Marissa Nadler :: Strangers

Only because it is slightly mellow, doesn’t mean that it is less evil. Dat zei Opeth-opperhoofd Mikael Åkerfeldt ooit over Damnation, de plaat waarop de Zweden hun schedelkrakende death metal inruilden voor akoestische progrock. Dat bewijst ook Marissa Nadler met haar spookachtige folk noir. Verstild, maar zwartgeblakerd en doemerig. Zo ook op het nieuwe Strangers, waarop geblutste zielen door het leven dwalen als de personages uit Les Revenants. Alleen is Nadler dit keer de sterke songs vergeten…

Normaal verkent producer Randall Dunn altijd de diepste krochten van de gitaarversterker bij acts als Sunn O))), Boris, Earth en Wolves In The Throne Room, maar voor Marissa Nadler maakt hij graag een uitzondering. Voor een keertje geen black- of doom metal, maar gotische folkballads. Het zegt iets over de songs van de frêle chanteuse uit Boston. Er kleeft duisternis aan, peilloos en ondoordringbaar. Nadler is dan ook geen singer-songwriter als Cat Power, Joanna Newsom of Angel Olsen, maar eerder een zoetgevooisde helleveeg à la Chelsea Wolfe of Jesse Sykes. Op July, haar laatste en beste plaat, resulteerde dat in een beklijvende pelgrimstocht door de ruïnes van haar hoofd. Ze goot haar inktzwarte zielenroerselen over leven en liefde in zacht echoënde, ijle pareltjes van folk noir en ondanks het gebrek aan variatie greep de plaat je van begin tot eind bij de lurven.

Je voelt ‘m wellicht al komen: net daar loopt het spaak op Strangers. De sfeerschepping is hetzelfde gebleven, de nummers zijn stuk voor stuk begrafenisstoeten voor kapotte dromen en vergooid geluk, maar het songmateriaal is gewoon veel minder sterk. En dan komen de zwaktes van Nadler al snel genadeloos bovendrijven: haar hijgerige stem, die bijna vermoeiende gravitas, de stijl die primeert op de inhoud… Dat komt allemaal samen in het ronduit saaie “All The Colours Of The Dark”, een song die ondanks z’n titel even kleurloos als tintenkiller is. En daar kunnen enkele sierlijke strijkers niks aan veranderen.

Het titelnummer, “Waking” en “Shadow Show Diane” zijn comateuze songs die in hetzelfde bedje ziek zijn. Het kruipt allemaal met een irritant slakkengangetje voorbij, zonder noemenswaardige hooks of melodieën die zich ook maar even in het hoofd vasthaken. Terwijl de songs op July op zichzelf stonden, krijgen we nu een grijze monotone brij die zelden de oren doet spitsen.

Al is het niet allemaal kommer en kwel. De plaat begint nog behoorlijk veelbelovend met “Divers Of The Dust” en “Katie I Know”. Twee songs die niet alleen prachtig klinken, maar qua niveau ook in de buurt komen van Nadler’s vroegere werk. “Skyscraper” en “Hungry Is The Ghost” vallen dan weer op door ijzige, smeltende synthesizers en smeulende noise. Een welgekomen nieuw ingrediënt in de sound van Nadler dat die songs extra diepte geeft. Maar daarna is het jammer genoeg onherroepelijk op.

Op Strangers staat geen enkele song die ook maar aan de enkels komt van pareltjes als “Drive” of “Dead City Emily” (uit July). Randall Dunn kwijt zich uitstekend van zijn taak als producer, maar arrangementen en sound alleen kunnen geen plaat dragen. En de songs op Strangers hebben gewoon te broze knieën en te weinig ruggengraat om rechtop te blijven. Dat maakt van dit album een tergend lange rit die je oogleden al snel loodzwaar doet worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in