The Portuguese Connection (2016), Pt. 5 :: João Camões & Jean-Marc Foussat, Staub Quartet + LUME

In oktober van 2015 berichtten we uitgebreid over onze fascinatie voor (enkele gedaantes van) de hedendaagse Portugese improvisatie. Wat blijkt nu: een forse greep uit de artiesten die we toen aan bod laten komen, verzamelt van 2 tot 4 juni in de buurt van Lissabon voor DESVIO, een driedaags festival dat die scene uitgebreid in de kijker zet met dertien concerten. We zijn van de partij, maar niet voor we nog een aanvulling konden doen op de reeks, met vijf nieuwe delen. Met vandaag de focus op een aantal buitenbeentjes: het duo João Camões & Jean-Marc-Foussat, het Staub Quartet en XL-ensemble LUME.

João Camões & Jean-Marc Foussat – À La Face Du Ciel!

Hier en daar leeft soms nog het misverstand dat geïmproviseerde muziek vertrekt vanuit chaos, het ongeplande, en als hoogste doel heeft om willekeur uit de weg te helpen en te belanden bij iets dat we gemakshalve maar harmonie zullen noemen. Met muzikanten die de muzikale spraakverwarring gaandeweg leren oplossen en streven naar een zo efficiënt mogelijke communicatie. Pure pragmatiek. Zo zit het dus niet in elkaar. Niet noodzakelijk. Geïmproviseerde muziek heeft helemaal niet de bedoeling om onzekerheid weg te werken, net zoals closure niet het einddoel is. Dat is iets voor muzikanten die geen weg weten met dualiteit en een publiek niet zonder vragen naar huis durven sturen. Het mooie van de vrije improvisatie is (ook) dat er sprake kan zijn, mag zijn, van onopgeloste denksporen, misverstanden en frictie, terwijl het eindresultaat toch geslaagd is. Je moet het ook niet eens zijn met elkaar om een goede discussie te voeren. En dat merk je herhaaldelijk in dit album van de Portugese altviolist João Camões met de Franse elektronicaspecialist Jean-Marc Foussat.

Die kennen elkaar al een hele tijd. Camões trok een hele tijd geleden immers naar Parijs en ging er gaandeweg deel uitmaken van de Franse scene (al speelt hij ook met landgenoten in o.m. Open Field en Earnear). Dat leidde onlangs nog tot Bien Mental, verschenen op Foussats eigen Fou Records, waarop de twee te horen zijn met accordeonist Claude Parle. De combinatie van altviool, accordeon en analoge synth leidde daar al niet tot rustgevende, harmonieuze muziek, en dat is hier evenmin het geval, ook al zou je kunnen denken dat het in deze duocontext net makkelijker zou kunnen zijn. Doorheen deze twee lange stukken is de interactie tussen Camões en Foussat voelbaar (ook geholpen door het feit dat Foussat kan inpikken op het spel van zijn collega door dat te vervormen), maar leidt het niet tot een gestroomlijnd resultaat. Integendeel, het gaat er bij momenten behoorlijk tegendraads en nukkig aan toe, soms zelfs met passages die minder getrainde oren als lelijk zouden omschrijven, zoals wanneer Foussat de elektronische golven laat borrelen en pruttelen als een ondoordringbare, groezelige smurrie.

Het strekt Camões alleszins tot eer dat hij koppig zijn ding blijft doen, soms al net zo agressief inhakt op zijn instrument als zijn collega, maar dat hij ook korte serenades uit de vingers schudt en tussen al dat staccato strijken en ruw krassen ook nog momenten van weemoed en schoonheid durft te plaatsen. Soms kunnen die rustig nazinderen, even blijven ademen, maar Foussat is een onvoorspelbare improvisator, die het net zo goed aangrijpt om een nieuwe barrage los te laten van dwarse geluiden en effecten die zo weggeplukt lijken uit een bestofte sci-fi-film. De ene keer met onheilspellend gebrom, even later iets dat een kapotte waterleiding suggereert. Alleszins geen mooi verhaal of pretje, maar wel iets om de oren een kans te geven, omdat er veel uit op te steken valt over hoe muzikanten ook kunnen werken met contrasten, cumulatie en al dan niet scheefgetrokken verhoudingen. Dit is er eentje voor gretige oren die vooral nood hebben aan ongewone tactieken en uitdagingen, en ook zonder een mooi afgelijnde oplossing verder kunnen.

Staub Quartet – House Full Of Colors

Nog zo’n album dat vooral gewaardeerd zal worden door getrainde oren (alhoewel, met de juiste luisterhouding heb je eigenlijk niet eens voorkennis of ervaring nodig), al is dat hier om een andere reden. Krijg je bij het album van het duo hierboven een interactie gepresenteerd die het de luisteraar niet bepaald makkelijk maakt omdat de voor de hand liggende opties meteen terzijde geschoven worden, dan hoor je hier een bezetting met vier instrumenten uit dezelfde familie: viool (Carlos “Zingaro”), cello (Miguel Mira), contrabas (Hernâni Faustino) en akoestische gitaar (Marcelo Dos Reis). Stuk voor stuk uitstekende muzikanten met een eigen geluid en een brede bagage/ervaring, maar zonder het visuele element vraagt het natuurlijk om actief luisteren, de oren spitsen. Tenminste, als het je iets uitmaakt hoe de verhoudingen precies in elkaar zitten, want je kan dit spul natuurlijk ook gewoon over je heen laten komen.

Er zijn wel degelijk grote verschillen, en niet alleen in formaat, tussen deze instrumenten, maar pluk aan de vioolsnaren, en het kan op een gitaar lijken. Gaat de viool in het lage register, dan komt het dicht bij de cello in het hoge. Idem voor de cello vs. de bas, en het wordt al helemaal moeilijk als er strijkstokken aan te pas komen, of als je bvb. te maken krijgt met een cellist als Miguel Mira, die binnen o.m. het Rodrigo Amado Motion Trio speelt alsof hij een bas hanteert. Kortom: iets om de oren bij te spitsen, wat in dit geval geen beproeving hoeft te zijn. De meeste van deze zes stukken hebben een heel eigen karakter en muzikaliteit te over, zonder daarom te moeten mikken op excentrieke effecten en uitblinken in dosering en dynamiek, terwijl ook de albumduur vrij compact gehouden wordt.

Vanaf opener “Quiet Arcs” is het een beetje zoeken, maar zodra je wat hebt kunnen luisteren, de indeling van de instrumenten gevonden hebt (gitaar en bas zitten hier aan de linkerkant van het spectrum, cello en viool rechts), kan je je aandacht vestigen op de statige puls die als een rode draad door het stuk loopt, en op het zacht openvouwende web van patronen dat de vier creëren. Daarin wordt veel gewerkt met herhaling, zodat de solo van “Zingaro” alle ruimte krijgt om er vrij over te zweven. De ideale start, want vanaf “Red Curtains” wordt de dynamiek opgekrikt, neemt het samenspel toen in densiteit, kruipt er meer temperament in de muziek, hoor je hoe cello en viool langs elkaar op spurten en Dos Reis de snaren doet kletsen of manisch op die ene noot blijft hangen. Een stuk met een knoert van een drive, maar zonder dat het gaat verzanden in een onontwarbaar kluwen.

En zo krijg je een mooie slingerbeweging, van meer snelheid en densiteit naar de andere kant van het spectrum, zoals in “Opacity Rings”, waarin maximaal gebruik wordt gemaakt van ruimte (letterlijk, door de vaste puls te scheiden met lange stiltes), waardoor het statig voortschrijden mooi uitgewerkt wordt en de gitaar pas in het tweede luik de kop opsteekt. De verhoudingen blijven op een actieve manier verschuiven, want ook hier is er geen sprake van een duidelijke hiërarchie. Soms merk je een deelfractie op, voel je dat er twee zijn die elkaar als klankbord gebruiken, maar dat is allemaal slechts tijdelijk, steeds onderhevig aan verandering. Het zal voor heel wat nieuwsgierigen wennen zijn, zo’n album zonder blazers, piano of percussie, maar het ontbreekt deze vier niet aan de ideeën, variatie of – de titel zegt het al – kleuren, om van dit album iets moois te maken.

LUME – Xabregas 10

Een recent concertverslag had ons al gewaarschuwd dat LUME behoorlijk heftig is, want de schrijver ervan sprak over een combinatie van Count Basie, Zappa, Naked City en vanalles om bij te headbangen, maar toch kwam deze schijf als een verrassing. Het vijftienkoppige Lisbon Underground Music Ensemble heeft niet enkel qua naam wel iets gemeen met het door Mats Gustafsson geleide Fire! Orchestra (‘lume’ betekent ‘vuur’ in het Portugees), maar ook met de impact. Alhoewel, de aanpak is toch heel anders. De muziek van LUME is, zeker hoe ze hier wordt gepresenteerd, een stuk strakker gedirigeerd, of mechanischer, kan in een vingerknip omslaan van bronstig gepomp naar absolute stilte, die al dan niet wordt opgevuld met elektronische ingrepen. En dat is meteen wat van Xabregas 10 zo’n merkwaardige plaat maakt. Het is een registratie van een concert tijdens het Jazz em Agosta festival van 2014, al is componist, bandleider en pianist Marco Barroso achteraf, tijdens het postproductieproces, vermoedelijk nog even bezig geweest met knippen, plakken en vooral toevoegen.

Dit knettert, ruist, fluit, bliept, giert en stuitert immers een eindje weg. Alsof de krachtige attack van een vijftienkoppige band met zes rietblazers en zes koperblazers in “Astromassa” nog niet volstond. En inderdaad, het herinnert hier en daar aan het orkestrale werk van Zappa, en zeker ook aan de schizofrene waanzin van John Zorns brutere projecten, maar misschien ook wel aan het luidste van Flat Earth Society, waarin je soms ook zo’n plotse, destructieve energie kan horen. Het is alleszins een eigenaardige plaat, waarin die collectieve drive plots (maar dan ook echt in een vingerknip) afgewisseld wordt door een geïsoleerde solo van altsaxofonist Ricardo Toscano, die op zijn beurt dan weer gevolgd wordt door een orkest in galop en bakken suizende elektronica. Het dreigt echt elk moment uit elkaar te barsten, en die overdaad kenmerkt eigenlijk de vier stukken op het album.

“Sandesblast” gaat van start met een troebele geluidssoep, waar na verloop van tijd beats en een orkest uit tevoorschijn komen. Deze keer profileert LUME zich als een gesjeesd exotisch balorkest, met bombastische weelde waar nog eens twee lange solo’s aan toegevoegd werden (zo klinkt het nu althans). “Polén” teert dan weer op een loom wentelende groove, lijkt nog nauwer verwant aan een zwoele ondergrondse geluidsmassage, en dan moet slotluik “LSW” nog komen. De sleazy kermiscadans die hier ineens opduikt zet de klassieke swingbandtraditie al helemaal op z’n kop, met instrumenten die over elkaar tuimelen en dan nog eens extra toegevoegde strijkers, filmsamples en al dan niet bekende riedels. Het resultaat: een van de pot gerukte en uit z’n voegen barstende stamppot/collage die klinkt alsof John Oswald zich ermee gemoeid heeft, en die na enkele minuten bedekt wordt onder een massieve storm van geluid die aanhoudt en aanhoudt, en… aanhoudt, als een minutenlange daad van noise, tot het afgerond wordt met plotse stilte en amper hoorbare gefezel op de achtergrond. Vreemde, vreemde plaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in