Carate Urio Orchestra :: Lover

Toen het internationale, rond Joachim Badenhorst verzamelde Carate Urio Orchestra in het najaar van 2013 op de proppen kwam met het even originele als breekbare Sparrow Mountain, rees de vraag al snel of het mogelijk zou zijn om in het hedendaagse klimaat zo’n band een toekomst te bieden. Maar dat lukte. Het jaar erna speelde het septet een onvergetelijk concert op Jazz Middelheim en werd er stilaan gewerkt aan nieuw materiaal, dat in 2016 in verschillende fasen losgelaten (jaja, toch wel) wordt. Met Lover is het eerste deel gearriveerd.

Het album werd begin 2015 opgenomen in Kc nOna (Mechelen) en zet de aanpak van het debuut grofweg voort, wat we ook hoorden toen de band een sterke indruk maakte tijdens het voorbije Ljubljana Jazz Festival (een deel van die opnames belandt later dit jaar nog op een release bij Clean Feed), al zijn de resultaten nu nog opvallender, sterker en diverser dan een paar jaar geleden. Het septet, waarin de IJslander Eirikur Orri hier vervangen is door Amerikaanse gitarist/trombonist Sam Kulik, haalt opnieuw curieuze stunten uit in de zone tussen improvisatie, folk, pop, abstracte geluidskunst en noise.

De wereld van de improvisatie wordt vaak afgeschilderd als een universum waarin alles op losse schroeven gezet wordt en een tabula rasa het hoogste goed is. Klinkt misschien vanzelfsprekend, al is dat in de realiteit natuurlijk niet altijd zo. Zelfs binnen de vrije muziek zijn er conventies, uitgestippelde routes die opnieuw bewandeld worden, tactieken die hun nut bewezen hebben en die blijven terugkeren. Iedereen zoekt naar een pure creatie van het moment, maar een écht persoonlijke aanpak, eentje die ter plekke uitgevonden lijkt en een product is van die groep mensen op dat moment, is eerder zeldzaam. Het Carate Urio Orchestra is een van de bands die het behendigst de bekende conventies en platitudes ontwijkt.

Dit doen ze door vooral niet in de valkuil van de maximale efficiëntie te willen stappen. Het is een band waarin veel mogelijk is, wat door die combinatie van nationaliteiten, achtergronden, instrumenten en uitgebreide technieken enkel versterkt wordt. Opener “Preacher” begint meteen met excentriek basgemorrel, misschien niet zo’n verrassing als je kerels als Brice Soniano en Pascal Niggenkemper (die een ganse soloplaat van dat spul uitbracht) in je band hebt. Dan valt er een stilte, komt er een weerwoord van de rest van de band, terwijl vervolgens weer afgesloten wordt door de bassen.

Dat abstracte spelen met ontregelde klanken en texturen, waarbij vaak niet eens duidelijk is wie wat doet, is een spel dat een paar keer herhaald wordt. Zo zijn “Iron Bird” en het langere “Crazy Wind Laid Down” even speelse als mysterieuze groepsgesprekken, die soms iets hebben van een muzikale spraakverwarring, maar eigenlijk opvallend behendig tussen minimalisme en surrealisme laveren, met fluitende, suizende, krakkende en smakkende klanken. In combinatie met een paar tracks die een meer gestructureerde koers volgen, leidt het echter tot een geheel waarbij je constant van de ene in de andere verbazing valt. Zo kan een song als “Feet History” (van Nico Roig) plots gaan aanvoelen als een zwoele, repetitieve groove waar elegant blaaswerk op gedrapeerd wordt.

Een drietal tracks zal ongetwijfeld het vaakst aangehaald worden en stuk voor stuk zijn het hoogtepunten. Sean Carpio’s “År Antiphon” (een song die hij de avond voor de opnames pas aan Badenhorst liet horen en die vervolgens in één take opgenomen werd) start dan wel als een breekbare, door hemzelf met een fragiele falsetto gezongen ballade, maar al na anderhalve minuut duiken er nevengeluiden op. Geruis dat aan mondstukken ontsnapt, strijkbewegingen, geschuur, gedreun. Dat blijft maar komen en komen, in steeds krachtigere, excessievere gulpen, totdat de song uiteindelijk verzuipt in die genadeloze geluidsstroom. Het effect: een versmachtende emotionele kopstoot.

De titeltrack, een compacte song die een strak ritmisch patroon volgt, valt dan weer op door het gebruik van een vocoder-achtig effect, waardoor Badenhorsts zinnen een geinig roboteffect krijgen. Opnieuw flirtend met het absurde, met regels als “D’er is een plek in mijn hoofd / met daar enkel gij en ik / en nog wat lover / dat ons beschut / voor de gekte van de tijd / die in onze voortuin kakt” (van Erik Heestermans, die eerder al tekende voor de tekst van “Een schoon hemd”). Afsluiten gebeurt dan weer met een nieuw arrangement van “Fremdenzimmer”, een compositie die Badenhorst schreef voor zijn kamertrio Baloni. Het vertrekt vanuit een industriële golf met fluitende feedback, waar statige blazers uit oprijzen. Badenhorst — met krakende stem en in het Antwerps — verzinkt in wrange melancholie en wordt dan uitgeleide gedaan door de band, die als een koor het einde tegemoet treedt.

En het was bij het bereiken van die aandoenlijke finale (ja, we zijn altijd wat trager), dat we beseften dat dit ons misschien nog het meeste aantrekt in deze unieke band. Het is de even moedige als breekbare onvolmaaktheid, die naïeve en gehavende attitude, die ervoor zorgt dat ze die schijnbaar in een onbewaakt moment opgenomen “Interlude” erbij steken, die weinig geschoolde stemmen inzetten zonder te polijsten, die oneigenlijke speeltechnieken gebruiken, die dwarse combinaties toch blijven combineren, ook al wordt dat (volgens sommigen) eigenlijk niet zo gedaan. En het is net die gebrekkigheid, die ze zo liefdevol lijken te omsluiten, en die van Lover zo’n wringende, ontroerende, surreële, inconsistente, poëtische en tegen vervreemding vechtende plaat maakt, die ervoor zorgt dat dit een pak dichter bij het leven staat dan veel andere albums waarin de muzikanten worden gepresenteerd in hun best mogelijke gedaantes. Dat alleen al maakt van Lover, dat bovendien prachtig vormgegeven werd en nog wat waardevolle, aanvullende anekdotes over de muziek bevat, een waarachtige plaat om in het hart te sluiten.

Het album is te verkrijgen via Badenhorsts KLEIN-label.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in