Jazz Middelheim 2016 :: 12-15 augustus 2016, Park Den Brandt

Zaterdag 13 augustus

Dag 2 ging ongetwijfeld wat meer vuurwerk opleveren dan die opwarmdag. Dat we percussionist Eric Thielemans moesten missen, was goed voor (heel) wat frustratie, maar dat zou normaal gecompenseerd worden door de Main Stage, waar vier uiteenlopende concerten geprogrammeerd stonden, te beginnen met Avishai Cohen, die er deze keer aantrad met Big Vicious waarin een paar Jonge Turken uit de Israëlische rockscene bij elkaar komen. Eerder waaiden al een paar geruchten door de tent — het zou iets worden met rock, funk en jazz, maar niet echt — en die werden grotendeels ingevuld. Dit kwintet met twee drummers, een gitarist en een bassist die zich (iets té) graag van een batterij effecten bedient, speelde met het volume en de riffs van potige rock-‘n-roll, maar er kwam meer bij kijken dan dat.

De opener, een cover van Radioheads “Pyramid Song”, was niet de meest originele keuze (half Jazzland outte zich intussen al als fan en onze favoriete versie van de song staat nog steeds op Atomics Boom Boom), maar gaf meteen al een inkijk in twee favoriete sporen van het kwintet: rumoerige oorden en atmosferische inkleding. Heel even pakten ze uit met een stuk erg geslaagde riffrock (zodat die gitarist ook iets te doen had na een rondje slaggitaar in de opener), die meer gemeen had met de groovy jazzrock van Banyan — de superband rond o.m. Stephen Perkins en Nels Cline — dan met 70s fusion, maar er werd net zo goed geknikt richting electric Miles en Hendrix met die andere Miles achter de drumkit.

De drumtandem zorgde voor een knappe stuwing in de gedreven songs en een fijn buitelend verkeer in een versie van Sean Pauls “Get Busy” (jaja, toch wel), maar ging helaas ook erg log aanvoelen in de slepende/menancholische songs. Big Vicious heeft nog geen release op z’n naam staan en dat was er eigenlijk ook wel aan te horen. De sound stond er wel, hier en daar kwam die volkoperen sound van Cohen mooi tot z’n recht, net als de knoestige stijl van gitarist Uzi Ramirez, maar heel wat passages bleven té lang hangen in een halfslachtige, vaagweg bluesy vibe die zelden tot echt geknetter leidde. Geen slecht concert, maar wel minstens een half uur te lang.

Wat ons betreft had het legendarische ICP Orchestra (om half zes, begot!) gerust nog een uurtje erbij mogen lappen, want het Amsterdamse tentet met volk uit New York en Berlijn schudde een performance uit de mouwen die helemaal niet zou verbleken naast die van het magische jaar 1999. Meteen kreeg je immers een inkijk in het universum van een ontspoorde fanfare, waarin de klassieke ensemblehiërarchie keer op keer op z’n kop wordt gezet en theatrale ongein, vette swing en vrije verkenningen door elkaar geklutst worden. De usual suspects — Ellington, Monk, Mengelberg, … — waren natuurlijk van de partij, maar er zat ook chaos in, wat absurditeit (wat wil je ook, met Han Bennink, nochtans vrij kalm voor zijn doen, achter de vellen) en meesterlijke controle.

Want laar er geen twijfel over bestaan: om muziek zo te laten derailleren moet je die eerst tot in de puntjes beheersen en dat is iets waar zelfs al een paar befaamde gastmuzikanten zich de tanden op stuk gebeten hebben. Als de korte improvisaties van een paar deelfracties de concentratie van de luisteraars op de proef stelden, dan werd elders gezocht naar meer dan genoeg aanknopingspunten. De kamermuziek slaat soms jolig aan het marsjeren en de contrasten zijn al net zo aanstekelijk als kleurrijk. En ook al haalde ICP Orchestra nergens het volumepeil van de voorganger, toch werd hier een stuk scherper gespeeld en vooral: de bende liep te koop met een enorme weelde aan geluid. Enkel al die drie saxen –- Moore, Delius én Baars in dezelfde band -– en daar dan nog eens Heberer en Wierbos langs.

Er werd als vanouds gemusiceerd met een paar vingers in de neus, en het leverde heel wat bijzondere momenten op: het op werk van Charles Ives geïnspireerde drieluik van Baars was, net als op het recent verschenen Restless In Pieces, een markant sleutelstuk in het geheel, maar ook “Jo Jo Jive” van Janssen, die Mengelberg intussen toch al even met stijl vervangt, was een hoogtepunt en werd dan nog eens gevolgd door een onweerstaanbare versie van Sean Bergins “Lavoro”, waar ze stukken van Basie’s “Moten Swing” door draaiden. Er vielen misschien geen grote verrassingen te rapen, en we vinden ICP eigenlijk nog beter als ze hun kunsten verspreiden over twee sets en tijd hebben om wat te rekken, maar wat zou je in Godsnaam zitten klagen na zo’n demonstratie van een uniek vlaggenschap van de moderne jazz & improvisatie? De muzak van Einaudi was bijna verwerkt. Bijna.

Eerder op de dag viel er op de Club Stage een mooi moment te rapen, toen Han Bennink, David Murray én Denardo Coleman in gesprek gingen met journalist/schrijver Ashley Kahn (die van de aanraders over Kind Of Blue, Impulse! en A Love Supreme). Het was de start van een dag die zowat in het teken van de grote Ornette Coleman zou staan, en z’n culminatiepunt zou krijgen in ‘Denardo Vibe’, het eerbetoon dat de drummende zoon georganiseerd had met een kliek oude bekenden, vrienden en familieleden. En het was een mooie line-up, met bassisten Tony Falanga en Al MacDowell, Prime Time-gitarist Charlie Ellerbe (vroeger een tweespan met Bern Nix), saxofonisten René McLean (stiefzoon van de grote Jackie) en Abraham Burton, trompettist Wallace Rooney, Jr. (zoon van Sr. en Geri Allen), en als uitsmijter niemand minder dan David Murray. Die liet binnen de minuut al even horen waarom hij in de tweede helft van de jaren zeventig binnengehaald werd als het meest opwindende tenorgeluid sinds het pionierswerk van Albert Ayler, maar het was een flits in een concert dat het niet moest hebben van consistentie.

Alhoewel: er werd een aardige greep van Ornettes klassiekers gespeeld en keer op keer werd je eraan herinnerd wat een knappe reeks composities en melodieën hij ooit had neergezet, maar de uitvoeringen waren meestal minder en soms wat onderontwikkeld. De lichtvoetige stekeligheid van de originele versies vergleed regelmatig in een wat lompe brij, met saxen die gemakzuchtig over elkaar zaten te loeien in semi-chaotische bluesjams. Avishai Cohen was ook even van de partij en verrijkte de sound alleen maar, ook al stak die al vol met catchy wijsjes, kromme hoeken, de heupwiegende swing van o.m. “Turnaround” en de exotische ambiance van Dancing In Your Head. Niet slecht, maar voor elk geslaagd moment (hun “Lonely Woman” werd een fraaie collectieve kreet) was er wel een tegenhanger waarop het boeltje dreigde in elkaar te stuiken en zelfs de alles doorkruisende Ellerbe kon niet maskeren dat Denardo eigenlijk weinig nuance en strakheid in de aanbieding had.

Dan sluitluik An Evening Of Words And Music With Patti Smith. Dat beloofde een combinatie te worden van afgeborstelde poëzielezing en een wat ingetogen Colemanhommage. Not. Wat volgde was een bijzonder sterk concert dat zelfs niet onderuit gehaald kon worden door de misschien wat voorspelbare en pompeuze rock extravaganza op het einde. Smith wordt beschouwd als de grande dame van de punk, misschien wel van de rock-‘n-roll tout court, en snel werd duidelijk waarom. Ze stond er met een zeldzame autoriteit en een ongedwongen naturel. Ze noemde zichzelf geen ‘jazz singer’, maar liet die stem vervolgens prachtig door de tent galmen in een set die eigenlijk als een Best Of beschouwd kon worden en vooral in het eerste uur van hoogtepunt naar hoogtepunt schoof.

Met meteen “Birdland” vooraan in de set, werd direct geput uit het onverwoestbare Horses, maar wat volgde was minstens even sterk. En eerlijk is eerlijk: we hingen aan haar lippen tijdens haar bezwerende uitvoering van Ginsbergs “Footnote To Howl”, dat gebracht werd met een messcherpe intensiteit. Poëzieavonden, dat geurt doorgaans naar patchouli en goede bedoelingen. Dit was een furieuze bolwassing. Maar dan kwam het nog maar op gang, want Smith, bassist Tony Shanahan (die dubbelde op toetsen), gitarist/zoon Jackson Smith en drummer Seb Rochford (die een maand geleden nog piekte op Gent Jazz met de opzwepende grooves van Sons Of Kemet) sloegen duchtig aan het rocken (“Dancing Barefoot”, “Summer Cannibals”), hypnotiseren (prachtversie van “When Doves Cry”) en geraakten zelfs weg met een gedicht van Smith dat voor het eerst met muziek uitgevoerd werd en, misschien wat voorspelbaar, refereerde aan “Lonely Woman”.

Voor het slotluik — het stomende rijtje “Pissing In A River” (opgedragen aan Ann Demeulemeester), “Because The Night”, “People Have The Power” en “Gloria” — werd werkelijk alles uit de kast gehaald. Goed, Smith sloeg eigenlijk de hele tijd aan het roepen en brullen, maar haar “Fuck the chairs” en opruiende oproep tot actie viel niet in dovemansoren. In de zaal ontspon zich een feestje dat Jazz Middelheim zelden meemaakte. Nee, jazz was dit zeker niet en de connectie met Coleman was er vooral door het feit dat de twee iconen elkaar regelmatig troffen op feestjes, maar je kon niet ontkennen dat je hier te maken had met een artieste die bewoog, zong en dirigeerde met de overtuiging van een vrije geest, en dat was best indrukwekkend om mee te maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in