Assif Tsahar, Tatsuya Nakatani & Peter Jacquemyn :: 2 mei 2016, Parazzar

Rietblazer Assif Tsahar en percussionist Tatsuya Nakatani waren al even niet meer de hort op geweest als duo, waardoor deze concertreeks aangegrepen werd om hun recentste en derde album – I Got It Bad (2014) – in de kijker te zetten. Maar ze hadden voor het Brugse publiek ook nog een verrassing in petto.

Wie kwam daar vlak voor de start immers nog binnengewandeld met z’n contrabas? Juist: Peter Jacquemyn, die in het verleden al regelmatig een sparringpartner was voor Nakatani. En na twee sets was ook duidelijk dat die twee uitermate geschikt zijn om bij elkaar te plaatsen. Is de bassist een sterke muzikale persoonlijkheid, een figuur die in sommige contexten misschien als dominant ervaren wordt, dan kan een gedreven artiest als Nakatani hem ergens halverwege tegemoet treden. Wat de twee uithaalden had soms iets van een uitputtingsslag, herinnerend aan de legendarische veldslagen tussen Geoff Capes en Jón Páll Sigmarsson. Ze twee bewogen non-stop, schakelden voortdurend over van techniek en tactiek, en baadden al snel in het zweet. Spanning was er volop, maar daarom nog geen vervelende frictie.

Tsahar bleek immers een mooi tegengewicht te bieden voor wat zich naast hem afspeelde. Is Nakatani, die door zijn haast onbewogen concentratie iets heeft van een getrainde krijger, met zijn ongebruikelijke set-up – een minimale kit aangevuld met een gong en een resem ongewone stokken, schaaltjes en andere attributen – een muzikant die het geheel altijd richting vrij terrein stuurt, dan zorgt Tsahar voor een element dat nauwer aansluit bij de freejazz, met zijn huilende, in de blues gewortelde jammerklachten, die regelmatig verwant waren aan de gierende jeremiades die de kleppers van de jaren zestig en zeventig lieten horen. Het was een aanpak die Jacquemyn ook zonder moeite kon volgen, door probleemloos over te schakelen van excentrieke klankencombinaties (door het gebruik van een of twee strijkstokken, blikjes en grove texturen) naar stuwende momenten van swingende walking bass.

De twee sets bewogen zo erg knap van het ene sleutelmoment naar het andere. Aanvankelijk gebeurde dat subtiel, met zacht aangeblazen tenorsax, die door Nakatani meteen beantwoord werd door het aanblazen van een minicimbaaltje en vervolgens een arsenaal dat bij elkaar gerammeld werd als een klokkenatelier. Daar dan nog eens de immens diep grommende basdrones en keelzang van Jacquemyn bij, en je belandde al snel op het terrein van het ritualistische en meditatieve, al bleef het puur fysieke aspect ook centraal staan. Nakatani schraapte, hamerde, kletste, rinkelde, kletterde met een imponerende snelheid, wipte recht, hing soms naast z’n drumstel, op zoek naar een geluid dat hij gemist had. Je zou de twee sets kunnen vullen door hem voortdurend te volgen met de ogen. Het is een impulsieve en snelle denker die z’n hele lichaam in de strijd gooit. Ideaal voor een kerel als Jacquemyn, die de snaren soms samenkneep alsof het ging om slappe spaghettislierten.

Tsahar stond muzikaal vaak tussen de twee, wisselde af tussen tenorsax en basklarinet, en bewandelde eigenlijk al even diverse paden. Regelmatig met een fragiele ingetogenheid, als compensatie voor het machtsvertoon, maar hij wist ook wat fijnzinniger spel te ontlokken aan zijn kompanen. Wanneer Tsahar zelf op het gaspedaal ging staan, dan leverde dat ook straffe resultaten op. Zo viel hij na een fraaie solo van Jacquemyn in met een zwalpende intensiteit die aan de klassieke Albert Ayler deed denken en scheurde hij daarna met de verbetenheid van een Gayle. De twee sets waren even divers als compact, al werd in de tweede misschien iets hechter gemusiceerd. Of toch in een iets nauwere zone (en dat nog altijd met een enorme rijkheid), met regelmatig collectieve wentelbewegingen waarbij de drie voortdurend inpikten op elkaars dynamiek en zorgden voor een aanzwellende en weer uitdunnende communicatie.

En net als je dacht dat ze vrij conventioneel terrein gingen betreden, dan waren er opnieuw elementen die oren deden spitsen: Jacquemyn die de snaren onder de kam ging manipuleren, Nakatani die met metalen stokken rondjes draaide of door het gebruik van een resem schaaltjes zorgde voor een verbluffend beiaardeffect. En ook: de verschroeiende climax die er na dertig minuten in de tweede set aankwam, bleek een vals einde, want Jacquemyn zette verder en de drie rondden uiteindelijk af met een delicaat samen aftasten met de soul van een spiritual. Het was een erg mooi einde van een ijzersterk concert, waarbij de combinatie van deze uitgesproken persoonlijkheden uitgroeide tot zoveel meer dan een pure optelsom. Straf, heel straf. Opnieuw een hoogtepunt voor het al indrukwekkende Parazzarlijstje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in