Richard Dawson :: The Magic Bridge & The Glass Trunk

Newcastle, een ietwat vergeten stad in het noorden van Engeland, is de trotse thuisstad van de opmerkelijke muzikant Richard Dawson. Enkele jaren geleden geraakte hij ook daarbuiten wat bekender wat resulteerde in een aantal opmerkelijke releases bij kleine labeltjes. Twee van die platen worden nu door Weird World heruitgebracht en tonen twee haast totaal verschillende maar wel erg boeiende facetten van deze artiest.

The Magic Bridge (2011)

Op The Magic Bridge zet Dawson zijn meest herkenbare signature sound neer. Een eigenzinnige kijk op Britse folk en American Primitivism gekenmerkt door grofborstelig gitaarwerk en Dawson’s zang die schippert tussen hemels mooi en kattevals. Scheve folkballades die krakkemikkig zwalpen rond een aandoenlijke tristesse. Dat levert een bijzondere plaat op, die in al zijn rauwheid en bevreemding toch weet te ontroeren wanneer Dawson bijvoorbeeld een ode aanheft aan een oude houten rugzak die hij in lang vervolgen tijden kocht in Zwitserland (“Wooden Bag”), of de laatste momenten van zijn grootvader oprakelt (“Grandad’s Deathbed Hallucinations”).

Er is niemand die klinkt zoals Dawson, maar je kan wel een aantal verwante zielen aanduiden. Zo doet de romantische balladerij in een experimenteel jasje hier wel eens denken aan die van Eric Chenaux, neigen de composities soms wat naar de volkse liedjes die Joanna Newsom op haar eerste plaat bij elkaar schreef, en is het gitaarspel duidelijk geënt in dat van instrumentale tokkelpioniers als Bert Jansch of John Fahey (zeker het dronken tussen dissonantie en lieflijkheid huppelende “Cumberland Rag”).

In sommige stukken laat Dawson zijn stem achterwege, zoals in de traag op gang trekkende intro “Juniper Berries Float Down The Stream”, het ruwe “The Bamburgh Beast” of in het bijna negen minuten lang durende epos “Newcastle” waarin de lo-fi kwaliteit van de rest van de plaat nog een paar stappen verder wordt doorgetrokken in een opname die gemaakt lijkt te zijn met een aftandse dictafoon. Elders is de opnamekwaliteit wat beter, maar de specifieke gitaarklank van Dawson, met lichte maar vuile distortion, zorgt er sowieso voor dat alles ruw en rammelend blijft klinken.

Geen doorsnee singer-songwriterplaat dus, deze The Magic Bridge, maar als je er voor openstaat wel een plaat om te koesteren, eentje die prefab schoonheid negeert maar in de plaats daarvan een versie presenteert met authentieke krassen en vlekken. Probeer maar eens niet door een overweldigende tristesse bevangen te raken wanneer de man in “We Picked Apples In A Graveyard Freshly Mowed” het refrein “Hold me, hold me/and never let me go” zingt.

The Glass Trunk (2013)

The Glass Trunk is een volledig ander beestje dan zijn voorganger. Dawson werd gevraag om een artistieke interpretatie te maken van lokale archieven, en komt als resultaat met een dialoog tussen twee radicale uiteinden van zijn geluid. Aan de ene kant de volkse liedkust, hier uitgepuurd in a capella opvoeringen van odes die hij haast letterlijk uit een zeventiende eeuws plakboek haalde, en aan de andere kant twaalf korte instrumentale vignettes waarin Dawson geluidsbarrages afvuurt richting elektrische harpist Rhodri Davies (en vice versa). Die stukjes duren elk maar grofweg een minuut en tonen een volledig ander facet van Dawson’s muziek. Hier en daar neigend naar de lawaaierige snarenmartelarij van Bill Orcutt, zijn er ook verschillende momenten waarin Dawson zijn melodische neigingen niet kan onderdrukken. Ze slagen er in elk geval in om een boeiend tegengewicht te bieden voor de langere stukken van deze plaat.

Dawson is ondanks een opmerkelijk vocaal bereik (hoor die falset aan het einde van “Man Has Been Struck Down By Hands Unseen” op The Magic Bridge!) niet bepaald de meest begaafde zanger, maar maakt daar eerder een sterkte dan een zwaktepunt van in de zeven gezongen composities van The Glass Trunk. In lange verhalende liederen zet Dawson zijn stem hier volledig centraal, met alle valse uithalen en grommende tussenwerpsels die daarbij horen. Twee daarvan gaan zelfs los over de tien minuten (“Joe The Quilt-Maker” en “The Ice-Breaker Baikal”) en zullen op de zenuwen werken ofwel volledig opslorpen al naargelang hoe sterk u de zang kan appreciëren. Meest opmerkelijk is wellicht opener “A Parent’s Address To His Firstborn Son On The Day Of His Birth”, waarin Dawson een bric-à-brac koor bij elkaar sprokkelde die een al even wankele begeleiding als zijn eigen zang neerzetten, als een stomdronken versie van Björk’s Medulla.

Is The Magic Bridge een plaat die we iedereen met een appreciatie voor Britse folk en een open blik zouden aanraden, dan is The Glass Trunk enkel eentje voor de doorzetters. Hoewel verschillende aspecten van Dawson’s opmerkelijke muzikale persoonlijkheid hier goed vertegenwoordigd zijn worden ze zodanig tot hun uiterste gedreven dat ze een wel erg acquired taste worden. Desalniettemin is ook dit een erg boeinde plaat die aandacht verdient. U weze echter gewaarschuwd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in