Nordmann & CONTRABASSSSS :: 19 maart 2016, De Bijloke

In de Gentse Bijloke loopt vandaag een boeiend festival rond het onderwerp ‘angst’ ten einde. Naast een debat, een kindervoorstelling en een paar (moderne) klassieke concerten, stond er ook een filmavond geprogrammeerd. Welk medium is immers zo geschikt om angst te verbeelden als film? Zeker in combinatie met de live muziek van twee bands – eentje helemaal nieuw en eentje die al even gemaakt lijkt voor zo’n dingen – moest dat wel een boeiende avond opleveren.

Nordmann heeft een sound die vooraf al bestemd was om te serveren in combinatie met beelden. De jazzrockvariant van het kwartet, die voortdurend heen en weer slalomt tussen jakkerende en hoekige rockgrooves en meer etherische momenten vol galmende sax en noir-achtige gitaarspiralen, heeft altijd al een zekere filmische kwaliteit gehad en die kwam nu helemaal tot z’n recht. De band begeleidde John Parkers cultfilm Dementia (ook bekend als Daughter Of Horror) uit 1955. Destijds vooral verguisd wegens ‘te raar’ en intussen grotendeels vergeten. Ergens is dat ook wel terecht, want het is een echte B-film met karikaturaal acteerwerk en verouderde effecten. Maar tegelijkertijd is het ook zo eigenaardig, dat het toch weer intrigeert.

Voortdurend wordt de grens tussen droom en werkelijkheid afgetast tijdens een lange nacht die het hoofdpersonage en de kijker voert langs een resem misdaden, achtervolgingen, louche figuren met dikke sigaren en rokerige jazzclubs. Duidelijk verwant aan de noir-traditie van dat moment, maar door het maximaal uitspelen van zwart/wit-contrasten en het spel met close-ups en groteske schaduwen ook duidelijk verankerd in de expressionistische traditie. Nordmann had er een volledige score voor uitgeschreven, op maat van de jachtige grootstad. Hier en daar deed het wat denken aan Zorns Naked City (maar dan zonder de hysterische hardcore), maar meer nog aan de wat sleazy nachtbrakersvariant van The Lounge Lizards.

Hun uitvoering zat vol met aandikkende effecten en catchy motieven, maar ook met sinistere sferen en explosieve, repetitieve rockuitbarstingen. De timing van de interactie met het beeld was ronduit indrukwekkend en moet wel het resultaat geweest zijn van een grondige voorbereiding. Voor een scene in een jazzkelder werd snugger gespeeld met een afwisseling van eigen muzikale invulling en gebruik van oorspronkelijke muziek. En dan stelde je ook vast dat Dementia, dat opmerkelijk genoeg geen dialogen bevatte, eigenlijk volledig op maat was van een band als deze, die de kracht en verbeelding heeft om de angstdromen, perverse uitspattingen en paranoia gepast te verklanken. Een plaatje dat klopte van voor tot achter. Als ze het live spelen ooit beu zouden worden, dan kunnen ze nog altijd filmmuziek gaan inspelen.

Voor de tweede film werd de centrale figuur van het festival ingeschakeld: multidisciplinair kunstenaar Peter Jacquemyn. Die maakte een beeldengroep die opgesteld stond in het gebouw, maar werkte ook aan een grote tekening aan de concertzaal. Hij was ook degene die CONTRBASSSSS had samengesteld, een band met daarin enkel… juist. En zij zorgden voor een begeleiding bij Carl Theodor Dreyers Vampyr (1932), een totaal ander soort film dan Dementia. Geen flitsende pulp maar een werk dat anno 2016 nog altijd erg apart oogt en duidelijk de sporen draagt van een ervaren cineast. Er wordt volop gebruikt gemaakt van merkwaardige technieken en camerastandpunten, terwijl ook anno 2016 alles baadt in een poëtische dromerigheid.

Het verhaal was minder duidelijk te volgen dan bij Dementia, tenzij je de Duitse tussenteksten kon lezen. Je voelde de verwantschap aan o.m. Nosferatu, maar de moeilijk te omschrijven toon van de film liet veel ruimte voor interpretatie. Ideaal om je met een paar muzikanten aan te vergrijpen, en samen met Lode Leire, Pieter Lenaerts en Yannick Peeters bracht Jacquemyn een hyperexpressieve performance. Daarin werd aanvankelijk vooral ingezet op de mogelijkheden van de strijkstokken, van brute uithalen tot meer verfijnde contrasten. Het was een voortdurende verschuiving van temperamenten en stijlen, aangepast aan het ritme en de scènes van de film, maar met een vrijere, meer abstracte invulling dan bij Nordmann. De geluidseffecten die rechtstreeks inspeelden op de beelden waren dan ook beperkt.

Hier werd de muziek niet zozeer ten dienste gesteld van de beelden, maar er eigenlijk naast geplaatst. Je kreeg best wel een imposante interactie te horen met momenten van strak gepluk en subtiele effecten, maar het draaide vooral toch om het verkennen van schurende, ronkende en zingende timbres. Jacquemyn maakte zelf ook gebruik van zijn bekende blikje tussen de snaren, wat leidde tot een excentriek gekraak en gepiep, en er kwam zelfs brommende keelzang aan te pas, zoals ook wel vaker het geval is bij zijn ‘reguliere’ concerten. Als creatieve reactie op de film – een stroom van geluid die een veelheid aan sferen, texturen en technieken liet horen – kon dit wel tellen. Intrigerend en gepast unheimlich, maar ook wel taaie kost zonder herkenningspunten, waardoor het een forse inspanning vergde van het publiek. Dat was voor enkelen vermoedelijk wat te veel gevraagd, maar we konden het zelf enkel maar toejuichen dat deze twee contrasterende benaderingen naast elkaar konden staan op een avond.

Nordmann gaat later dit jaar nog met het programma de baan op. De precieze data volgen nog. Van de band rond Peter Jacquemyn (aangevuld met vijfde lid Kristof Roseeuw) verscheen zopas The First Sound bij El Negocito Records.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in