaltje bovendien, want met Bill Carrothers (piano) en Jozef Dumoulin (Fender Rhodes) bevat de groep twee toetsenisten maar geen bassist. Dat was deze keer in Antwerpen anders, want samen met Nicholas Thys ging de contrabas voor het concert van Seva mee op het podium, waardoor de groep werd uitgebreid tot een kwintet. De Belgische New Yorker Robin Verheyen was ook van de partij en nam de plaats in van Mark Turner, die op de plaat te horen is. De uit Turnhout afkomstige saxofonist werd meteen als een troefkaart uitgespeeld en wist meermaals scherp uit de hoek te komen in de niet altijd even spannende composities van Pallemaerts. Gelukkig werd dat laatste opgevangen door een gretige band, waarbij Dumoulin als vanouds voor wat grillige en freaky bijdragen zorgde. Dumoulin en Carrothers bleken aangenaam compatibel en vooral die laatste durfde zijn solerende collega-toetsenist wel eens subtiel uitdagen.

Het concert van Seva had al vrij vroeg last van een dipje. Het repertoire bleef wat te veel hangen in een voorspelbaar sfeertje, want hoewel het allemaal wel mooi kon worden genoemd, bleef het toch al bij al een afstandelijke boel. Gelukkig trokken Verheyen en Dumoulin de machine terug in gang met een behoorlijk pittig duel en ging de groep daarna nog mooi in elkaar haken met het door Carrothers geschreven “Waltz Macabre”, een opvallend stuk waarin Pallemaerts het beschadigde walsritme al improviserend terug in elkaar timmerde. Met “Brussel-Parijs” swingde de groep overtuigend naar de uitgang en perste Verheyen er een laatste solo uit, op zijn typische manier op en neer wippend, wat hem ongrijpbaar maakte voor de inzoomende camera.

In de clubstage was het dan alweer tijd voor Sluijs en het eerste van twee trio’s dat hij die dag zou voorstellen. Het Ben Sluijs Trio is met een pittige ritmetandem bestaande uit Manolo Cabras (contrabas) en Marek Patrman (drums) een behoorlijk stevige groep naar Sluijs-normen, al blijft de saxofonist trouw aan zijn persoonlijke stijl die is gespeend van enige vorm van krachtpatserij. Sluijs zal men zelden of nooit horen overblazen, maar zal in ware cooljazz-stijl altijd de meest zuivere lijnen uit zijn instrumenten toveren, en dat was zelfs in het gezelschap van een druk wroetende Cabras het geval. Het zou veel anderen inspireren om een tandje bij te steken, maar neen, Sluijs greep in het heetst van de strijd zelfs naar de dwarsfluit, wat zijn medespelers dwong om wat meer ruimte te creëren. Het trio speelde “I Wish I Knew” (een ballad waarvan John Coltrane ooit een erg mooie versie op plaat zette) en een eigen stuk uit de tijd van Sluijs’ vorige kwartet, dat wel wat Ornette Coleman-allures had, waarmee onbedoeld een brugje werd gebouwd naar het volgende concert in de grote tent.

Flarden van een bleirende tenorsax werden door de wind over het festivalterrein gedragen en dat was onmiskenbaar de sound van David Murray, die samen met pianiste Geri Allen en drumster Terri Lyne Carrington al aan zijn concert was begonnen. De Amerikaanse saxofonist stond in de jaren zeventig en tachtig op de voorposten van de creatieve jazz maar kon bij recente passages in ons land niet helemaal overtuigen. Murray blijft uiteraard een fenomenale rietblazer (ook op basklarinet) maar heeft tegenwoordig nogal snel de neiging om de trukendoos boven te halen. Ook in Antwerpen ging hij bij zijn eerste solo’s al meteen op zoek naar effecten: piepen en kreunen in het hoge register en af en toe een grote intervalsprong. Er werd in dat eerste stuk (“Mirror Of Youth”) geopteerd voor een rondje solo’s, wat de spankracht niet meteen ten goede kwam. Ook “Barbara Allen” en het jolige “For Mr. Peter O’Brian” (allemaal composities van hun trioplaat Perfection) gaven eerder aanleiding om rustig onderuit te zakken in plaats van naar het puntje van de stoel te schuiven.

Het trio-project van Murray, Allen en Carrington is opgevat als een soort eerbetoongroep, waarbij de leden composities schrijven voor bepaalde individuen, naar welke aanleiding dan ook. Zo zijn er de stukken voor overleden vrienden, maar bijvoorbeeld ook “Geri-Rigged”, een werk van Carrington opgedragen aan Allen. Grappig genoeg was in dit stuk vooral een hoofdrol weggelegd voor een vurig duet van sax en drums, een lekker heftig momentje dat het concert plots opnieuw injecteerde met de broodnodige adrenaline. Het zou een voorsmaakje blijken van een opmerkelijk energetisch slot, waarbij het trio zich waagde aan “Perfection” van Ornette Coleman, en de groep eindelijk duidelijk maakte dat ze met recht en reden zo hoog op de affiche was geplaatst. Maar dat hadden ze dus best ook wat vroeger mogen aantonen wat ons betreft, want dat stukje ontgoocheling bleef ook na afloop resoluut hangen.

Wat een contrast alweer bij het volgende ensemble onder leiding van Sluijs. 3/4 Peace is zonder twijfel de meest actieve van zijn huidige bands en stond recent nog wat onder de aandacht met een tweede album voor het Gentse label El Negocito. Net zoals het duo met Erik Vermeulen wordt er in dit trio (met pianist Christian Mendoza en bassist Brice Soniano) heel verfijnd gemusiceerd en dat leverde in Park Den Brandt enkele geweldige momenten op, waarbij vooral het tweede en derde stuk (als we het goed hebben gehoord waren dat “Orpheus Winterking” en “Still”) de volgepakte tent in muzikaal zijde leken te wikkelen. Het vluchtige toucher van Mendoza zorgde voor dromerige suggesties die door Soniano met enkele welgeplaatste noten van de juiste context werden voorzien. Samen met de flirterige sax en de fladderende dwarsfluit van Sluijs lijkt er maar één conclusie mogelijk: deze drie zijn voor elkaar gemaakt.

Slechts één concert restte dan nog op het hoofdpodium en dat was de absolute hoofdact: Pharoah Sanders, ooit de linkerhand van John Coltrane en als icoon van het freejazztijdperk ondertussen een levende legende. De nu 75-jarige Amerikaan was in de jaren zestig en zeventig een orkaankracht, een op sommige momenten meedogenloze saxofonist, maar die tijden zijn zoals we allemaal weten reeds lang vervlogen. De festivalorganisatie verwoordde het nogal veilig als zou Sanders vandaag “meer verfijnd” en “preciezer” spelen, maar zoiets interpreteren wij vooral als: verwacht er best niet te veel van. Het programmeren van levende legenden komt wel eens vaker neer op een bende uitstekende muzikanten die allemaal heel lief zijn voor elkaar (tenzij je Wayne Shorter heet uiteraard) en dat was exact wat er in Middelheim gebeurde. Pianist Joachim Kühn en de Indische meesterpercussionist Zakir Hussain waren de uitverkorenen om Sanders in Antwerpen bij te staan en dat was zeker geen slechte keuze.

Het concert begon heel gezapig met een trio dat een beetje aftastte en voor de rest vooral op de ervaring musiceerde. Sanders (met de pet achterstevoren op het hoofd) blies enkele lijnen in een nogal breekbaar timbre, maar nog wel met behoorlijk wat kracht en toonde weinig ambitie om tijdens het eerste kwartier iets op te bouwen, hoewel Hussain hem uit zijn kot probeerde te lokken met enkele muzikale grapjes. Als afwisseling begon de Amerikaan dan maar wat in de beker van zijn tenorsax te zingen — zowaar topentertainment volgens sommige toeschouwers — om vervolgens gewoon van het podium te verdwijnen. Dat was het sein voor Hussain en Kühn om elk een uitgebreide solo-showcase te verzorgen. De onbetwiste uitblinker daarin was de Indische tabla-virtuoos, waar velen met open mond naar zaten te kijken. Ook Kühn kreeg vervolgens de handen op elkaar, al vroegen we ons toch meermaals af naar wat we nu eigenlijk zaten te kijken, want Sanders was ondertussen al bijna twintig minuten eerder verdwenen.

Wanneer hij uiteindelijk opnieuw verscheen, bleek in het concert even veel spanning te zitten als in een elastiek die tien jaar in een vochtige lade heeft gelegen. Nergens hadden we het gevoel dat er een echt trio aan het werk was, de interacties boeiden veel te weinig en uiteindelijk waren het nog vooral de niet-muzikale randfenomenen die de aandacht trokken (Sanders zingt in zijn sax, Sanders danst, Sanders verdwijnt van het podium). Gelukkig was er nog een gloednieuw Ben Sluijs Quartet om ons met een brede glimlach naar huis te sturen. Samen met twee jonge talenten (pianist Bram De Looze en bassist Lennart Heyndels) en een ervaren rot (Dré Pallemaerts) had Sluijs na vijf minuten al meer hart en ziel getoond dan Pharoah Sanders in zijn hele concert.

Het kwartet speelde vooral eigen repertoire, waaronder een stuk dat werd opgedragen aan fluitist Yusef Lateef en eentje voor Miles Davis (“Miles Behind”). De Looze en Heyndels kregen meestal de ruimte om hun ding te doen en soleerden vlotjes onder aanmoediging van een zichtbaar genietende Pallemaerts. Alweer was daar dat breekbare element (we kunnen het ook gewoon het Sluijs-element noemen) waarbij het kwartet op een beheerste manier een prachtig geluidsevenwicht vond en de hele tent in volle concentratie deed luisteren naar zowaar het allereerste concert van een veelbelovende nieuwe groep. Beginnen en eindigen met een hoogtepunt, dat was al bij al dan nog een meevaller voor de organisatie. Maar doe ons in het vervolg toch maar een paar extra Taborns om de rest van de dag te vullen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in